RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Groningen Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer Zaaknummer: Awb 10/31175 Uitspraak in het geschil tussen: X, geboren op, naar gesteld, 10 maart 1992, naar gesteld van Afghaanse nationaliteit, V-nummer: (…) eiser, gemachtigde: mr. U.H. Hansma, advocaat te Groningen, en DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te ’s-Gravenhage, verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.B.Y. Vet, ambtenaar ten departemente. 1. Ontstaan en loop van het geschil 1.1. Op 28 mei 2009 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 11 augustus 2010 afwijzend op de aanvraag beslist. Daarnaast heeft verweerder bij dat besluit overwogen dat aan eiser niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 wordt verleend. 1.2. Op 6 september 2010 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. Op 12 november 2010 zijn de gronden van het beroep ingediend. 1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en eiser in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 4 februari 2011. 1.4. Bij brief van 7 februari 2011 heeft eiser aanvullende informatie verstrekt en nadere stukken ingezonden. Daarbij heeft eiser verzocht om verdaging van de behandeling van het beroep ter zitting opdat verweerder de overgelegde nadere stukken kan (doen) onderzoeken. Na verweerder op 11 februari 2011 telefonisch te hebben gehoord omtrent eisers verzoek om verdaging, heeft de rechtbank diezelfde dag, eveneens telefonisch, aan partijen bericht dat zij het verzoek om verdaging niet honoreert en dat het eiser vrijstaat om, desgewenst, ter zitting (nogmaals) te verzoeken om aanhouding van de zaak. Bij brief van 11 februari 2011 heeft eiser een Nederlandse vertaling ingezonden van de eerder, bij brief van 7 februari 2011, door hem ingezonden nadere stukken. 1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 18 februari 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Namens eiser is ter zitting (opnieuw) verzocht om aanhouding van de zaak opdat verweerder de overgelegde nadere stukken kan (doen) onderzoeken. De rechtbank heeft, gehoord de gemachtigde van verweerder, meegedeeld dat zij het ter zitting gedane verzoek om aanhouding niet honoreert. Daarbij heeft de rechtbank wel aangegeven dat zij tot heropening van het onderzoek zal overgaan als bij de voorbereiding van de uitspraak zou blijken dat het onderzoek naar de overgelegde nadere stukken niet volledig is geweest. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. 2. Rechtsoverwegingen Feiten en standpunten van partijen 2.1. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat verweerder aan eiser niet langer het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, Vw 2000 tegenwerpt, waarin is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Voor deze standpuntwijziging is redengevend, aldus de gemachtigde van verweerder ter zitting, het arrest van 24 januari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, waarbij weliswaar is bewezenverklaard dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, doch aan hem daarvoor geen straf of maatregel is opgelegd. 2.2. Eiser heeft – uiteindelijk – het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser is afkomstig uit Loghar in Afghanistan en behoort tot de bevolkingsgroep van de Pashtun. De vader van eiser is [volgens eisers bij het eerste gehoor op 28 mei 2009 afgelegde verklaring: tweeëneenhalf à drie jaar geleden] bij een zelfmoordaanslag om het leven gekomen. Eiser gaat ervan uit dat deze zelfmoordaanslag is uitgevoerd door Taliban. Dat leidt hij af uit de brief die eiser en zijn familie hebben ontvangen toen zij in de woning van hun tante en haar man, genaamd (…), in Gardez waren, in welke brief de Taliban de dood van vader hebben opgeëist (zie hieronder). Op een nacht werd er op de deur van het ouderlijk huis geklopt. Zijn moeder dacht dat het wel eens Taliban zouden kunnen zijn. Nadat een broer van eiser de poort had geopend, klonk er geschreeuw. Het bleken inderdaad Taliban te zijn. Eiser is daarop door zijn moeder in een grote voorraadvaas verstopt. De Taliban hebben het huis doorzocht. Eiser hoorde hoe de Taliban aan zijn moeder vroegen waar hij (eiser) was. Ook hoorde eiser hoe de Taliban dreigden eisers jongste broer te vermoorden als moeder niet zou vertellen waar eiser was. Uiteindelijk, na lang naar eiser te hebben gezocht, zijn de Taliban vertrokken, met medeneming van eisers broer (…). Nadat de Taliban waren vertrokken is eiser nog een hele tijd in de voorraadvaas blijven zitten totdat ze zeker wisten dat de Taliban weg waren. De volgende