RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 10/25866 Uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2011 inzake [eiser], geboren op [datum] 1962, van Joegoslavische nationaliteit, verblijvende te [plaats], eiser, gemachtigde mr. P.J. van den Hoogen, tegen de minister voor Immigratie en Asiel, te Den Haag, verweerder, gemachtigde mr. A. Maas Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot opheffing van diens ongewenstverklaring afgewezen. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 15 juli 2010 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De zaak is behandeld op de zitting van 23 november 2010, waarna is besloten de behandeling van de zaak door te verwijzen naar de meervoudige kamer. Bij griffiersbrief van 26 januari 2011 is verweerder verzocht om ter zitting in te gaan op in deze brief geformuleerde vragen. De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer op 28 januari 2011. Aldaar zijn verschenen eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 1. Aan de orde is of het bestreden besluit van 15 juli 2010 in rechte kan standhouden. 2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 3. Eiser is gehuwd met [echtgenote], geboren op [datum] 1960 te [plaats], voormalig Joegoslavië. Uit die relatie zijn zes kinderen geboren: [kind 1], geboren op [datum] 1983 te [plaats], voormalig Joegoslavië, [kind 2], geboren op [datum] 1989 te [plaats], voormalig Joegoslavië, [kind 3], geboren op [dag] maart 1993 te [plaats], voormalig Joegoslavië, [kind 4], geboren op [dag] maart 1996 te [plaats], [kind 5], geboren op [dag] november 1999 te [plaats] en [kind 6], geboren op [dag] augustus 2001, te [plaats]. Eiser heeft tevens een kleinkind, [kleinkind], geboren op [dag] maart 2000 te [plaats]. 4. Eiser is op 26 oktober 1993 tezamen met zijn echtgenote en zijn drie oudste kinderen Nederland ingereisd. Zij hebben op 24 november 1993 aanvragen ingediend om toelating en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Deze aanvragen zijn op 19 mei 1994 afgewezen, de daartegen gemaakte bezwaren zijn op 14 maart 1997 ongegrond verklaard en het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 10 februari 1998 ongegrond verklaard. 5. Bij besluit van 8 maart 2000 is de door eiser op 12 maart 1998 ingediende aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel humanitaire redenen dan wel medische behandeling afgewezen en is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 21, aanhef en onder b (de vreemdeling is veroordeeld wegens een opzettelijk begaan misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd) en c (de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde) van de toenmalige Vreemdelingenwet. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat eiser bij vonnis van de rechtbank Breda van 21 januari 1997 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, ter zake van overtreding van de artikelen 242 en 282, juncto 47, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafrecht (medeplegen van verkrachting en medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden). 6. Bij besluit van 9 maart 2000 is de door de echtgenote, mede namens de kinderen, ingediende aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel humanitaire redenen afgewezen. 7. Bij uitspraak van 20 april 2001 heeft de fungerend president van de rechtbank ’s-Gravenhage het door eiser en zijn echtgenote ingediende verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en de door eiser en zijn echtgenote tegen bedoelde besluiten gemaakte bezwaren met toepassing van artikel 118, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) en artikel 33b van de toenmalige Vreemdelingwet ongegrond verklaard. 8. Bij besluit van 28 oktober 2005 is de door eiser en zijn echtgenote, mede ten behoeve van hun kinderen en het kleinkind, op 21 augustus 2003 ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Bij besluit van 28 juli 2006 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 9. Bij brief van 17 januari 2007 heeft verweerder meegedeeld dat het besluit van 28 juli 2006 is ingetrokken, dat opnieuw op het bezwaarschrift zal worden beslist, dat de echtgenote van eiseres en de kinderen en het kleinkind deze beslissing in Nederland mogen afwachten en dat eiser deze beslissing niet in Nederland mag afwachten. 10. Aan de echtgenote, de kinderen en het kleinkind van eiser is op 16 november 2007 een verblijfsvergunning verstrekt in het kader van de regeling ter afwikkeling van de nalatenschap oude vreemdelingenwet. Zij hebben de lopende procedures ingetrokken. 11. Bij besluit van 24 januari 2008 is het besluit van 28 oktober 2005 voor zover betrekking hebbend op de aanvraag van eiser van 21 augustus 2003 ingetrokken en is deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 29 december 2008 is het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 20 februari 2009 niet-ontvankelijk verklaard. 