vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 343076 / HA ZA 09-2395 Vonnis van 27 oktober 2010 in de zaak van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid FNV KUNSTEN INFORMATIE EN MEDIA, gevestigd te Amsterdam, eiseres, advocaat mr. R.A.A. Duk te 's-Gravenhage, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Economische Zaken, Nederlandse Mededingingsautoriteit), zetelende te 's-Gravenhage, gedaagde, advocaat mr. B.J. Drijber te 's-Gravenhage. Partijen zullen hierna FNV en de Staat worden genoemd. 1.De procedure 1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 29 juni 2009 met producties; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek met producties; - de conclusie van dupliek met productie; - het proces-verbaal van pleidooi tevens comparitie van partijen en de daarin genoemde stukken. 1.2.Ten slotte is vonnis bepaald. 2.De feiten 2.1.In 2006/2007 hebben FNV en de Nederlandse toonkunstenaarsbond (Ntb) enerzijds en de Vereniging van Stichtingen Remplaçanten Nederlandse Orkesten (VSR) anderzijds de CAO Remplaçanten Nederlandse Orkesten (hierna de Remplaçanten-cao) afgesloten. 2.2.Bijlage 5 bij de Remplaçanten-cao betreft een minimumtariefbepaling voor zelfstandige remplaçanten. Deze categorie van remplaçanten heeft de status van zelfstandige zonder personeel (zzp'er). In genoemde bijlage 5 is het volgende vastgelegd: "Aan de zelfstandige remplaçant, d.w.z. remplaçanten waarmee een overeenkomst van opdracht en geen arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, wordt tenminste het in bijlage 2 genoemde repetitie- en concerttarief betaald plus 16%. Bedoelde zelfstandige remplaçant is geen werknemer in de zin van artikel 1 c van deze CAO." 2.3.Naar aanleiding van mediaberichten over het afsluiten van de Remplaçanten-cao heeft de Nederlandse Mededingingsautoriteit (Nma) onderzoek verricht naar de toepasselijkheid van het verbod van mededingingsbeperkende bepalingen op cao-tariefafspraken die (mede) gelden voor zelfstandigen. 2.4. Nma heeft aan FNV, Ntb en VSR kenbaar gemaakt dat een tariefbepaling voor zzp'ers in een cao naar haar oordeel mogelijk in strijd met het mededingingrecht is. Ntb en VSR hebben hierop in november 2007 besloten de Remplaçanten-cao per augustus 2008 op te zeggen. 2.5.Op 5 december 2007 heeft Nma het Visiedocument "CAO-tariefbepalingen voor zelfstandigen en de Mededingingswet" (hierna: het Visiedocument) gepubliceerd. Dit beleidsdocument geeft een algemene juridische analyse van de vraag onder welke voorwaarden cao-afspraken in strijd kunnen zijn met het mededingingsrecht. Nma concludeert daarin dat cao-bepalingen inzake tarieven voor zelfstandigen vanwege hun aard en doel niet bij voorbaat zijn onttrokken aan het mededingingsrecht. Volgens het Visiedocument vallen cao-tariefbepalingen voor zelfstandigen niet onder de in de Europese rechtspraak ontwikkelde uitzondering op het kartelverbod in de zin van artikel 81, eerste lid, EG-Verdrag. In het Visiedocument neemt Nma voorts het standpunt in dat tariefafspraken voor zelfstandigen, ook als zij zijn opgenomen in een cao, in strijd met het mededingingsrecht kunnen zijn. 2.6.Sinds de publicatie van het Visiedocument zijn geen cao's meer overeengekomen waarin afspraken staan over de (minimum-)tarieven die een werkgever aan zelfstandigen dient te betalen. 