RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht Zittinghoudende te Amsterdam zaaknummer: AWB 10/11779 V-nr: [X] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1978, van Marokkaanse nationaliteit, eiser, gemachtigde: mr. S. Wierink, advocaat te Amsterdam en: de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, gemachtigde: mr. S.L.W. Schwartz, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. Procesverloop Bij besluit van 16 december 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 19 november 2009 tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met als doel: “verblijf bij Nederlandse echtgenote” afgewezen. Het daartegen ingestelde bezwaar van 12 januari 2010 is bij besluit van 3 maart 2010 ongegrond verklaard. Op 29 maart 2010 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus
- Eiser is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen
- Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat eiser hangende het beroep in de onderhavige procedure een nieuwe mvv-aanvraag ‘verblijf bij Nederlandse echtgenote’ heeft ingediend. Deze aanvraag is inmiddels ingewilligd.
- De rechtbank ziet zich daarom ten eerste gesteld voor de vraag of partijen nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
- Eiser heeft gesteld dat hij nog belang heeft bij een oordeel in deze procedure. Hij heeft naar voren gebracht dat hij een rechterlijk oordeel wenst over het bestreden besluit, dat volgens hem in strijd met het gemeenschapsrecht is genomen. Zijn belang is voorts gelegen in een eerdere ingangsdatum. Indien verweerder eiser immers eerder de mvv had verleend, had eiser eerder in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning en was de scheiding tussen eiser en zijn echtgenote korter geweest. Daarnaast zijn ten onrechte legeskosten voldaan voor de nieuwe mvv-aanvraag en dient verweerder veroordeeld te worden in de proceskosten.
- De rechtbank oordeelt als volgt.
- Het is vaste rechtspraak dat een belanghebbende slechts in rechte kan opkomen tegen een besluit, indien hij daardoor in een materieel gunstiger positie kan geraken.
- De rechtbank overweegt dat eiser niet in een materieel gunstiger positie kan raken door een inhoudelijke beoordeling van deze zaak. Aan eiser is immers thans al een mvv met hetzelfde verblijfsdoel verleend. Een eventueel oordeel dat verweerder in de onderhavige zaak ten onrechte geen mvv heeft verstrekt, maakt, gelijk eiser ter zitting heeft erkend, voorts niet dat aan eiser een verblijfsvergunning met een eerdere datum verstrekt kan worden.
- Ten aanzien van de betaalde leges overweegt de rechtbank als volgt. Bij iedere mvv-aanvraag dient de aanvrager leges te voldoen, onafhankelijk van de positieve dan wel negatieve afloop van de procedure. Zoals de rechtbank eiser begrijpt is de schade die eiser heeft opgelopen gelegen in het feit dat hij twee keer leges heeft betaald, terwijl indien verweerder gelijk het juiste besluit had genomen in de huidige procedure, de betaling van het tweede legesbedrag achterwege had kunnen blijven. De rechtbank overweegt dat het de keuze van eiser is geweest om een nieuwe aanvraag in te dienen hangende de onderhavige procedure. De eventuele schade als gevolg van die tweede procedure, kan geen belang zijn bij het oordeel in de huidige procedure.
- Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) meerdere keren heeft overwogen, geeft de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 1997, H01.96.0476, JB 1997/46). Artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt niet de eis dat de partij die in de proceskosten wordt veroordeeld in het ongelijk is gesteld. Indien, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling over te gaan, geen belang meer bestaat bij een beoordeling van het bestreden besluit, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
- De rechtbank concludeert gezien het vorenstaande dat eiser geen belang meer heeft bij een oordeel in deze procedure. Het beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
- De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten. Beslissing De rechtbank, - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.A. de Graaf, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 september
- De griffier De rechter Afschrift verzonden op: Conc.: AG Coll.: AR D: B VK Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.