RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Utrecht Sector bestuursrecht Vreemdelingenkamer zaaknummer: AWB 09/30572 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedatum] 1988, van Iraakse nationaliteit, eiser, gemachtigde: mr. P.P.M. Mol, advocaat te Amersfoort, en de Staatssecretaris van Justitie, thans de Minister van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. P. van den Berg. Inleiding 1.1 Bij besluit van 28 juli 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. 1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 17 augustus 2010, waar eiser is verschenen. Eiser heeft ter zitting, bij monde van zijn gemachtigde, waargenomen door diens kantoorgenote, mr. A.P. van den Akker, zijn standpunt toegelicht en ook verweerder heeft, bij monde van zijn gemachtigde, zijn standpunt toegelicht. Overwegingen 2.1 Ter staving van zijn asielrelaas heeft eiser, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Eiser heeft verklaard dat hij in 2006 op zijn Iraakse paspoort naar Syrië is gereisd. Zijn moeder is Syrische, een zus van eiser en zijn vader hebben een verblijfsvergunning in Syrië. Eiser had een verblijfsvergunning voor drie maanden die niet is verlengd. Op 4 april 2008 is hij door de Syrische autoriteiten uitgezet naar Irak. Zijn vader is een paar dagen later naar Irak gereisd. In Bagdad heeft eiser gewerkt in de winkel van zijn vader. Eiser heeft verklaard dat hij na een week achtervolgd en in de gaten te zijn gehouden op een dag in juni 2008, op weg naar zijn werk, is aangevallen en mishandeld door vijf mannen. Men riep ‘Christen’ naar hem, ze trokken zijn ketting af, knipten zijn haar en dreigden dat hij zou worden afgeslacht als hij de tatoeage op zijn arm niet zou verwijderen. Om zijn tatoeage te verbergen heeft hij drie maanden zijn arm gegipst; in die periode werd hij niet lastig gevallen. Eiser heeft verder verklaard dat hij een relatie kreeg met het Soennitische buurmeisje van zijn tante. In oktober 2008 heeft hij haar ontmaagd. Toen haar familie daar achter kwam, werd hij bedreigd via de telefoon. Hij is ondergedoken bij een vriend van zijn vader. Zijn tante is door deze familie mishandeld om erachter te komen waar hij was. Eind november 2008 is hij samen met zijn vader met het vliegtuig vanuit Bagdad naar Istanbul gereisd. Via een reisagent is hij, zonder zijn vader, op 3 december 2008 per vrachtwagen naar Nederland gereisd. 2.2 Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: “de Vw”). Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser toerekenbaar heeft verzuimd ter staving van zijn aanvraag voldoende reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden over te leggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verder acht verweerder het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig en positieve overtuigingskracht ontberen. Evenmin heeft eiser volgens verweerder aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. 2.3 Eiser heeft aangevoerd dat hem ten onrechte artikel 31 Vw is tegengeworpen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond door verstrekking van een nationale identiteitskaart en een nationaliteitsverklaring waarvan, na onderzoek door de Koninklijke Marechaussee, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is vastgesteld dat het echte documenten betreft. Daarmee staat zijn identiteit vast. Dat hij zijn paspoort niet heeft kunnen verstrekken omdat hij dat in Turkije onder dwang aan de reisagent heeft moeten afgeven en dat hij geen reisdocumenten heeft kunnen verstrekken omdat de tickets van de vlucht van Irak naar Turkije in het bezit waren van zijn vader en deze ze niet heeft bewaard, doet daaraan volgens eiser geen afbreuk. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat het paspoort en de reisbescheiden noodzakelijk zijn om het door eiser aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde reisverhaal te kunnen verifiëren. De door eiser aangevoerde omstandigheden voor het ontbreken van deze bescheiden moeten als onvoldoende van de hand worden gewezen. Daarbij komt dat eiser geen gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft kunnen afleggen over zijn reisroute – hij kan onder meer de naam van de vliegtuigmaatschappij niet noemen – en geen moeite heeft gedaan om alsnog kopieën van documenten over te leggen – bijvoorbeeld van het paspoort van zijn vader waaruit de gestelde gezamenlijke uitreis uit Irak en inreis in Turkije op 30 november 2008 zouden blijken – ter staving van zijn verklaringen. 2.4 De rechtbank stelt vast dat eiser geen reisdocumenten heeft overgelegd. Evenmin heeft eiser andere stukken verstrekt op basis waarvan zijn reisroute kan worden vastgesteld of gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis afgelegd. Met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw overweegt de rechtbank dat eisers stelling dat hij afhankelijk was van een reisagent naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de AbRS”) niet toereikend is om af te doen aan het uitgangspunt dat de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de onderbouwing – waar mogelijk – van het reis- en asielrelaas. Verweerder heeft kunnen stellen dat onvoldoende is gebleken van dwang door de reisagent om van dit uitgangspunt af te wijken. Er is derhalve sprake van de situatie genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw. Gelet hierop kan eisers beroepsgrond dat hem ten onrechte artikel 31 Vw is tegengeworpen niet slagen, nu dit artikel reeds van toepassing is als één van de elementen, genoemd in het tweede lid, is vervuld. 2.5 Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder zijn asielrelaas ten onrechte als ongeloofwaardig heeft bestempeld. In dit verband heeft eiser benadrukt dat hij vanwege zijn afwijkende kleding en haardracht een opvallende verschijning was in Bagdad en dat tijdens de aanval op hem zijn haar werd afgeknipt en zijn ketting met kruis werd afgetrokken. Dat zijn relatie met een moslimmeisje ongeloofwaardig is bevonden gezien de straffe zedelijke moraal in het land van herkomst, is volgens eiser een onjuiste generalisatie. 