← Nederland

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9701

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE nevenzittingsplaats Zwolle Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken Registratienummer: Awb 10/43325 Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in het geding tussen: [eiser], geboren op [geboortedatum], van Algerijnse nationaliteit, IND dossiernummer [nummer], V-nummer [nummer], thans verblijvende op de detentieboot Zaandam, raadsvrouw mr. M. Demirtas, eiser; en de minister voor Immigratie en Asiel, vertegenwoordigd door mr. E.J.H.J. van Roosmalen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), verweerder.

  1. Procesverloop Eiser heeft op 17 december 2010 beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser en aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Het beroep is behandeld ter zitting van 29 december
  2. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
  3. Overwegingen Op 5 november 2010 is eiser in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 24 november 2010 (Awb 10/38562) heeft de rechtbank laatstelijk een eerder tegen de bewaring gericht beroep ongegrond verklaard. Thans staat uitsluitend ter beoordeling of het voortduren van de bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van het onderzoek op 17 november 2010 in die zaak. Eiser heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering, als bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: Richtlijn). De aanvraag om een laissez passer (hierna: lp) is op 4 mei 2010 aan de Marokkaanse diplomatieke vertegenwoordiging gezonden en is sinds 21 juni 2010 in behandeling. Tot afgifte van een lp heeft dat evenwel nog niet geleid. De rechtbank zal beoordelen of een werkelijk vooruitzicht bestaat dat de uitzetting kan slagen, rekening houdend met de in artikel 15, leden 5 en 6, van de Richtlijn voorziene termijnen. Als dat het geval is, kan worden geoordeeld dat een “redelijk vooruitzicht op verwijdering” in de zin van artikel 15, lid 4, van deze richtlijn bestaat. Blijkens de voortgangsrapportage is de aanvraag om afgifte van een lp voor eiser op 21 juni 2010 door de Marokkaanse autoriteiten in onderzoek is genomen. Gelet op verweerders verklaring dat ook na langere looptijd van een dergelijk onderzoek nog wel een lp wordt afgegeven en gelet op de tijd die eiser sinds 5 november 2010 in bewaring heeft doorgebracht, is sprake van een redelijk vooruitzicht op de verwijdering van eiser. De rechtbank acht daarbij van betekenis dat eiser niet de vereiste medewerking aan de verwijdering verleent. Blijkens het verslag van het vertrekgesprek van 25 november 2010 blijft eiser volhouden dat hij uit Algerije afkomstig is, terwijl uit de herkomstindicatie van 26 november 2010 blijkt dat eiser is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Marokko. De stelling van eiser ter zitting dat de herkomstindicatie onvoldoende is onderbouwd, is onvoldoende om aan de conclusie van de herkomstindicatie voorbij te gaan. Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.
  4. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, als rechter, en door deze en drs. M.P. de Zwart als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 31 december
  5. Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.