RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht - voorzieningenrechter Vonnis in kort geding van 2 augustus 2010, gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 370478 / KG ZA 10-855 van: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ’s-Gravenhage, tegen: [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. R.H.J. Koopmans te Amsterdam. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’. 1. De procedure De voorzieningenrechter heeft ter zitting op 22 juli 2010 bepaald dat de door [gedaagde] overgelegde producties niet in beschouwing zullen worden genomen, nu deze stukken niet binnen 24 uur voorafgaande aan de zitting zijn ingediend en de raadsman van [eiser] tegen overlegging ter zitting bezwaar heeft gemaakt. 2. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 juli 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is een projectontwikkelaar en aannemer. [Gedaagde] heeft - tezamen met haar echtgenoot - in eigendom een pand aan de Rembrandtweg 26 te Noordwijk, waarin een hotelbedrijf wordt geëxploiteerd. [Gedaagde] verhuurt het pand thans aan Hotel Restaurant de Branding B.V. (hierna: De Branding), waarvan haar dochter - mevrouw [dochter gedaagde] - enig aandeelhouder en directeur is. De Branding verhuurt het pand door aan de heer [exploitant], die het hotel-restaurant exploiteert. 2.2. Op 26 juni 2010 is in de zaterdageditie van De Telegraaf een artikel gepubliceerd onder de kop “Burgemeester in de verdediging” en de subkop “Ondernemers verdenken [burgemeester] van gesjoemel” (hierna: het artikel). In het artikel staat, voor zover thans relevant, het volgende (waarbij [initialen] staat voor [schrijver artikel], schrijver van het artikel): ‘Voor mevrouw [gedaagde], al dertig jaar eigenaresse van hotel De Branding aan de Rembrandtweg, is [burgemeester fout, hartstikke fout.,,De gemeente wilde mij tot sluiting dwingen. Na dertig jaar hard werken wilden de burgemeester en zijn vriendje de projectontwikkelaar mijn hotel inpikken om er villa’s te kunnen bouwen. [Burgemeester] zei: Ga maar naar [eiser] (Noordwijkse projectontwikkelaar, [initialen]). Ik was kapot, ik ben de enige in Noordwijk die is gesloten terwijl alle andere hotels een jaar de tijd kregen aanpassingen te plegen.”’ 2.3. Uit bovengenoemd Telegraaf artikel zijn delen overgenomen door de nieuwswebsites www.mijnnoordwijk.nl en www.echo.nl. 3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer 3.1. [Eiser] vordert – zakelijk weergegeven – [gedaagde] op straffe van een dwangsom: I) te veroordelen tot het (doen) plaatsen van een rectificatie in de eerstvolgende zaterdageditie van het dagblad “De Telegraaf” op pagina 1, sectie Exclusief Reportages en achtergronden (het TA gedeelte), in een zwart kader met de afmetingen 11,5 cm breed en 8,5 cm, met de volgende inhoud en zonder toevoegingen en/of commentaar: RECTIFICATIE In de Telegraaf van 26 juni 2010 is onder de kop “Burgemeester in de verdediging” en de subkop “Ondernemers verdenken [burgemeester] van gesjoemel” een artikel verschenen over burgemeester [burgemeester]. In het artikel wordt door mevrouw [gedaagde], directeur van hotel De Branding in Noordwijk gesteld dat burgemeester [burgemeester] “hartstikke fout” is en dat dit zou blijken uit het feit dat de gemeente [gedaagde] tot sluiting van haar hotel wilde dwingen en op deze wijze de burgemeester en de projectontwikkelaar [eiser] het hotel zouden willen inpikken om er villa’s te kunnen bouwen. Hierdoor is ten onrechte de suggestie gewekt dat [eiser] betrokken is geweest bij enig onoirbaar handelen en met de gemeente zou hebben samengewerkt om sluiting van het hotel te bewerkstelligen teneinde het hotel te kunnen overnemen. Bij vonnis d.d…… 2010 zijn deze uitlatingen door de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage onrechtmatig bevonden jegens de heer [eiser] en ben ik op straffe van een dwangsom veroordeeld tot plaatsing van deze rectificatie. [dochter gedaagde] II) te bevelen binnen twee dagen na datum van dit vonnis de onder I) genoemde rectificatie te (laten) plaatsen op de website van De Telegraaf in het voor die website gebruikelijke lettertype voor de duur van veertien dagen. 3.2. Daartoe voert [eiser] onder meer het volgende aan. In het artikel van De Telegraaf is [gedaagde] geciteerd. Met het citaat maakt [gedaagde] duidelijk dat burgemeester [burgemeester] (hierna: [burgemeester]) onoirbaar handelt, dat [burgemeester] de gemeente hierbij gebruikt en dat [eiser] hierbij direct betrokken is, dit alles met het doel om het hotel van [gedaagde] in handen te krijgen teneinde op die plek villa’s te kunnen bouwen. De door [gedaagde] geuite beschuldigingen aan het adres van [eiser] zijn onjuist. [eiser] wordt er ten onrechte van beschuldigd dat hij direct betrokken is bij het onoirbaar handelen van [burgemeester] - waarvoor [burgemeester] de gemeente gebruikt - met als uiteindelijk doel het hotel van [gedaagde] in handen te krijgen. Dergelijke ernstige beschuldigingen zijn slechts gerechtvaardigd indien zij hun grondslag vinden in onderliggende feiten. Hiervan is geen sprake. Door het uiten van voornoemde beschuldigingen handelt [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser]. Hierdoor lijdt [eiser] schade. 3.3. [Gedaagde] voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4. De beoordeling van het geschil 4.1. De vorderingen van [eiser] vormen een beperking van het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting dat aan [gedaagde] op grond van artikel 10 lid 1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toekomt. Dit recht kan slechts worden beperkt, indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). 4.2. Het antwoord op de vraag of de door [gedaagde] geuite beschuldigingen onrechtmatig zijn en rectificatie geboden is, ligt in het spanningsveld tussen het recht op de vrijheid van meningsuiting enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam anderzijds. Hierbij staan derhalve twee hoogwaardige maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat [eiser] heeft om niet lichtvaardig verdacht te worden gemaakt en aan de andere kant het belang van [gedaagde] om zich vrijelijk te uiten. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. De juistheid van de aantijgingen, althans de feitelijke grondslag en de inkleding daarvan, vormt onder meer een omstandigheid die in de afweging van de hiervoor genoemde belangen dient te worden betrokken. 4.3. Van belang is of de door [gedaagde] geuite beschuldigingen of suggestieve uitlatingen waargemaakt kunnen worden of - op zijn minst - op goede gronden voor waar gehouden kunnen worden. Daarbij wordt vooropgesteld dat de onder 2.2 weergegeven zin “Voor mevrouw [gedaagde], al dertig jaar eigenaresse van hotel De Branding aan de Rembrandtweg, is [burgemeester] fout, hartstikke fout” buiten de beoordeling valt nu het een weergave van de journalist betreft en in dat kader niet aan [gedaagde] toegerekend kan worden. 4.4. [Gedaagde] suggereert met haar uitlatingen zoals weergegeven onder 2.2. dat er sprake is van een ongeoorloofde vorm van samenwerking tussen - de bevriende - burgemeester [burgemeester] en projectontwikkelaar [eiser] teneinde te bewerkstelligen dat zij haar hotel verkoopt, zodat er op de plek van het hotel villa’s gebouwd kunnen worden. Daarbij valt het gebruik van de woorden ‘vriendje’ en ‘inpikken’ op. [Gedaagde] baseert haar uitingen op de na te noemen omstandigheden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.