← Nederland

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN7826

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: 373866 / KG ZA 10-1031 Vonnis in kort geding van 21 september 2010 in de zaak van [eiser] wonende te [woonplaats] (Iran), eiser, advocaat mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage, tegen:

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bulneth B.V., statutair gevestigd te 's-Gravenhage,
  2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bulneth Holland B.V., statutair gevestigd te Poeldijk, gemeente Westland, gedaagden, in persoon verschenen bij hun statutair bestuurder [bestuurder A.]
  3. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 9 september 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.
  4. Gedaagden exploiteren twee ondernemingen die 'greenhouses' realiseren op een turn key basis. 1.
  5. Gedaagden hebben in augustus 2009 Iran bezocht met als doel hun afzetmarkt te vergroten. In dat kader hebben zij in Iran een vennootschap laten oprichten genaamd Bulneth Iran. Ten behoeve van die oprichting hebben gedaagden € 12.000,-- gestort als startkapitaal. 1.
  6. Eiser heeft ten behoeve van gedaagden in Iran vertaal en tolk werkzaamheden verricht. 1.
  7. Op of omstreeks 16 april 2010 hebben partijen afgesproken dat gedaagden aan eiser een bedrag van € 7.000,-- betalen ter zake van honorarium. 1.
  8. In zijn e-mail van 18 april 2010 heeft eiser aan [bestuurder A.], statutair bestuurder van gedaagden, onder meer geschreven: "(...) the conclusion of our meeting was: (...)
  9. At the end of April you will be paying me 7000 euro as agreed. (...)". 1.
  10. Eiser heeft op 20 april 2010 de € 7.000,-- aan gedaagden gefactureerd en daarbij vermeld dat, zoals afgesproken op 16 april 2010, het bedrag aan het eind van april 2010 moet zijn betaald.
  11. Het geschil 2.
  12. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - gedaagden ieder hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 7.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april [voorzieningenrechter leest 30 april 2010], althans vanaf 24 augustus 2010, binnen twee werkdagen na dit vonnis. 2.
  13. Daartoe voert eiser het volgende aan. Eiser heeft in opdracht van gedaagden vertaal en tolk werkzaamheden verricht en adviezen verleend, omdat gedaagden hun afzetmarkt willen uitbreiden naar Iran. Partijen hebben op 16 april 2010 overeenstemming bereikt over het honorarium van eiser ten bedrage van € 7.000,--. Gedaagden zouden uiterlijk eind april 2010 betalen. Eiser heeft deze afspraak bij e-mail van 18 april 2010 aan gedaagden, althans aan hun bestuurder [bestuurder A.], bevestigd. Bij factuur van 20 april 2010 is het afgesproken honorarium in rekening gebracht. Gedaagden hebben de factuur tot op heden onbetaald gelaten. 2.
  14. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
  15. De beoordeling van het geschil 3.
  16. Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is - hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen - maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden. 3.
  17. Gedaagden hebben als verweer aangevoerd dat de vordering nog niet opeisbaar is. Volgens gedaagden is de vordering van € 7.000,-- pas opeisbaar nadat eiser concrete resultaten heeft geboekt of wanneer hij definitief de vennootschap naar Iraans recht heeft opgericht. Na definitieve oprichting van die vennootschap komt het startkapitaal van € 12.000,-- vrij en van dat geld zou eiser worden betaald. Eiser betwist deze afspraak en verwijst naar zijn e-mail van 18 april 2010 waarin hij de afspraak, inhoudende dat de factuur eind april 2010 wordt betaald, bevestigt. Daarnaast verwijst hij naar de factuur van 20 april 2010 waarop die afspraak nogmaals wordt bevestigd. Deze eenzijdige bevestigingen zijn weliswaar aanknopingspunten voor de gestelde afspraak, maar niet meer dan aanknopingspunten. Het enkele feit dat gedaagden niet adequaat hebben gereageerd door die bevestigingen direct tegen te spreken, brengt nog niet mee dat daarmee die afspraak vaststaat. Kortom, uit de thans over en weer geponeerde stellingen valt niet op voorhand vast te stellen wie het gelijk aan haar zijde heeft. De standpunten van partijen staan daarvoor te veel tegenover elkaar. Voor de beoordeling van de juistheid van de geponeerde stellingen inzake de opeisbaarheid is dan ook nadere bewijslevering, wellicht door middel van het horen van getuigen, noodzakelijk. Binnen het beperkte kader van deze procedure is daarvoor echter geen plaats. Dit brengt dan ook mee dat, gezien het onder 3.1 genoemde toetsingskader, vooralsnog onvoldoende is gebleken van een grote mate van waarschijnlijkheid dat de bodemrechter de vordering van eiser zal toewijzen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen. 3.
  18. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
  19. De beslissing De voorzieningenrechter: - wijst de vordering af; - veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagden begroot op € 263,-- aan griffierecht. Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2010.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.