ochtend heeft moeder alles aan de dorpsgenoten verteld. Niemand van de dorpsgenoten kon hen echter helpen omdat de dorpsgenoten ook zelf bang waren. Eiser en zijn familie zijn daarom, nog diezelfde dag, vertrokken naar de woning van zijn tante en oom (…) in Gardez, waar zij drie nachten hebben doorgebracht. Op de derde avond van hun verblijf in Gardez, gooiden Taliban een brief in de woning. Oom (…) vond de brief de volgende ochtend achter de deur. De brief was bestemd voor de moeder van eiser. In de brief stond het volgende: “Lieve moeder, als jij het leven van jouw zoon wilt behouden, geef hem dan aan ons. Anders zal hij hetzelfde lot als jouw man en jouw andere zoon ondergaan. Wij hebben jouw man en jouw andere zoon gedood. Vanwege jouw man werd onze man gearresteerd.” In verband met het dreigement in de brief – in de brief stond ook dat ze nergens naartoe konden vluchten omdat de Taliban hen toch zouden vinden – heeft zijn moeder toen aan oom (…) gevraagd of hij hen naar Pakistan zou kunnen brengen. Zo zijn zij naar Pakistan gevlucht. In Pakistan hebben zij verbleven in het vluchtelingenkamp Baraki, in de woning van een oom van moederszijde, (…). Nadat eiser ook daar, in de moskee, was benaderd door mensen van de Taliban die hem wilden werven voor de Jihad, is eiser, na overleg met zijn moeder en oom, gevlucht. 2.3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen – voor zover thans nog van belang, zie het hiervoor in 2.1. vermelde – op grond van het eerste lid van artikel 31 Vw 2000, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder c en f, van dat artikel. Daartoe heeft verweerder zich allereerst op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar paragraaf C4/2.5. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), dat er in de zaak van eiser een contra-indicatie voor statusverlening is omdat eiser onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten heeft verstrekt dan wel de juiste gegevens heeft verzwegen teneinde te bewerkstelligen dat hij in een gunstiger positie zou komen te verkeren dan waarin hij zonder deze onjuiste gegevens zou hebben verkeerd. Eisers verklaringen leiden tot twijfel aan zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, welke gevolgen in de visie van verweerder geheel voor rekening van eiser komen. Zo heeft eiser bij zijn staandehouding door de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) op 29 maart 2009 opgegeven dat hij is geboren op 1 maart 1992 in Kabul, Afghanistan. Deze gegevens had hij ook opgegeven bij de Duitse grenspolitie. Op 30 maart 2009 heeft eiser opgegeven dat hij is geboren in het vluchtelingenkamp Benaki in Sawabi (Pakistan) (ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van gehoor van de KMar van 30 maart 2009). Uit datzelfde gesprek blijkt dat eiser van de Afghaanse autoriteiten geen laissez-passer heeft gekregen omdat na een presentatie aldaar op 17 april 2009 is geconstateerd dat eiser te weinig zou weten van Afghanistan en men vermoedt dat hij uit Pakistan afkomstig is. Eiser heeft tijdens zijn vertrekgesprekken meermaals aangegeven dat hij niet afkomstig is uit Pakistan. In dat licht bezien wekt het dan ook bevreemding dat eiser tijdens zijn eerste gehoor [op 28 mei 2009] aangeeft dat hij is geboren in een vluchtelingenkamp in Pakistan en dat hij tot aan zijn dertiende levensjaar in Pakistan zou hebben verbleven. Eiser heeft voorts onjuiste gegevens verstrekt met betrekking tot zijn reisverhaal. Zo heeft eiser verklaard dat hij ongeveer in april 2008 is vertrokken uit Pakistan en dat hij vervolgens zeker een maand in Iran heeft verbleven en daarna nog vier maanden in Turkije. Echter, op 23 april 2008 zijn van eiser vingerafdrukken afgenomen in Griekenland. Voorts heeft eiser verklaard dat hij zes maanden in Griekenland heeft verbleven. Dit zou dan inhouden dat hij in oktober 2008 uit Griekenland is vertrokken. Eiser heeft verder verklaard dat hij nog twee weken in Italië en twee weken in Frankrijk heeft verbleven, alvorens hij de trein naar Amsterdam heeft genomen. Dit zou betekenen dat hij eind november/begin december 2008 in Amsterdam is aangekomen. Eiser heeft evenwel verklaard dat hij in maart 2009 Nederland is binnengekomen. Een en ander klemt temeer, aldus verweerder, nu eiser in de correcties en aanvullingen op het eerste gehoor heeft aangegeven dat hij na zijn periode in Griekenland is teruggekeerd naar Afghanistan, hetgeen hij in het nader gehoor weer heeft ontkend. Hierdoor kan geen enkel geloof worden gehecht aan het reisverhaal van eiser waardoor het onmogelijk wordt om onderzoek te doen naar een mogelijk verblijf in andere landen. Verweerder constateert vervolgens dat eiser hier bewust gegevens verzwijgt teneinde in een betere positie te verkeren dan wanneer hij dit niet zou doen. Met betrekking tot de tegenstrijdheden in zijn reisverhaal heeft eiser als verklaring gegeven dat hij zich uitermate gestresst voelde tijdens de gehoren en de precieze tijdlijn niet goed heeft onthouden. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat deze verklaring, gelet op de vele tegenstrijdigheden die door verweerder zijn opgemerkt, voor verweerder niet afdoende is. Ook de verklaring die eiser heeft gegeven voor de tegenstrijdigheden rond zijn geboorteplaats – namelijk dat hij naar eigen zeggen nooit heeft verklaard dat hij uit Kabul komt en dat hij pas na een telefoongesprek met zijn moeder had begrepen dat hij in de provincie Loghar in Afghanistan is geboren en dat het gezin waarvan hij deel uitmaakte, naar Pakistan is vertrokken toen hij nog een baby was – is in de visie van verweerder niet afdoende. De stelling van eiser dat het bij de contra-indicatie “verstrekken van onjuiste gegevens” alleen gaat om gegevens die in de asielprocedure zijn verstrekt, wordt door verweerder niet gevolgd. Het gaat hierbij om het verstrekken van onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten, aldus verweerder. Ten aanzien van de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, Vw 2000 (niet onverwijld gemeld) heeft verweerder overwogen dat eiser op 29 maart 2009 Nederland is ingereisd zonder in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding. Eerst op 27 mei 2009 heeft hij zich gemeld voor het indienen van een asielaanvraag. Eisers verklaring, te weten dat hij geen asiel wilde aanvragen in Nederland, is niet een verschoonbare reden voor het zich niet onverwijld melden. In dit verband heeft verweerder er nog op gewezen dat eiser in zijn terugkeergesprek van 6 april 2009 ten overstaan van de Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: DT&V) met nadruk heeft aangegeven dat hij geen asiel wil aanvragen in Nederland omdat hij naar Noorwegen wil. Dit is op 11 mei 2009 nogmaals aan de regievoerder bevestigd door de gemachtigde van eiser. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij reeds op 30 maart 2009 in bewaring was gesteld en dus in de macht was van de Nederlandse autoriteiten en dat hij zich in die zin al had gemeld. In de visie van verweerder betekent dit niet dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, Vw 2000 niet aan eiser kan worden tegengeworpen. Eiser heeft eerst een kleine twee maanden nadat hij in bewaring was gesteld en na meermaals te hebben aangegeven geen asiel te willen aanvragen in Nederland, een asielaanvraag ingediend. Dit betekent dat hij zich niet onverwijld heeft gemeld als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, Vw 2000. Verweerder verwijst in dit verband nog naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 12 september 2005, zaaknr. 200505456/1. Ten aanzien van de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 heeft verweerder in het voornemen allereerst vastgesteld dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute te kunnen vaststellen. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard over het bezit van een paspoort, nu hij enerzijds heeft verklaard dat zijn paspoort in Afghanistan ligt (gesprek met de DT&V van 1 mei 2009), terwijl hij anderzijds in het eerste gehoor heeft verklaard dat hij nooit een paspoort heeft gehad. Voorts heeft hij verklaard dat zijn taskera nog bij zijn ouders ligt. Niet valt in te zien waarom hij deze niet had kunnen meenemen. In het bestreden besluit heeft verweerder hieraan toegevoegd dat eisers verklaring dat de DT&V het paspoort en de taskera door elkaar heeft gehaald, niet maakt dat verweerder zijn desbetreffende overwegingen in het voornemen niet handhaaft. Daarbij heeft verweerder overwogen dat, afgezien van het feit dat niet valt in te zien waarom de DT&V een paspoort en een taskera zou verwisselen, vast blijft staan dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij geen paspoort aan had kunnen vragen. Verweerder acht niet aannemelijk dat eiser geen enkel indicatief bewijs van de reis kan overleggen, noch in staat is om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven. Eiser heeft verklaard dat hij de treintickets die hij heeft gebruikt op zijn treinreis van Italië via Frankrijk naar Nederland heeft weggegooid omdat hij dacht dat hij ze niet kon gebruiken. In de visie van verweerder betekent dit niet dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 niet aan eiser kan worden tegengeworpen. In het bestreden besluit heeft verweerder hieraan toegevoegd dat de stelling van eiser dat er bewijs aanwezig is in de vorm van de dacty-treffer [betreffende Griekenland] en dat niet onaannemelijk is dat hij van daaruit via Italië en Frankrijk naar Nederland is gereisd, evenmin betekent dat het bepaalde onder f, als vorenbedoeld, niet aan hem kan worden tegengeworpen. Ten aanzien van het gebruikte valse paspoort overweegt verweerder dat eiser zich op het moment van afgifte in een land bevond waar de bescherming van de desbetreffende autoriteiten kon worden ingeroepen. Daarin heeft eiser een eigen verantwoordelijkheid, aldus verweerder. