RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: 381825 / KG ZA 10-1516 Vonnis in kort geding van 19 januari 2011 in de zaak van [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, advocaat mr. M.J.R. Roethof te Arnhem, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden, zetelende te 's-Gravenhage, gedaagde, advocaat mr. V. van Dam te 's-Gravenhage. 1. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 11 januari 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.1. Op 22 december 2006 is eiseres aangehouden op de luchthaven Schiphol op verdenking van drugssmokkel. Op dat moment bediende zij zich van het paspoort op naam van mevrouw [Y.] (hierna: '[Y.]'). 1.2. In verband met de drugssmokkel heeft het openbaar ministerie tegen eiseres vervolging ingesteld. Zowel bij haar aanhouding als bij de verhoren door de rechter-commissaris en de raadkamer voorafgaande aan de verlening van de bevelen tot toepassing van voorlopige hechtenis heeft eiseres gebruik gemaakt van de persoonsgegevens van [Y.]. 1.3. Op 4 januari 2007 is aan eiseres in persoon een dagvaarding betekend om op 7 maart 2007 te verschijnen voor de politierechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de politierechter). 1.4. Bij vonnis van 7 maart 2007 is eiseres, die nog altijd gebruik maakte van de persoonsgegevens van [Y.], tijdens een op tegenspraak gehouden terechtzitting door de politierechter veroordeeld tot onder meer een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Dit vonnis is op 22 maart 2007 onherroepelijk geworden. 1.5. Vervolgens heeft de reclassering voor de uitvoering van de werkstraf eiseres opgeroepen onder de door haar opgegeven personalia op het door haar opgegeven adres, derhalve op naam van [Y.] en op het adres van [Y.]. 1.6. De opgelegde werkstraf is niet verricht. Op 18 september 2007 heeft het openbaar ministerie de werkstraf omgezet in de vervangende hechtenis van 120 dagen. De kennisgeving van deze omzetting is verzonden aan [Y.]. 1.7. [Y.] heeft bezwaar gemaakt tegen deze omzetting. Bij beschikking van 14 november 2007 heeft de politierechter geoordeeld dat [Y.] niet degene is die bij vonnis van 7 maart 2007 is veroordeeld tot een taakstraf en hij heeft het bezwaar van [Y.] gegrond verklaard. 1.8. Op 27 augustus 2010 is eiseres aangehouden en in verzekering gesteld in verband met het opzettelijk gebruikmaken van een niet op haar naam gesteld paspoort op 22 december 2006. Bij die gelegenheid is aan eiseres meegedeeld dat de nog niet verrichte werkstraf is omgezet in vervangende hechtenis. 1.9. Bij vonnis van 7 september 2010 heeft de politierechter eiseres veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, wegens het opzettelijke gebruikmaken van een niet op haar naam gesteld reisdocument. Tegen deze beslissing heeft eiseres hoger beroep ingesteld. Op dit beroep is nog niet beslist. 1.10. Bij bezwaarschrift van 10 september 2010 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de omzetting van de op 7 maart 2007 uitgesproken werkstraf. 1.11. Bij beschikking van 7 oktober 2010 heeft de politierechter eiseres in haar bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. In deze beschikking heeft de politierechter onder meer overwogen dat eiseres niet binnen de bij wet voorgeschreven termijn bezwaar heeft gemaakt tegen die omzetting. In zijn oordeel heeft de politierechter mede betrokken dat niet is gesteld of gebleken dat eiseres harerzijds iets heeft ondernomen om tot het verrichten van de aan haar opgelegde werkstraf te komen. 2. Het geschil 2.1. Eiseres vordert - zakelijk weergegeven - gedaagde op straffe van een dwangsom te verbieden over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis waarin de taakstraf is omgezet in een gevangenisstraf. 2.2. Daartoe voert eiseres het volgende aan. Het vonnis van 7 maart 2007 is gewezen tegen [Y.] en kan dan ook niet tegen eiseres ten uitvoer worden gelegd. Dit geldt temeer nu [Y.] volgens eiseres herziening van dat vonnis heeft gevraagd, zodat dat vonnis is komen te vervallen. Voorts is eiseres pas op 27 augustus 2010 bekend geworden met de omzetting van de bij dat vonnis opgelegde werkstraf. Gelet op artikel 22i Wetboek van Strafrecht kon het openbaar ministerie op dat moment echter geen bevel tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis meer geven, aangezien de termijn daarvoor was verstreken. Eiseres is dan ook in haar bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Daar komt bij dat eiseres voor het gebruik van het paspoort van [Y.] wordt vervolgd in een andere procedure. Het is dan ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid om over te gaan tot tenuitvoerlegging van de omgezette werkstraf, aangezien eiseres daardoor als het ware dubbel wordt gestraft voor het gebruik van dat paspoort. Voorts geldt dat de drugssmokkel dateert uit 2006 en eiseres sindsdien in geheel andere persoonlijke omstandigheden verkeert. Eiseres heeft een gezin met drie kinderen en daarnaast werkt zij 30 à 35 uur in de week. De belangen van eiseres bij het zorgen voor haar gezin en het behoud van haar baan dienen zwaarder te wegen dan het belang van gedaagde bij tenuitvoerlegging van de omzetting van de werkstraf. Eiseres moet minst genomen in de gelegenheid worden gesteld de werkstraf alsnog uit te voeren. Gelet op het voorgaande heeft eiseres een spoedeisend belang bij toewijzing van haar vordering. 2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 3. De beoordeling van het geschil 3.1. Aangezien eiseres kennelijk van mening is dat gedaagde onrechtmatig jegens haar handelt, is de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - bevoegd tot kennisneming van de vordering. Eiseres is in haar vordering ook ontvankelijk, nu voor hetgeen zij wil bereiken - een verbod op tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis - geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang meer ter dienste staat. Bij beschikking van 7 oktober 2010 is eiseres immers niet-ontvankelijk verklaard in haar op de voet van artikel 22g Wetboek van Strafrecht (Sr) ingediende bezwaarschrift en ingevolge artikel 22h jo 14j Sr staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open. 3.2. Bij de beoordeling van de vraag of gedaagde gerechtigd is over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis staat voorop dat het openbaar ministerie - orgaan van gedaagde - op grond van art 553 en 561 Wetboek van Strafvordering verplicht is om onherroepelijk geworden uitspraken van de strafrechter zo spoedig mogelijk ten uitvoer te leggen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat er voorts in beginsel aan in de weg dat de burgerlijke rechter de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van onherroepelijke strafrechtelijke uitspraken beoordeelt. De hiervoor genoemde verplichting van het openbaar ministerie kan in beginsel dus niet, laat staan in volle omvang, worden getoetst. 3.3. Voor het maken van een uitzondering op deze toedeling van bevoegdheden kan grond bestaan in het (zeer uitzonderlijke) geval waarin een dadelijke en/of onverkorte tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke uitspraak strijdig is met fundamentele rechten van een veroordeelde. Deze kan zich in zo'n geval tot de burgerlijke rechter wenden, en in spoedeisende gevallen tot de voorzieningenrechter in kort geding. In zoverre kan de stelling van gedaagde dat de gang naar de voorzieningenrechter in het geheel niet openstaat, niet worden aanvaard. 3.4. Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis jegens haar onrechtmatig is aangezien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.