RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: 376223 / KG ZA 10-1165 Vonnis in kort geding van 20 oktober 2010 in de zaak van
(9)stukken. Ondanks verschillende verzoeken dienaangaande, weigeren de verzekeraars tot afgifte daarvan over te gaan, waardoor [eisers] onredelijk worden benadeeld in hun bewijspositie. De verzekeraars zijn echter gehouden afschriften van de stukken aan [eisers] te verstrekken op grond van het bepaalde in artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ("Rv"). Door de opstelling van de verzekeraars hebben [eisers] buitengerechtelijke kosten moeten maken, die zij begroten op een bedrag van € 904,--. 2.
- De verzekeraars voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
- De beoordeling van het geschil 3.
- In deze procedure moet worden beoordeeld of de verzekeraars gehouden zijn de gevraagde stukken (in afschrift) aan [eisers] ter beschikking te stellen. Daarbij staat voorop dat artikel 843a Rv, waarop [eisers] hun vordering gronden, ziet op de bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. Het Nederlandse recht kent geen algemene exhibitieplicht voor partijen in die zin dat zij jegens elkaar verplicht kunnen worden tot het verschaffen van informatie en documenten. Met het oog daarop bepaalt artikel 843a lid 1 Rv dat aan de toewijsbaarheid van een vordering als de onderhavige drie cumulatieve voorwaarden zijn gebonden. Ten eerste dient de eisende partij een rechtmatig belang te hebben. Ten tweede moet de vordering "bepaalde bescheiden" te betreffen. Ten derde moet de eiser partij zijn bij de rechtsbetrekking waarop de bescheiden zien. 3.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter strandt de vordering van [eisers] reeds op de eerste voorwaarde. [eisers] stellen de stukken nodig te hebben voor een gemotiveerde bestrijding van de door de verzekeraars in de bodemzaak gevoerde bevrijdende verweren. De bewijslast dienaangaande rust echter - in beginsel - op de verzekeraars, zodat het op hun weg ligt om hun stellingen aangaande die verweren behoorlijk te onderbouwen, zeker na een bestrijding ervan door [eisers]. Het is aan de bodemrechter om aan het niet overleggen van de betreffende stukken - al dan niet na een daarop gerichte instructie - gevolgen te verbinden. Onder die omstandigheden hebben [eisers] geen rechtmatig belang bij verstrekking van de bescheiden en kunnen de overige verweren van de verzekeraars in de onderhavige procedure verder buiten beschouwing blijven. 3.
- Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [eisers], zoals onweersproken verzocht, hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad worden veroordeeld in de proceskosten.
- De beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het gevorderde af; - veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de verzekeraars begroot op € 1.079,--, waarvan € 263,-- aan griffierecht en € 816,-- aan salaris van de advocaat; - verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober
- jvl