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van documenten die zijn reisverhaal onderbouwen, niet aan hem is toe te rekenen. Gelet op de tegenwerping van het bepaalde onder c en f van het tweede lid van artikel 31 Vw 2000 dient er positieve overtuigingskracht uit te gaan van het relaas van eiser, aldus verweerder. Verweerder stelt zich vervolgens op het standpunt dat er gerede twijfel is ontstaan over de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit. Eiser heeft zijn identiteit en nationaliteit op geen enkele wijze met documenten aangetoond, dan wel anderszins aannemelijk gemaakt. Daarbij wijst verweerder naar hetgeen hij eerder heeft overwogen omtrent het verstrekken, door eiser, van onjuiste gegevens. Verweerder acht dan ook niet geloofwaardig dat eiser de door hem gestelde Afghaanse nationaliteit bezit. Derhalve hecht verweerder geen geloof aan eisers verklaringen omtrent de problemen die hij aldaar of elders zou hebben ondervonden of in de toekomst vreest te ondervinden in Afghanistan. Nu geen geloof wordt gehecht aan de gestelde nationaliteit, identiteit, herkomst en het asielrelaas, bestaat er geen aanleiding te overwegen of eiser in aanmerking komt voor verlening van een asielgerelateerde verblijfsvergunning. Vervolgens heeft verweerder “slechts ter meerdere bevestiging van het reeds geconcludeerde” overwogen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. In dat verband heeft verweerder in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen een aantal elementen van het asielrelaas opgesomd ten aanzien waarvan verweerder gemotiveerd heeft aangegeven waarom die elementen het asielrelaas als zodanig ongeloofwaardig maken. Ten slotte heeft verweerder overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “alleenstaande minderjarige vreemdeling”. 2.4. Eiser heeft in beroep allereerst aangegeven dat hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd, met name in de zienswijze, als herhaald en ingelast wordt beschouwd. Voorts heeft eiser onder meer het volgende aangevoerd. Verweerder heeft bij de besluitvorming gebruik gemaakt van processtukken van de DT&V en de KMar. Deze stukken zijn als bijlagen bij het bestreden besluit gevoegd nadat hier door de gemachtigde van eiser om was verzocht. Verweerder heeft de reactie van eiser op deze stukken niet kunnen betrekken bij zijn besluitvorming, nu verweerder ervoor heeft gekozen om deze stukken te hechten aan het bestreden besluit. Dit maakt de besluitvorming onzorgvuldig. Eiser is hierdoor in zijn belangen geschaad. Alleen al hierom dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Thans voert eiser ten aanzien van die processtukken het volgende aan. In de verslagen van de vertrekgesprekken is opgetekend dat eiser verdrietig was vanwege de detentie. Eiser was toen minderjarig, waardoor zijn detentie extra indrukwekkend was. Bovendien was hij geplaatst in een gesloten setting met probleemjongeren. Juist die plaatsing heeft zijn gevoel van veiligheid ernstig aangetast. Eiser heeft in het tweede vertrekgesprek (van 28 april 2009) kennelijk aangegeven dat hij de mogelijkheden om asiel aan te vragen wilde bespreken met een advocaat. Daaruit leidt de gemachtigde van eiser af dat dat niet eerder is gebeurd. Een minderjarige die van verweerder (dan wel de DT&V) in detentie niet het advies krijgt om met zijn advocaat te spreken over onder meer asiel, kan niet worden geacht zijn wil omtrent het vragen van asiel volledig te hebben kunnen bepalen. Het is oneerlijk om in het kader van (concrete handelingen ten behoeve van) dreigende uitzetting, hetgeen een zeer onveilige situatie is voor een minderjarige, aan te sturen op gebruikmaking van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, Vw 2000, aldus de gemachtigde van eiser. Dat eiser lange tijd heeft doorgebracht in Pakistan kan dienen als verklaring voor het door de Afghaanse autoriteiten na de presentatie van eiser geuite vermoeden [te weten dat eiser uit Pakistan afkomstig is]. Eiser is verder van