12. Uit het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister van 28 januari 2010 blijkt dat eiser, naast de veroordeling ter zake van medeplegen van verkrachting en medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, op 8 november 1999 door de politierechter te Dordrecht is veroordeeld ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen tot een gevangenisstraf van twee weken en op 31 januari 2001 door de politierechter te ’s-Gravenhage is veroordeeld ter zake van openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft tot een gevangenisstraf van twee maanden waarvan een maand voorwaardelijk. 13. Sinds 1996 treden geregeld psychotische decompensaties op bij eiser. Eiser lijdt aan paranoïde schizofrenie (een psychiatrisch ziektebeeld met wanen, hallucinaties en een onvermogen om de realiteit te beleven) in combinatie met zwakbegaafdheid. Sinds 2001 is eiser klinisch opgenomen binnen de Geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Vanaf 2001 tot 2004 betrof dit een gedwongen opname. 14. Eiser heeft Nederland sinds zijn ongewenstverklaring niet verlaten. 15. Op 22 februari 2008 heeft eiser onderhavig verzoek ingediend tot opheffing van de ongewenstverklaring. 16. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verzoek terecht is afgewezen. Niet is gebleken dat eiser na de ongewenstverklaring in ieder geval tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft verweerder aangenomen dat sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn echtgenote en hun kinderen en dat (handhaving van) de ongewenstverklaring een inmenging vormt op het recht op uitoefening daarvan. Van een schending van artikel 8 van het EVRM is geen sprake, omdat verweerder bij afweging van het persoonlijk belang van eiser tegen het algemeen belang van de Nederlandse overheid geen aanleiding heeft gezien om de belangen van eiser in deze te laten prevaleren. 17. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft hiertegen – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. 18. In het verzoek om opheffing is uiteengezet dat vanaf 1993 tussen eiser en zijn in Nederland verblijvende gezinsleden sprake is van gezinsleven en dat sprake is van bijzondere omstandigheden, namelijk de dwangopname van eiser, het langdurig verblijf en de complexe medische situatie van eiser. 19. Eiser beroept zich op artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 4:84 van de Awb. Aan alle wettelijke voorwaarden voor een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring is na tien jaren voldaan. Zijn gezinsleden hebben allemaal een verblijfsvergunning ontvangen. Eiser is op 8 maart 2008 ongewenst verklaard, zodat hij al langer dan tien jaren ongewenst vreemdeling is. 20. Eiser wijst op de bijzondere omstandigheden, namelijk dat er op verzoek van de Officier van Justitie een langdurige dwangopname is geweest, welke het niet mogelijk maakte dat eiser een aantal perioden conform de wet buiten Nederland heeft verbleven. In rechte staat vast dat eiser niet buiten Nederland heeft verbleven, maar er wordt voorbij gegaan aan de bijzondere situatie dat sprake is van een justitiële dwangopname dan wel de specifieke medische situatie welke een ontslag uit de psychiatrische inrichting niet mogelijk heeft gemaakt de afgelopen jaren. Uit onder meer informatie van de organisatie Maatwerk bij terugkeer blijkt dat een medewerker van die organisatie de situatie van eiser zeer verontrustend vindt, dat er mogelijk een theoretische behandelmogelijkheid bestaat in Kosovo, maar dat praktische kanttekeningen geplaatst moeten worden bij de invulling daarvan, dat door opnamecapaciteiten er geen nieuwe patiënten meer geaccepteerd worden en dat een sociaal isolement dreigt. 21. Voorts voert eiser aan dat tussen hem en zijn gezinsleden sprake is van familie- en gezinsleven. Bovendien is tussen eiser en in het bijzonder zijn dochter [kind 1] sprake van een meer dan een normale emotionele band. Eiser heeft in dit verband gewezen op een brief van deze dochter van 6 september 2010. Voorts heeft eiser gewezen op een verklaring van de psychiater J.R. Nijdam van 13 juli 2010, waarin staat vermeld dat het sterk de vraag is of de voor eiser noodzakelijk psychische zorg in het land van herkomst kan worden geboden, dat het scheiden van eiser van zijn gezin hem ernstig psychische schade veroorzaakt en is te verwachten dat dit een negatieve invloed heeft op het beloop van zijn psychiatrische stoornis. De in het bestreden besluit getrokken conclusie dat eiser in zijn land van herkomst beter behandelbaar zou zijn en op zijn gemak zou zijn vanwege het taalprobleem, kan een beslisambtenaar niet nemen. 