RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Utrecht Sector bestuursrecht Vreemdelingenkamer zaaknummer: AWB 09/21685 BEPTDN uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser], geboren op [1970], van Marokkaanse nationaliteit, eiser, gemachtigde: mr. L. Louwerse, advocaat te Utrecht, en de staatssecretaris van Justitie, thans de minister van Justitie, verweerder. gemachtigde: mr. C. Brand. Inleiding 1.1 Bij besluit van 10 juni 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn besluit van 4 november 2008 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [A]” ingetrokken tot en met de datum waarop zij is verleend. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep bij deze rechtbank ingesteld. 1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 28 mei 2010, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Overwegingen 2.1 Het bestreden besluit gaat over de vraag of eiser al dan niet onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn huwelijk met mevrouw [A] (hierna: [A]) dan wel gegevens heeft achtergehouden, welke gegevens van zodanig belang zijn dat naar aanleiding hiervan dient te worden geconcludeerd dat zijn verblijfsrecht met terugwerkende kracht dient te worden ingetrokken. 2.2 Niet in geschil is dat eiser ten tijde van de huwelijksvoltrekking met [A] op [2002] te Marokko nog met zijn eerste echtgenote [B] (hierna: [B]) naar Marokkaans recht was gehuwd. 2.3 Eiser stelt zich primair op het standpunt dat zijn huwelijk met [A] naar Marokkaans recht rechtsgeldig is. In dat kader is met name van belang dat [B] kennis had van en ingestemd heeft met het door hem gesloten tweede huwelijk, aldus eiser. 2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt, zodat de verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf bij echtgenote [A]” op juiste gronden is ingetrokken. 2.5 Op grond van artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid. 2.6 Op grond van paragraaf B1/5.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wordt, indien wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden en er nog geen periode van twaalf jaren of langer is verstreken, de ten onrechte verleende verblijfsvergunning ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet verlengd. Voorwaarde is uiteraard dat het verstrekken van de onjuiste gegevens of het achterhouden van de juiste gegevens er (mede) toe heeft geleid dat de verblijfsvergunning ten onrechte is verleend, verlengd of gewijzigd. 2.7 De rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting van de ambtelijke commissie op [2009] heeft verklaard dat hij in 1994 is gescheiden van zijn eerste echtgenote [B] en dat hij op [1997] met haar is hertrouwd omdat zij zwanger was. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. In 2001 zijn zij uit elkaar gegaan. Eiser is vervolgens de echtscheiding in Marokko gaan regelen. Uiteindelijk is het huwelijk, gesloten op [1997] te Marokko, ontbonden op [2006]. Op [2002] is eiser in Marokko in het huwelijk getreden met [A]. Met ingang van 28 april 2003 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [A]”. 2.8 Naar aanleiding van informatie die [B] heeft verstrekt omtrent haar huwelijk met eiser en het tweede huwelijk van eiser met [A] heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken, afdeling Documentenverkeer en Fraudebestrijding, in opdracht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), een verificatieonderzoek in Marokko uitgevoerd met betrekking tot het huwelijk tussen eiser en [A]. 2.9 Uit dit onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een brief gedateerd 22 april 2008, is gebleken dat: “[…] het tweede huwelijk dat bij de notariële sector van Tanger door betrokkene is opgesteld op [2002] als ongeldig moet worden beschouwd omdat het document dat daarvoor gebruikt werd de akte van scheiding voor consommatie van het huwelijk van [1994] van betrokkene was, terwijl de echtgenoot eerder al door de huwelijksakte die in 1997 is opgesteld aan mevrouw [B] was gebonden. In het Marokkaanse familierecht is bigamie toegestaan maar onder bepaalde voorwaarden, waaraan niet is voldaan. In dit geval had de echtgenoot geen toestemming van zijn echtgenote, mevrouw [B], noch van de rechter, om een nieuw huwelijk aan te gaan, waardoor dit huwelijk in de categorie valt van huwelijksbeletsels genoemd in artikel 30 […]”. 