RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Afdeling 3, meervoudige kamer Reg.nrs.: AWB 09/9142 en AWB 10/3637 UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder. I PROCESVERLOOP Bij besluit van 18 juni 2009 heeft verweerder eiser inzage verstrekt in 353 bladzijden van de niet actuele gegevens, aanwezig over eiser bij de AIVD, kennisneming van overige niet actuele gegevens geweigerd en kennisneming van eventuele actuele gegevens geweigerd. Bij brief van 25 juli 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 juni 2009. Eiser is op 9 november 2009 over zijn bezwaar gehoord. Bij besluit van 20 november 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 30 december 2009 is aan eiser inzage verleend in 221 bladzijden van de bij de AIVD aanwezige gegevens over de organisaties en gebeurtenissen Ban de Bom-beweging, Anarchisme/Federatie van Anarchistische Actiegroepen (F.A.A.), Provo, Kabouterbeweging, Groen Amsterdam, Amsterdam Anders/De Groenen, Groenlinks, Volksuniversiteit voor sabotage en pseudo-erotiek, ontvoering 1970, aanslag metro 1975, De Vrije (anarchistisch tijdschrift), Provo (anarchistenblad) en advies van de BVD aan de Commissaris van de Koningin in verband met het verlenen van een Koninklijke onderscheiding (hierna verder te noemen: organisaties en gebeurtenissen), kennisneming van overige niet actuele gegevens over deze organisaties en gebeurtenissen geweigerd en kennisneming van eventuele actuele gegevens over organisaties en gebeurtenissen geweigerd. Bij brief van 22 januari 2010 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Eiser is op 17 februari 2010 gehoord over zijn bezwaar. Bij besluit van 1 april 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de besluiten van 20 november 2009 en 1 april 2010 beroep ingesteld. Eiser heeft hierbij toestemming verleend om mede op grond van de stukken waarvan uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen uitspraak te doen. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brieven van 16 maart 2010 en 30 juni 2010 verweerschriften ingediend. Verweerder heeft ten aanzien van een deel van de op de zaak betrekking hebbende stukken onder verwijzing naar artikel 87 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 (WIV) een beroep gedaan op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb en medegedeeld dat alleen de rechtbank van die stukken kennis mag nemen. Verweerder heeft daarnaast de rechtbank in de gelegenheid gesteld op ten kantore van de AIVD kennis te nemen van enkele stukken, welke niet in afschrift aan de rechtbank zijn overgelegd. De rechtbank heeft van voormelde stukken in het kader van de toepassing van artikel 87 van de WIV kennis genomen. De zaken zijn op 11 november 2010 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door [X]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [Y]. II OVERWEGINGEN 1.1 Verweerder heeft de verzoeken van eiser aangemerkt als aanvragen als bedoeld in artikel 47 van de WIV. 1.2 Ingevolge artikel 15 van de WIV dragen de hoofden van de diensten zorg voor: a. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens; b. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn; c. de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld. 1.3 Ingevolge artikel 45 van de WIV kan, onverminderd de kennisneming van op grond van paragraaf 3.3 verstrekte gegevens, van de gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4 (artikelen 45 tot en met 57). 1.4 Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de WIV deelt verweerder een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt. 1.5 Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de WIV wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 47 in ieder geval afgewezen, indien: a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij: 1°. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt, 2°. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en 3°. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek; b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt. Ingevolge het tweede lid, van artikel 53, van de WIV wordt, indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing. 1.6 Ingevolge artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIV wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 51 afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft de nationale veiligheid zou kunnen schaden. Ingevolge het vierde lid, van artikel 55, van de WIV zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 47 onderscheidenlijk 50, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 53 onderscheidenlijk 54. 