22. Ter onderbouwing van zijn beroep stelt eiser verder dat hij gedurende de ongewenstverklaring niet opnieuw in aanraking is geweest met politie en/of justitie. De uiteenzetting in het bestreden besluit dat eiser al die tijd in detentie en vervolgens in de psychiatrische opvang heeft doorgebracht, miskent dat ook sprake was van een ambulante behandeling. Dat sprake is van mogelijk agressief gedrag in de toekomst en niet is gebleken dat geen gevaar meer dreigt, is niet onderbouwd door een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA). 23. Ten slotte voert eiser als beroepsgronden aan dat het vereiste van een paspoort buitensporig groot is en dat het vereiste van duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan niets heeft te maken met onderhavig verzoek en dat verweerder het onderhavige verzoek tot ten onrechte niet overeenkomstig de in de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna; EHRM) van 2 augustus 2001 inzake Boultif tegen Zwitserland (nr. 54273/00; AB 2001, 341) en 18 oktober 2006 in de zaak Üner tegen Nederland (nr. 46410/99; JV 2006/417) neergelegde criteria heeft beoordeeld. 24. Het wettelijk kader luidt als volgt. 25. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de vreemdeling door de minister ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000. 26. Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Vw 2000 kan de minister op aanvraag van de vreemdeling besluiten tot opheffing van de ongewenstverklaring. Ingevolge het tweede lid wordt de ongewenstverklaring opgeheven indien de vreemdeling tien jaren onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en zich in die periode geen van de gronden, bedoeld in artikel 67, eerste lid, hebben voorgedaan. Ingevolge het derde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de toepassing van deze afdeling. 27. Ingevolge artikel 6.6, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Vw 2000, door de minister in ieder geval ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging terzake van misdrijf is onderworpen en ongewenst verklaard is naar aanleiding van geweldsdelicten of opiumdelicten en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. 28. Het beleid van verweerder terzake van opheffing van een ongewenstverklaring is opgenomen in paragraaf A5/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Blijkens dit beleid is er bij de vaststelling van de bovengrens vanuit gegaan dat na het verstrijken van de (in artikel 6.6, eerste lid, onder a, van het Vb 2000 bedoelde) termijn het gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (in aanvaardbare mate) is geweken dan wel dat het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, in redelijkheid dient te wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling. Er kunnen zich echter (uitzonderlijke) gevallen voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling dient te prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. Het algemeen belang van de Staat kan alleen wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden van het individuele geval die bij de totstandkoming van de algemene regel (lees: de bovengrens) niet zijn betrokken. In ieder geval kan het enkele gegeven dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit en niet meer in Nederland heeft verbleven, niet worden aangemerkt als een bijzonder feit of omstandigheid. 29. Blijkens het beleid geldt als uitgangspunt dat slechts in drie situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen, waaronder de hier van belang zijnde situatie die betrekking heeft op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. 30. In het geval de ongewenstverklaarde vreemdeling in Nederland wenst te verblijven bij familie- en gezinsleden waarvan één of meer rechtmatig verblijf hebben, wordt ingevolge het beleid beoordeeld of het niet-opheffen van de ongewenstverklaring strijdig is met artikel 8 EVRM. Dit betekent dat beoordeeld wordt of op de Nederlandse Staat de verplichting rust om het bestaand familie- en gezinsleven hier te lande mogelijk te maken. Bij de beoordeling of er op de Nederlandse Staat een verplichting rust om de ongewenstverklaring op te heffen, worden in ieder geval de volgende omstandigheden betrokken (zie B2/13.2.3.3, lees: B2/10): • de aard en ernst van het gepleegde misdrijf; • de duur van het verblijf in het gastland; • het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van de betrokkene gedurende die tijd; • de nationaliteiten van alle betrokkenen; • de gezinssituatie van de vreemdeling, zoals de duur van het huwelijk; • andere factoren die uitdrukking geven aan de feitelijke invulling van het huwelijk of de gezinssituatie; • de vraag of de (huwelijks)partner op de hoogte was van het misdrijf toen hij/zij met de vreemdeling in het huwelijk trad of de relatie aanging; • de vraag of er kinderen uit het huwelijk zijn geboren en, als dit het geval is, hun leeftijd; • de ernst van de moeilijkheden die de echtgeno(o)t(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.