2.10 Ter onderbouwing van eisers stelling dat zijn huwelijk met [A] rechtsgeldig is, heeft eiser op 17 oktober 2008 een afschrift overgelegd van de echtscheidingsakte. Niet in geschil is dat uit deze akte blijkt dat het huwelijk met [B], dat was gesloten op [1997], op [2006] is ontbonden. 2.11 Nog daargelaten de vraag of de eerste echtgenote van eiser al dan niet is ingelicht over zijn intentie om een tweede vrouw te huwen, is gesteld noch gebleken dat hij toestemming van de rechter had om een polygaam huwelijk aan te gaan, hetgeen verplicht is op grond van artikel 30 van het Marokkaanse wetboek van familie- en erfrecht. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt omtrent de rechtsgeldigheid van zijn huwelijk met [A]. De stelling van eiser dat zijn huwelijk met [A] staat geregistreerd in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en dat dit voor de uitvoering van het Nederlandse immigratiebeleid leidend is, doet daar niet aan af, aangezien deze informatie gebaseerd is op dezelfde onjuiste gegevens. 2.12 Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of eiser bij het verstrekken van de juiste gegevens in het bezit zou zijn gesteld van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking”verblijf bij echtgenote [A]”. Daarbij dient de rechtbank de door eiser opgeworpen vraag te beantwoorden of hij wist althans kon weten dat hij deze informatie moest verstrekken. 2.13 Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eiser - nu hij een aanvraag voor een vergunning voor verblijf bij echtgenote heeft ingediend - wist, althans had moeten weten, dat hij gehouden was deze gegevens te verstrekken. In dit verband is niet relevant of eiser opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt over de rechtsgeldigheid van zijn huwelijk met [A]. De rechtbank verwijst in dit kader naar de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Vw (Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 199-2000, 26732, nr. 7, p. 25-26), waarin wordt benadrukt dat met de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van het feit dat er bij verlening onjuiste gegevens zijn verstrekt, slechts beoogd wordt de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. De intrekking is gericht op het ongedaan maken van de gevolgen die aan de onjuiste gegevens zijn verbonden. Om die reden is het niet vereist dat de vreemdeling die onjuiste gegevens zelf heeft verstrekt, dat hij op de hoogte was van die verstrekking van de onjuiste gegevens of dat hij daarmee heeft ingestemd. Opzet van de vreemdeling of diens persoonlijke betrokkenheid in welke vorm dan ook, is evenmin vereist. Het gaat er bij de intrekking uitsluitend om dat de situatie wordt hersteld naar de situatie zoals die had behoren te zijn. In het verlengde hiervan is het ook op grond van het beleid van verweerder, zoals dat is neergelegd in paragraaf B1/ 5.3.3 van de Vc, niet van belang of het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van gegevens opzettelijk is gebeurd. Het gaat er volgens het beleid om dat de onjuiste situatie wordt gecorrigeerd. 2.14 De rechtbank is van oordeel dat bij bekendheid met de juiste gegevens de ingetrokken vergunning - gelet op de beperking “verblijf bij echtgenote” - niet zou zijn verleend. 2.15 Gelet op het vorenstaande was verweerder in beginsel bevoegd de verblijfsvergunning van eiser in te trekken. 2.16 Eiser heeft vervolgens in beroep aangevoerd dat de intrekking van de vergunning vijf jaar na het verlenen van het verblijfsrecht plaatsvindt en ten tijde van de daadwerkelijke echtscheiding van zijn eerste echtgenote. Gedurende dit huwelijk is op [2004] geboren de minderjarige [minderjarige 1] van Nederlandse nationaliteit en is in [2009] [minderjarige 2] geboren. Voorts is er sprake van een kind uit een eerdere relatie van [A], [minderjarige 3], geboren op [1998], van Nederlandse nationaliteit, die eiser als haar vader beschouwt. In de visie van eiser wordt op dit moment geen inbreuk gemaakt op de openbare orde. Eiser