1.7 Ingevolge artikel 87, eerste lid, van de WIV, voor zover thans van belang, blijft in bestuursrechtelijke procedures inzake de toepassing van deze wet waarbij verweerder door de rechtbank ingevolge artikel 8:27, 8:28 of 8:45 van de Awb wordt verplicht tot het verstrekken van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken, artikel 8:29, derde tot en met vijfde lid, van die wet buiten toepassing. Indien verweerder de rechtbank meedeelt dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken, kan de rechtbank slechts met toestemming van de andere partijen mede op grondslag van die inlichtingen of stukken uitspraak doen. 2.1 Verweerder heeft aan zijn besluiten tot gedeeltelijke afwijzing van de verzoeken van eiser ten grondslag gelegd dat hij, gelet op artikel 15, gelezen in verbinding met artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIV, de bronnen, werkwijzen en het actuele kennisniveau van de AIVD geheim moet houden, omdat verstrekking van dergelijke gegevens de nationale veiligheid zou kunnen schaden. Voorts staat artikel 45 van de WIV in beginsel in de weg aan het openbaar maken van persoonsgegevens van derden in het kader van kennisnemings-verzoeken. Verweerder stelt dat de belangen gediend met de geheimhouding van de bronnen en werkwijzen van de AIVD en daarmee het belang van de nationale veiligheid meer gewicht toekomt dan het persoonlijke belang van eiser en dat daarmee het achterhouden van een gedeelte van de gegevens is gerechtvaardigd. 2.2 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat voor het verwerken van actuele gegevens over hem, al dan niet in relatie tot de organisaties en gebeurtenissen, door verweerder geen grond kan bestaan. Eiser wijst in dit verband op het feit dat hem een Koninklijke onderscheiding is verleend. Aan eiser is geen inzage verstrekt in over hem verstrekte gegevens, die dateren van na 1982. Eiser stelt dat inzage in gegevens daterend van na 1982 ten onrechte is geweigerd. Eiser stelt voorts dat verweerder ten onrechte geen informatie verstrekt over de vraag of actuele gegevens over eiser worden verwerkt. Eiser wijst erop dat verweerder wel uitdrukkelijk heeft verklaard dat over de inmiddels ontbonden politieke partij CPN geen actuele gegevens worden verwerkt. Onder betwisting van de stelling dat er voor verweerder en zijn voorganger, de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), ooit aanleiding heeft bestaan om gegevens over eiser te verwerken, stelt eiser dat de verwerkte gegevens betrekking hebben op zijn activiteiten voor reeds lang niet meer bestaande organisaties, zodat verweerder ook over eiser een degelijke verklaring zou kunnen worden afgegeven. Eiser stelt dat verstrekking van de niet actuele gegevens mogelijk ruimer had kunnen plaatsvinden, eiser heeft onvoldoende vertrouwen in de door verweerder uitgevoerde zoekslag, zowel voor wat betreft de tot hem herleidbare gegevens, opgenomen in dossiers over organisaties en gebeurtenissen, als voor wat betreft de archieven van de verschillende diensten, die gegevens over eiser hebben verwerkt. Eiser stelt ten slotte dat hij niet uitsluit dat niet verstrekte gegevens wel in samengevatte of geparafraseerde vorm hadden kunnen worden. 3.1 Ter beoordeling staat of verweerder terecht het standpunt heeft gehandhaafd dat de bepalingen van de WIV in de weg staan aan het verlenen van inzage in meer gegevens dan bij de besluiten van 18 juni 2009 en 30 december 2009 ter inzage zijn gegeven. De rechtbank overweegt dat eiser weliswaar heeft aangevoerd dat ook in het verleden voor de voorganger van de AIVD geen grond heeft kunnen bestaan voor het verwerken van gegevens met betrekking tot eiser en de organisaties waarin hij met anderen samenwerkte, dit gelet op eisers levenslange, volstrekt vreedzame en democratische inzet voor verbetering van de maatschappij en eiser wenst hiervoor een verontschuldiging. De rechtbank kan in deze procedure evenwel slechts een oordeel geven over de betreden besluiten en zal zich over de noodzaak tot gegevensverwerking door de (voorganger van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.