VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Afdeling 3 Reg.nr.: AWB 10/5172 AW UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekster], wonende te [plaats], gemachtigde mr. [A], ter zake van het besluit van 22 juni 2010 van de Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, verweerder, waarbij verzoekster met ingang van 1 juli 2010 strafontslag wordt verleend, althans is medegedeeld dat dit besluit onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Voorts heeft zij de voorzieningen-rechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is op 2 september 2010 ter zitting behandeld. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B]. Voorts zijn verschenen [C] en [D], werkzaam bij verweerders organisatie. I OVERWEGINGEN 1Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.1 Bij besluit van 27 februari 1991 is verzoekster met ingang van 1 maart 1991 bij de Tweede Kamer aangesteld als serveerster bij het Restaurantbedrijf. 2.2 Bij besluit van 5 oktober 2001 is verzoekster met ingang van 1 augustus 2001 ontheven van haar functie van [functie] bij het Restaurantbedrijf en is zij per 1 augustus 2001 benoemd tot [functie] bij de dienst Communicatie voor 32 uur per week. 2.3 Met ingang van 1 november 2007 werd verzoekster in het kader van de PAS-Regeling geacht werkzaam te zijn gedurende 26,94 uur per week. 2.4 Bij brief van 15 december 2009 is aan verzoekster medegedeeld dat ten aanzien van haar een procedure plichtsverzuim zal worden gestart in verband met het vermoeden van plichtsverzuim dat ten aanzien van haar was gerezen. 2.5 Bij besluit van 7 januari 2010 is verzoekster, als gevolg van reorganisatie, met ingang van 1 januari 2010 geplaatst in de functie van [functie]. 2.6 Op 16 februari 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden met verzoekster, waarbij zij verantwoording heeft kunnen afleggen met betrekking tot het vermoeden van plichtsverzuim. 2.7 Bij brief van 12 maart 2010 is aan verzoekster het voornemen tot strafontslag kenbaar gemaakt. 2.8 Op 24 maart 2010 heeft verzoekster mondeling en schriftelijk haar zienswijze kenbaar gemaakt. 3 Bij besluit van 22 juni 2010 heeft verweerder verzoekster met ingang van 1 juli 2010 strafontslag verleend, althans medegedeeld dat dit besluit onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Voorts wordt verzoekster ontheven van de verplichting om arbeid te verrichten en met behoud van bezoldiging tot 1 juli 2010 verlof verleend. De toegangspas van verzoekster zal worden geblokkeerd. Ten slotte is aangekondigd dat bij afzonderlijk besluit het fraudebedrag zal worden teruggevorderd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van plichtsverzuim, nu verzoekster zich in de jaren 2007 tot en met 2009 structureel en frequent schuldig heeft gemaakt aan fraude, overduidelijk onterecht gebruik dan wel misbruik van dinerbonnen en van de representatiepas dan wel zeer ernstig misbruik van de voorzieningen van de Tweede Kamer. Verweerder acht dit plichtsverzuim verwijtbaar. Zowel de gedragingen betreffende de dinerbonnen als de gedraging betreffende de representatiepas kunnen het strafontslag afzonderlijk dragen. 4 Verzoekster heeft aangevoerd dat zij valt onder de categorie medewerkers A als bedoeld in de Regeling Verstrekking avondmaaltijd van september 2003 en dat zij derhalve gebruik mocht maken van dinerbonnen. Zij had in 2008 een werkrooster dat voorzag in het werken van 09.00 uur 's ochtends tot 19.15 uur 's avonds. Weliswaar waren deze werktijden niet gekoppeld aan het vergaderschema van de Tweede Kamer of aan een commissievergadering, maar zij verrichtte na overleg met haar leidinggevende wel werkzaamheden tot 19.15 uur 's avonds. Zij wijst er op dat bijzondere werkafspraken niet ongewoon waren in de organisatie van de Tweede Kamer. Verzoekster betwist dat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het, met gebruik maken van de representatiepas, kopen van verschillende producten voor eigen gebruik zonder daarvoor te betalen. Ten slotte stelt verzoekster dat het strafontslag onevenredig is te achten. De geschatte inkomensschade bedraagt ruim € 80.000,-- netto tot 1 oktober 2013, zijnde het moment waarop zij de AOW-leeftijd bereikt. Het vermeend ten onrechte genoten voordeel wordt geschat op € 1.500,--. 5.1Artikel 115, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal (hierna: ARSG) bepaalt dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van artikel 115 van het ARSG omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, welk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. 5.2 Artikel 116 van het ARSG regelt welke disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd. Ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder l, van dit artikel kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ontslag worden verleend. 5.3 Volgens vaste jurisprudentie dient de bestuursrechter, die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vast te stellen of de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim terzake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake moet zijn van plichtsverzuim zal de rechter moeten ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de uitspraak van de Raad van 28 september 2000 (LJN: AA8137). 6.1De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat verweerder het voornemen tot strafontslag van 12 maart 2010, waarin passages met betrekking tot een verlofstuwmeer zijn opgenomen, integraal tot onderdeel van het bestreden besluit heeft gemaakt. Dit verhoudt zich niet met de mededeling in het bestreden besluit dat het verlofstuwmeer als aandachtspunt is komen te vervallen. Verweerder dient dit in de te nemen beslissing op bezwaar te herstellen. 6.2 Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat de ingangsdatum van het ontslag is vastgesteld 1 juli 2010. Verzoekster heeft dit ook zo opgevat. De voorzieningenrechter gaat dan ook uit van deze ontslagdatum. Met betrekking tot de representatiepas 6.2 Verweerder heeft facturen overgelegd waaruit zou blijken dat verzoekster de representatiepas ten onrechte heeft gebruikt. De voorzieningenrechter overweegt dat uit bedoelde facturen niet valt af te leiden dat verzoekster de betreffende uitgaven bij de verschillende restaurantvoorzieningen heeft gedaan met behulp van de representatiepas. Verweerder dient, indien hij onterecht gebruik van de representatiepas als plichtsverzuim wenst te handhaven, bij de te nemen beslissing op bezwaar een nadere onderbouwing te geven op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens. Dit betekent niet dat het verzoek om een voorlopige voorziening reeds hierom voor toewijzing in aanmerking komt. Met betrekking tot de dinerbonnen 6.3 In artikel 2 van de Regeling verstrekking avondmaaltijd van 25 september 2003 (hierna: de Regeling) is het volgende bepaald: "Wanneer u tot een van onderstaande groepen medewerkers behoort, komt u in aanmerking voor een verstrekking van de avondmaaltijd. Het gaat om: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.