heeft immers altijd arbeid verricht in loondienst waarvoor premies en belastingen zijn afgedragen. Daarnaast moet zijn gezinsleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) feitelijk worden beoordeeld, hetgeen niet is geschied in het bestreden besluit. Er heeft geen op de zaak toegespitste afweging van de belangen plaatsgevonden, zoals door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vereist is bij beantwoording van de vraag of inbreuk mag worden gemaakt op het gezinsleven van eiser. De destijds mogelijk gegeven onjuiste informatie zal volgens eiser thans niet langer aan verblijfsaanvaarding of voortgezet verblijf van hem in de weg staan. 2.17 Niet in geschil is dat tussen eiser, [A], [minderjarige 3], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sprake is van "family life" in de zin van artikel 8 van het EVRM. 2.18 Door de intrekking van de verblijfsvergunning is de rechtens juiste situatie met terugwerkende kracht hersteld, zodat de vreemdeling geacht moet worden nimmer in het bezit te zijn geweest van een verblijfstitel. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat onder die omstandigheden geen sprake is van inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Ook indien geen sprake is van inmenging dient echter een volledige belangenafweging plaats te vinden tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel. 2.19 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het door de overheid te behartigen algemeen belang mogen stellen boven het belang van eiser. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het feit dat er door eiser geen beroep wordt gedaan op de algemene middelen op zichzelf geen reden vormt om eiser verblijf hier te lande toe te staan. Voorts is van belang dat er geen sprake is van een objectieve belemmering het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Zowel eiser als zijn echtgenote hebben de Marokkaanse nationaliteit, spreken de Marokkaanse taal en zijn bekend met de Marokkaanse cultuur. Beiden zijn geboren in Marokko. De kinderen [minderjarige 3], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Gelet op hun jeugdige leeftijd kan van hen worden gevergd eiser te volgen naar Marokko. Ook [minderjarige 3], die schoolgaand is, is jong genoeg om geacht te kunnen worden zich aan te passen aan de Marokkaanse cultuur. Uit het enkele feit dat [A] (eveneens) en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, vloeit niet voort dat de gezinsleden enkel en alleen in Nederland hun familie- of gezinsleven zouden kunnen uitoefenen. Voor zover de situatie in Marokko minder gunstig is dan in Nederland is dat geen reden om in afwijking van het beleid verblijf toe te staan. Bovendien volgt uit jurisprudentie van het EHRM niet dat artikel 8 van het EVRM zo ver strekt dat de Nederlandse overheid verplicht is om de domiciliekeuze van eiser en [A] te respecteren. 2.20 Voorts acht de rechtbank bij de belangenafweging van belang dat eiser zich zelf in deze positie heeft gebracht, aangezien hij ten tijde van de aanvraag in 2003 onjuiste gegevens heeft verstrekt en vervolgens hier te lande gezinsleven heeft opgebouwd, hetgeen voor zijn risico komt. 2.21 Voor zover eiser een beroep doet op opgebouwd privéleven hier te lande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet nader heeft onderbouwd wat zijn situatie nu juist zo bijzonder maakt. Deze beroepsgrond faalt derhalve. 2.22 De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. 2.23 Eiser voert voorts aan dat hij zich afvraagt waarom in een geval als het onderhavige, waarin aannemelijk is dat een breuk met de Nederlandse samenleving en het weghalen van de kinderen uit hun sociale omgeving, niet eveneens de belangen van de kinderen worden betrokken zoals verlangd door artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Ook heeft eiser een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de EG (HvJ) van 27 juni 2006 (C-540/03) en het Verslag van de commissie aan de raad en het Europees parlement betreffende de toepassing van de richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging (Brussel, 8 oktober 2008, kenmerk COM
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.