mening dat niet vaststaat dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt. Immers, niet staat vast hoe het precies is gezegd, hoe het is vertaald en of het juist is vertaald. Daarnaast diende verweerder meer oog te hebben voor de stress waaronder eiser, als minderjarige vreemdeling die net was gevlucht en bij binnenkomst in Nederland in detentie is geplaatst, gebukt ging. Eiser blijft proberen zijn tazkera te overleggen. Ten aanzien van het paspoort dat in Turkije is afgegeven aan de reisagent voert eiser allereerst aan dat hij een soort gevangene was van de reisagent. Daarnaast betwist eiser dat Turkije een veilig land zou zijn, onder verwijzing naar (passages uit) het algemeen ambtsbericht inzake Turkije van 3 augustus 2009 en een brief van de UNHCR van 16 december 2009. Ten aanzien van de geloofwaardigheid van de verklaringen heeft eiser verwezen naar de zienswijze. Ten slotte heeft eiser, onder verwijzing naar jurisprudentie en informatie uit openbare bronnen, zoals het ambtsbericht van juli 2010 over de algemene situatie in Afghanistan en rapporten van diverse (hulpverlenings- en mensenrechten-)organisaties, gesteld dat hij aanspraak op toelating ontleent aan artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn). 2.5. Bij faxbericht van 7 februari 2011 heeft eiser een aantal stukken ingezonden, waaronder – voor zover thans van belang – drie stukken die eiser, volgens het gestelde in het faxbericht, vrijdag 4 februari 2011 heeft overhandigd [de rechtbank neemt aan dat hiermee is bedoeld: overhandigd aan zijn gemachtigde]. Eiser heeft die stukken via (…), een kennis van zijn vader, ontvangen. Het betreffen stukken van de autoriteiten te Loghar inzake het ombrengen van de vader van eiser; een identiteitsverklaring (vermoedelijk een tazkera) van eiser; en – als productie 3 – de verzendenvelop, aldus het gestelde in het faxbericht. De rechtbank merkt dat op dat het stuk dat zich als productie 3 bij het faxbericht van 7 februari 2011 bevindt en dat door (de gemachtigde van) eiser is aangeduid met “verzendenvelop”, een kopie van één pagina is, waarop twee stukken staan, te weten een “parcel copy” en voorts een stuk waarop is vermeld dat een eerste afleverpoging is geschied op 31 december 2010 om 12:00 uur en dat DHL Express de volgende werkdag terugkomt. 2.6. Bij faxbericht van 11 februari 2011 heeft eiser een Nederlandse vertaling van de in 2.5. vermelde stukken ingezonden. Volgens die vertaling gaat het om de volgende stukken: 1. een stuk met nummer 126517, gedateerd 13 januari 2011, waarin een verklaring is opgenomen van (…), als aanklager, omtrent de dood van (…), naar gesteld de vader van eiser; 2. een stuk met nummer 786, ongedateerd, waarin de oudsten van het dorp verklaren omtrent de dood van (…) voornoemd, en voorts omtrent de aanval van tegenstanders van de regering in de nachtelijke uren op het huis van eiser; 3. een stuk, ongenummerd en ongedateerd, met daarin opgenomen dezelfde tekst als die, welke is opgenomen in het hiervoor onder 2. vermelde stuk met nummer 786, en waarin voorts is vermeld dat de directeur van de lokale zaken van de provincie Lowgar, het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de juistheid van het vermelde bevestigt; en 4. een stuk met nummer 481688, omtrent welk stuk eiser ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat dit zijn taskera is. Op het stuk is de datum “31/5/2006” vermeld. Bij “geboortedatum en leeftijd” is vermeld: “naar de uiterlijke gelaatstrekken 14 veertien jaar in het jaar 2006”. Beoordeling van het beroep 2.7. Eiser heeft primair gesteld dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en reeds daarom dient te worden vernietigd omdat verweerder stukken, afkomstig van de KMar en de DT&V heeft gebruikt bij zijn besluitvorming, terwijl verweerder die stukken eerst aan eiser heeft doen toekomen bij de bekendmaking van het bestreden besluit. Eiser heeft gesteld dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder die stukken (waarvan verweerder reeds gebruik heeft gemaakt in het voornemen) niet in een eerder stadium (in het bijzonder bij het uitbrengen van het voornemen) uit eigen beweging aan eiser heeft doen toekomen. Daarbij merkt de rechtbank op dat uitgangspunt is dat partijen over dezelfde stukken behoren te beschikken. Bovendien heeft eiser in de zienswijze gemotiveerd verzocht om toezending van die stukken en om hem een termijn te verlenen voor het geven van een reactie op die stukken. Gelet op de in het voornemen opgenomen overwegingen van verweerder waarin (de verklaringen van eiser, opgenomen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.