← Nederland

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9709

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE nevenzittingsplaats Zwolle Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken Registratienummer: Awb 10/43366 Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in het geding tussen: [eiser], geboren op [geboortedatum], van Chinese nationaliteit, IND dossiernummer [nummer], V-nummer [nummer], thans verblijvende in het detentiecentrum te Zaandam, raadsman mr. P.M. van der Roest, eiser; en de minister voor Immigratie en Asiel, vertegenwoordigd door mr. E.J.H.J. van Roosmalen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), verweerder.

  1. Procesverloop Op 15 december 2010 is eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000). Op 17 december 2010 heeft eiser tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het beroep is behandeld ter zitting van 29 december
  2. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
  3. Overwegingen Eiser stelt dat hij pas sinds een maand in Nederland verblijft en betoogt dat verweerder hem daarom niet zonder meer in bewaring heeft kunnen stellen, maar hem een passende vertrektermijn had moeten gunnen. Hij wijst in dat verband op artikel 7, eerste lid van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: Richtlijn). Dat betoog faalt. Op het moment dat aan eiser de maatregel van inbewaringstelling werd opgelegd, was de in artikel 20, eerste lid van de Richtlijn gegeven implementatietermijn niet verstreken, en was verweerder niet gehouden te handelen in overeenstemming met de Richtlijn. Eiser betoogt voorts dat verweerder hem in het terugkeerbesluit ten onrechte evenmin een passende vertrektermijn heeft gegund. Op 23 december 2010 heeft verweerder aan eiser een Terugkeerbesluit uit doen reiken. Tegen dat besluit staat, volgens de daarin opgenomen rechtsmiddelenclausule, bezwaar open. Dat besluit ligt daarom niet in deze procedure ter toetsing voor. Eiser betoogt ten slotte dat zicht op uitzetting naar China ontbreekt, en verwijst in dat verband naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 11 november 2010, LJN:BO
  4. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat op 16 juli 2010 een bijeenkomst heeft plaatsgevonden, waarbij vertegenwoordigers van de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) met de secretaris van de Chinese ambassade hebben gesproken over de afgifte van laissez-passers. Op 1 september 2010 heeft de toenmalige minister van Justitie met de Chinese ambassadeur gesproken over een nieuwe fase inde samenwerking. Op 28 oktober 2010 heeft de Raadsadviseur Migratiezaken samen met een medewerker van de DT&V China bezocht, waarbij de goede onderlinge relatie werd bevestigd en een aantal aanvragen om afgifte van een lp onder de aandacht van de Chinese autoriteiten is gebracht. Op 11 november 2010 heeft ambtelijk overleg met de Chinese ambassade plaatsgevonden. Daarbij is gesproken over het algemene verloop van het lp-proces, en zijn lopende aanvragen om een lp nogmaals onder de aandacht van de Chinese autoriteiten gebracht. Verweerder heeft geen nadere informatie gegeven over de vraag of uit deze diplomatieke contacten concrete afspraken of toezeggingen zijn voortgevloeid. De rechtbank ziet thans echter geen aanleiding voor de conclusie dat nu reeds een wijziging zou zijn opgetreden in de structurele verandering in de opstelling van de Chinese autoriteiten. Het enkele gegeven dat na mei 2010 geen nieuwe toezeggingen zijn gedaan voor de afgifte van lp’s maakt dat niet anders. Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.
  5. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, en door hem en drs. M.P. de Zwart als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 31 december
  6. Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.