RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Afdeling 1, meervoudige kamer Reg.nr.: AWB 10/240 WW44 UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) In het geding tussen [A] en [B], beiden wonende te [plaats], eisers, gemachtigde H. Du Pré en het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder. Derde partij: [C] Projectontwikkeling regio West B.V., gevestigd te [plaats], vergunninghoudster,gemachtigde mr. H.S. Weeda. I PROCESVERLOOP Vergunninghoudster heeft op 31 januari 2005 een aanvraag om een reguliere bouwvergunning ingediend voor het oprichten van twee appartementencomplexen met in totaal acht appartementen op het perceel Goejanverwelledijk 26 tot en met 30 te Gouda, (hierna: het bouwplan). Het ontwerpbesluit heeft vanaf 14 februari 2008 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen conform het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb. Eisers hebben geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit ingediend. Bij besluit van 29 april 2009 heeft verweerder, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), de gevraagde bouwvergunning verleend. Bij besluit van 2 december 2009, verzonden op 4 december 2009, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie Gouda van 23 november 2009, het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 13 januari 2010, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. De derde partij heeft bij brief van 9 april 2010 haar zienswijze op het beroep gegeven. Het beroep is op 11 november 2010 ter zitting behandeld. Eiser [A] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T. Goerdat. Namens vergunninghoudster is verschenen haar gemachtigde. II OVERWEGINGEN bouwplan Het bouwplan voorziet in de oprichting van een tweetal appartementencomplexen, bestaande uit twee bouwlagen met in totaal acht appartementen. Het bouwplan wordt gerealiseerd aan de Goejanverwelledijk te Gouda, buitendijks. Het bouwplan wordt ingesloten door de Hollandsche IJssel en de dijk. Op deze locatie was voorheen het transportbedrijf Stubbe gevestigd. Aan de overzijde van de Hollandsche IJssel staat de molen [molen], alwaar eisers woonachtig zijn. Tevens is eiser [A] de molenaar van deze molen. procedure en ontvankelijkheid Het ontwerpbesluit tot verlening van de verzochte bouwvergunning met vrijstelling heeft van 14 februari tot en met 26 maart 2008 voor een ieder ter inzage gelegen. Tevens is in de publicatie in het huis-aan-huisblad de Goudse Post, van 13 februari 2008 vermeld dat gedurende deze termijn een ieder (bij voorkeur) schriftelijk zienswijzen kan indienen. De rechtbank stelt vast dat zowel het besluit tot verlening van de vrijstelling, als het besluit tot verlening van de bouwvergunning, met de in afdeling 3.4 van de Awb opgenomen uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) zijn voorbereid. In artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d. van de Awb is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar dient te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Nu het besluit is voorbereid met toepassing van de uov, heeft verweerder ten onrechte onder het besluit van 29 april 2009 vermeld dat belanghebbenden tegen het besluit een bezwaarschrift konden indienen en tevens is ten onrechte de bezwaarprocedure doorlopen. Verweerder heeft dan ook het besluit van 2 december 2009 onbevoegd genomen. De rechtbank stelt vast dat thans ter beoordeling voorligt het besluit van 29 april 2009 waarbij verweerder, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO, de gevraagde bouwvergunning heeft verleend. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht. De rechtbank volgt eisers in hun betoog dat hen redelijkerwijs niet is te verwijten dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht. In de correspondentie met eisers, voorafgaand aan de terinzaggelegging van het ontwerpbesluit, is aan hen aangegeven dat de bouwhoogte van het bouwplan niet de nokhoogte van de thans aanwezige bedrijfsloods zou overschrijden. Niet in geschil is dat pas na ommekomst van de termijn voor het indienen van zienswijzen (eisers) duidelijk is geworden dat de nokhoogte van het bouwplan de nokhoogte van de thans aanwezige bedrijfsloods overschrijdt. De bezwaren van eisers zien op het (optimaal) functioneren van, alsmede het zicht op de molen [molen], hetgeen direct gerelateerd is aan het feit dat het bouwplan de nokhoogte van de thans aanwezige bedrijfsloods overschrijdt. Nu de bouwhoogte van de aanwezige bedrijfsloods niet kon worden afgeleid uit de bouwaanvraag noch uit de tekeningen die bij deze bouwaanvraag behoren, is de rechtbank van oordeel dat het eisers niet te verwijten is dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers ontvankelijk zijn in hun beroep. wettelijke bepalingen Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet (Wow) gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de WRO en de Wow van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden. In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied. Aangezien het geldende bestemmingsplan ouder is dan 10 jaar, kan voorts ingevolge artikel 19, vierde lid, van de WRO vrijstelling slechts worden verleend indien voor het gebied waarop het bouwplan betrekking heeft, door de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit is genomen dan wel een ontwerp van een herziening van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Bij besluit van 23 april 2008 heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit vastgesteld voor de betreffende locatie. Dit besluit is op 12 juni 2008 in werking getreden en had een geldingsduur van één jaar. Voorts heeft de gemeenteraad bij besluit van 22 april 2009, dat in werking is getreden op 21 mei 2009, het voorbereidingsbesluit met een jaar verlengd. vrijstelling Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Vreewijk-Oosterwei-Oud Goverwelle 1995". Het betrokken perceel heeft de bestemming "Bedrijven" met de nadere aanduiding "Transportbedrijf" en de bestemming "Waterkering". Volgens de bijbehorende planvoorschriften is de grond met de bestemming "Bedrijven" onder meer bestemd voor gebouwen ten behoeve van een transportbedrijf. Voor de bebouwing geldt een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 7 meter. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Immers, het bouwplan is in strijd met de doeleindenomschrijving en de ter plaatse geldende bouwhoogte. Gelet hierop heeft verweerder vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend. ruimtelijke onderbouwing De ruimtelijke onderbouwing voor de realisatie van het bouwplan is opgenomen in een rapport van maart 2009, opgesteld door Visser en Wijtman Architekten. In de ruimtelijke onderbouwing is een uiteenzetting gegeven van het project met onder meer een omschrijving van de locatie. Voorts zijn de gemeentelijke en provinciale beleidskaders in deze ruimtelijke onderbouwing uiteengezet en wordt geconcludeerd dat het bouwplan past binnen deze beleidskaders. Tevens wordt aandacht geschonken aan de milieuaspecten die een rol spelen bij het bouwplan, te weten bodem, geluid, luchtkwaliteit, water, dijkbeheer, wet milieubeheer en externe veiligheid. In de ruimtelijke onderbouwing wordt voorts een uiteenzetting gegeven ten aanzien van de archeologie, de natuur en het landschap, de financiële aspecten en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bouwplan. Met betrekking tot de molen [molen] is in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen dat er een akoestisch onderzoek is uitgevoerd naar de te verwachten geluidsbelasting op de woningen door de molen alsmede een onderzoek naar de te verwachten hinder als gevolg van de door de molen te veroorzaken slagschaduw op de woningen. Voorts is ten aanzien van de molenbiotoop overwogen dat het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard (Hoogheemraadschap) reeds een keurvergunning heeft afgegeven voor het bouwplan waarbij is bepaald dat het bouwplan geen onoverkomelijke belemmering vormt voor de windvang van de molen. Ten slotte is in de ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de ingebrachte zienswijzen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt geconcludeerd dat het bouwplan zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen. standpunt eisers Eisers kunnen zich niet met het bouwplan verenigen en hebben verkort en zakelijk weergegeven aangevoerd dat door het bouwplan het functioneren van de molen binnen de molenbiotoop wordt aangetast. De gegarandeerde vrije windvang van de molen en het vrije zicht op de molen worden belemmerd. Voorts voeren eisers aan dat het bouwplan het functioneren van de molen belemmert, aangezien de molen zal zorgen voor aanzienlijk meer geluidsoverlast en slagschaduw op de te bouwen woningen dan thans uit de onderzoeken volgt. Eisers hebben gemotiveerd de aannames die ten grondslag liggen aan zowel het akoestische onderzoek als het slagschaduwonderzoek betwist. Voorts voeren eisers aan dat het bouwplan gesitueerd is buiten de bebouwingscontouren. De rechtbank overweegt als volgt. molenbiotoop Ingevolge de nota "Regels voor Ruimte", opgesteld door gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) geldt ten aanzien van ruimtelijk beleid binnen een molenbiotoop dat binnen een straal van 100 meter gerekend vanuit het middelpunt van de molen geen bebouwing mag worden opgericht. Echter in situaties waarin de vrije windvang en het zicht op de molen reeds beperkt zijn door bebouwing is afwijking van dit criterium mogelijk, mits de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder beperkt worden. Niet in geschil is dat het bouwplan wordt opgericht binnen de molenbiotoop van de molen [molen]. Nu de vrije windvang en het zicht op de molen reeds zijn beperkt door de thans aanwezige opstallen ligt ter beoordeling voor of het bouwplan de vrije windvang en het zicht op de molen verder beperkt. In de ruimtelijke onderbouwing is ten aanzien van de nokhoogte van de thans aanwezige opstallen het volgende opgenomen. "Het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard heeft in het verleden medewerking verleend voor het bouwen van een loods met een nokhoogte van NAP + 7,50 meter (de bestaande bebouwing) en deze loods levert geen onoverkomelijke belemmering van de windvang op, zodat thans het Hoogheemraadschap bereid is medewerking te verlenen aan het bouwplan." De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing een foutief beeld van de thans aanwezige bebouwing is gegeven. Immers, niet in geschil is dat de bestaande situatie afwijkt van de door het Hoogheemraadschap in het verleden vergunde situatie en dat de nokhoogte van het overgrote deel van de thans aanwezige bebouwing, de bedrijfsloods, geen NAP +7,50 meter is maar NAP + 7,09 meter. Voorts varieert de nokhoogte van de overige opstallen tussen NAP + 7,82 tot NAP + 8,48 meter. Gezien het vorenoverwogene kan niet worden gesteld dat het besluit is gebaseerd op een van een juiste feitelijke grondslag voorziene ruimtelijke onderbouwing. Verweerder heeft immers aan het thans bestreden besluit niet ten grondslag gelegd dat het bouwplan qua hoogte afwijkt van (het overgrote deel van) de thans aanwezige bebouwing en evenmin gemotiveerd waarom het bouwplan ondanks deze afwijking toch past binnen de provinciale beleidskaders ten aanzien van molenbiotopen. De bouwhoogte van de thans aanwezige opstallen is immers van invloed op de vraag of de windvang alsmede het zicht op de molen [molen] door het bouwplan worden beperkt. Het beroep is in zoverre gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken. windvang Ten behoeve van het bouwplan is een keurvergunning aangevraagd bij het Hoogheemraadschap. Bij deze vergunningaanvraag worden door het Hoogheemraadschap de waterstaatkundige aspecten gewogen. Nu de molen [molen] zorgt voor het bemalen van de polder is de vraag of het bouwplan gevolgen heeft voor de windvang van de molen door het Hoogheemraadschap beoordeeld. Het Hoogheemraadschap heeft de aanvraag getoetst aan de door GS opgestelde Goedkeuringscriteria Molenbiotoop. In 2005 heeft het Hoogheemraadschap vergunning verleend voor het bouwplan. Het Hoogheemraadschap is bij deze aanvraag ten onrechte uitgegaan van een nokhoogte van de thans aanwezige bedrijfsloods van NAP +7,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.