2.6 Verweerder heeft zich, in het in de bestreden beslissing herhaalde en ingelaste voornemen, op het standpunt gesteld dat vanwege het ontbreken van (kopieën van) documenten, vraagtekens worden gezet bij hetgeen eiser heeft verklaard over zijn illegale verblijf in Syrië en zijn uitzetting naar Irak. Daar komt bij dat de gestelde problemen die eiser in Irak zou hebben ondervonden niet overtuigen, hetgeen volgens verweerder eens te meer een reden is om vraagtekens te zetten bij de gestelde gedwongen terugkeer van Syrië naar Irak. Dit tast op voorhand de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser aan. Van dit asielrelaas gaat volgens verweerder bovendien geen positieve overtuigingskracht uit omdat de verklaringen van eiser over de aanval en mishandeling vaag zijn aangezien hij niet weet door wie hij is aangevallen, wat de aanleiding daarvoor was en in welke straat dat is gebeurd. Ook de verklaringen die eiser heeft afgelegd omtrent zijn relatie met het buurmeisje wekken volgens verweerder bevreemding en ontberen overtuigingskracht. Verweerder volgt eiser onder meer niet in zijn verklaring dat het buurmeisje aan haar Moslim ouders zou hebben verteld dat ze is ontmaagd door de Christelijke buurjongen, mede gezien het risico dat zij hiermee in het leven zou hebben geroepen. Evenmin volgt verweerder eiser in zijn verklaring dat een vriendin van het buurmeisje hem heeft kunnen waarschuwen, nu dat zou betekenen dat het buurmeisje nadat ze haar ouders had ingelicht en deze hadden aangegeven eiser iets te willen aandoen, nog de gelegenheid heeft gekregen om haar vriendin hiervan op de hoogte te stellen, hetgeen uiterst onwaarschijnlijk moet worden geacht. Ook wekt het volgens verweerder bevreemding dat eiser, als de familie van het buurmeisje en hun clan daadwerkelijk naar hem op zoek waren, nog bijna een maand zonder problemen in de naastgelegen wijk in Bagdad heeft kunnen wonen. 2.7 De rechtbank overweegt als volgt. Onder de in rechtsoverweging 2.4 van deze uitspraak genoemde omstandigheden heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd. Nu hierdoor op voorhand de oprechtheid van het asielrelaas van eiser wordt aangetast dient van dit relaas, ten behoeve van de geloofwaardigheid, een positieve overtuigingskracht uit te gaan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat daarvan geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser vage, en op sommige punten bevreemdende, verklaringen heeft afgelegd over de aanval op straat, zijn relatie met het buurmeisje en het bekend worden daarvan. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het asielrelaas van eiser uitsluitend gebaseerd is op zijn eigen verklaringen en niet is verankerd met informatie afkomstig uit andere bronnen. 2.8 Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen verdragsvluchteling is en daarom niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. 2.9 Eiser heeft verder aangevoerd dat hij vanwege zijn Armeense komaf en christelijke geloof behoort een kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C2/3.1.3 van de Vreemdelingencirculaire (hierna: “de Vc”) en daarom in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM, aangezien hij zelfs geen beperkte individuele indicaties, in samenhang met het aanhangen van het Christelijk geloof, heeft gesteld. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat aan de door eiser beschreven gebeurtenissen geen geloof wordt gehecht en dat hij slechts algemene verklaringen heeft afgelegd over problemen die Christenen in Irak ondervinden vanwege hun geloof, terwijl hij niet heeft gesteld dat personen uit zijn naaste omgeving vanwege hun geloofsovertuiging problemen hebben ondervonden. 2.10 Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het asielrelaas van eiser is overwogen, alsmede het feit dat niet is gesteld dat personen uit zijn naaste omgeving vanwege het behoren tot de groep van Christenen problemen hebben ondervonden, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geen aanleiding gezien te concluderen dat eiser, gelet op het in beleid opgenomen in van C2/3.1.3 van de Vc, in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd op grond van artikel 29, aanhef en onder b, Vw. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 2.11 Eiser heeft in zijn beroepschrift, onder verwijzing naar de “UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the International Protection needs of Iraqi asylum seekers” van april 2009 betoogd dat hij, gelet op de veiligheidssituatie in Irak, subsidiaire bescherming dient te krijgen als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: “de Definitierichtlijn”). 2.12 Verweerder heeft zich – desgevraagd – in zijn brief van 8 december 2009 hierover op het standpunt gesteld dat de “UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the International Protection needs of Iraqi asylum seekers” van april 2009 niet worden gevolgd voor zover daarin de stelling wordt betrokken dat het niveau van geweld in de door de in het rapport genoemde provincies zo hoog was dat er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar die gebieden worden teruggestuurd alleen al vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op ernstige en individuele schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van het Hof van Justitie van 17 februari 2009 in de zaak Elgafaji, C-465/07 (JV 2009/111) en de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: “EHRM”) van 20 januari 2009 inzake [A], appl. no. 32621/06 (JV 2009/74) en het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.