3.Het geschil 3.1.FNV vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk te verklaren bij voorraad, 1. voor recht zal verklaren dat - het mededingingsrecht (artikel 6 Mededingingswet jo. artikel 81 EG-verdrag) zich (in gevallen als hier aan de orde) niet verzet tegen een cao-bepaling die de werkgever ertoe verplicht tegenover zelfstandigen zonder personeel bepaalde (minimum-)tarieven in acht te nemen; - de publicatie door de Staat van het Visiedocument jegens FNV onrechtmatig is; 2. de Staat zal gebieden binnen twee weken na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis op de internetsite van de Nma en via een persbericht bekend te maken dat het mededingingsrecht zich volgens de rechter (in beginsel) niet verzet tegen een cao-bepaling die de werkgever ertoe verplicht tegenover zelfstandigen zonder personeel (minimum-)tarieven in acht te nemen; 3. de Staat zal veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.2.Aan deze vordering legt FNV - kort samengevat - het volgende ten grondslag. FNV stelt dat Nma een onjuiste visie heeft gepresenteerd in het Visiedocument. Nma heeft ten onrechte als uitgangspunt genomen dat een cao-bepaling, waarin een minimumtarief voor zelfstandigen is neergelegd, onder de werkingssfeer van het kartelverbod in de zin van artikel 81, eerste lid, EG-Verdrag valt. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie, onder meer de arresten van 21 september 1999, Albany (C-67/96, Jurispr. blz. I-5751), Brentjes (C-115/97-C-117/97, Jurispr. blz. I-6025) en Drijvende Bokken (C-219/97, Jurispr. blz. I-6121), en het arrest van 21 september 2000, Van der Woude (C-222/98, Jurispr. blz. I-7111), stelt FNV dat een cao-bepaling, zoals neergelegd in bijlage 5 van de Remplaçanten-cao, die de werkgever ertoe verplicht minimumtarieven voor zelfstandigen zonder personeel in acht te nemen, onder de in die arresten geformuleerde uitzondering op het verbod van artikel 81, eerste lid, EG-Verdrag valt. Nu het Visiedocument een onjuiste visie bevat op het nationale en Europese mededingingsrecht, heeft Nma door het Visiedocument te publiceren onrechtmatig jegens FNV gehandeld, aldus FNV. Door de publicatie van het Visiedocument heeft FNV imagoschade geleden, is FNV praktisch gezien de kans ontnomen in cao's afspraken te maken over (minimum-)tarieven voor zelfstandigen omdat werkgevers(-organisaties) daartoe op basis van het onjuiste Visiedocument niet langer bereid zijn, en hebben haar leden schade geleden (werknemers doordat werkgevers zelfstandigen aantrekken omdat zij dan minder kosten maken en zelfstandigen doordat werkgevers een lager tarief uitkeren dan het tarief dat anders als minimumtarief zou zijn afgesproken gelet op de loonafspraken in de cao). Tot slot heeft FNV de rechtbank in overweging gegeven om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen om antwoord te krijgen op de vraag of het mededingingsrecht (artikel 81 EG-Verdrag) zich al dan niet verzet tegen een cao-tariefbepaling voor zelfstandigen. 3.3.De Staat voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4.De beoordeling 4.1.Onderwerp van geschil is de reikwijdte van de in de Europese rechtspraak ontwikkelde uitzondering op het verbod van artikel 81, eerste lid, EG-Verdrag (thans artikel 101 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), hierna: de cao-exceptie. De centrale vraag die partijen verdeeld houdt is of een cao-bepaling, die opdrachtgevers verplicht om minimumtarieven te betalen aan zelfstandigen, onder de cao-exceptie valt. Tussen partijen staat vast dat hun geschil niet betreft de zogenaamde "schijn-zzp'ers", te weten de in het Visiedocument beschreven deelnemers aan het arbeidsproces die weliswaar formeel zelfstandige zijn, echter gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties leveren en als tegenprestatie een vergoeding ontvangen en derhalve materieel gelijk dienen te worden gesteld met werknemers. 4.2.Het Hof van Justitie heeft in de arresten van 21 september 1999, Albany, Brentjes en Drijvende Bokken, de cao-exceptie vorm gegeven. Uit deze arresten volgt dat een overeenkomst vanwege haar aard en doel onder de cao-exceptie en derhalve buiten de werkingssfeer van artikel 81, eerste lid, EG-Verdrag valt, indien de overeenkomst aan twee voorwaarden voldoet, te weten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.