RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer, enkelvoudig Nevenzittingsplaats Rotterdam Reg.nr : AWB 11/10909 V-nummer: […] Inzake: […], eiser, gemachtigde mr. A. Plaisier, advocaat te Rotterdam, tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder, gemachtigde mr. J.N. Mons. I Procesverloop 1 Eiser stelt te zijn geboren op […] en de Ghanese nationaliteit te bezitten. 2 Op 30 maart 2011 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 maart 2011 waarbij eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de maatregel van bewaring is opgelegd. 3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 7 april 2011. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. II Overwegingen 1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. 2 De rechtbank oordeelt als volgt. 2.1.1 Eiser stelt dat hij is staandegehouden op basis van informatie uit 2009. Volgens eiser is die informatie onvoldoende actueel om een, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf te kunnen baseren. 2.1.2 Het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 29 maart 2011, voor zover hier van belang, vermeldt het volgende: “(…) Op dinsdag 29 maart 2011 omstreeks 08.05 uur, gingen wij, verbalisanten […], naar een woning gelegen aan de […] te Rotterdam. Aldaar zou, volgens informatie verkregen uit eerder gedane strafrechtelijk onderzoek, mogelijk verblijf, betrokkene genaamd […], geboren op […] te Thema in Ghana. Wij, verbalisanten, stelden uit onderzoek vast dat de hierboven genoemd persoon illegaal in Nederland verbleef. (…)” 2.1.3 Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de informatie verkregen uit eerder gedaan strafrechtelijk onderzoek, zoals vermeld in het hiervoor aangehaalde proces-verbaal, dateert uit 2009. Tussen het strafrechtelijk onderzoek en de staandehouding van eiser op 28 maart 2011 is dus een periode van ieder geval meer dan een jaar gelegen. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 februari 2004 (LJN AO6697) leidt de rechtbank echter af dat die periode in ieder geval niet meer dan tien maanden mag bedragen om nog te kunnen spreken van voldoende actuele informatie. Dat eiser van 2009 tot 21 maart 2011 in detentie heeft verbleven maakt dat, anders dan verweerder betoogt, niet anders. De kans dat eiser, om wat voor reden ook, na zijn invrijheidstelling niet zou kunnen terugkeren naar zijn oude adres, kon immers reëel worden genoemd. Overigens stelt eiser terecht dat de stelling van verweerder dat op de uit 2009 verkregen informatie het vermoeden kon worden gebaseerd dat eiser nog steeds hetzelfde adres had als in 2009 moeilijk valt te rijmen met de stelling van verweerder dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. 2.1.4 Vaste rechtspraak is dat de onrechtmatigheid van de staandehouding de daarop¬volgende inbewaringstelling eerst onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank na het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn in deze belangen¬afweging aspecten van openbare orde niet meer kunnen worden betrokken, dient toch aan de belangen die zijn gemoeid met de inbewaringstelling doorslaggevend gewicht worden toegekend. Eiser heeft immers geen aantoonbare inspanningen verricht om zijn vertrek te bewerkstelligen dan wel te bespoedigen en daarnaast is er voor eiser een laissez passer afgegeven door de Ghanese autoriteiten die geldig is tot 23 april 2011. Weliswaar dient in die belangenafweging, zoals kan worden afgeleid uit de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2008 (LJN BG5078), tevens te worden betrokken dat eiser in een recent verleden meer dan zes maanden in bewaring heeft verbleven en dat eiser sinds de opheffing van die bewaring slechts zeven dagen op vrije voeten is geweest, doch die omstandigheden wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de belangen die zijn gemoeid met de inbewaringstelling. 2.2 Eiser is bij besluit van 26 oktober 2010 ongewenst verklaard. In het besluit is hij gewezen op zijn vertrekplicht en is hem aangezegd Nederland onmiddellijk – binnen 24 uur - te verlaten. Eiser heeft echter na uitreiking van het besluit geen gevolg kunnen geven aan zijn vertrekplicht, omdat hij toen in detentie verbleef. Anders dan eiser betoogt, betekent dat niet dat eiser na zijn invrijheidstelling, al dan niet door middel van een terugkeerbesluit, wederom had moeten worden gewezen op zijn vertrekplicht en hem opnieuw een vertrektermijn had moeten worden gegund. Op eiser bleef immers een vertrekplicht rusten, zodat hij na zijn invrijheidstelling Nederland onmiddellijk had moeten verlaten. 2.3.1 Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd omtrent de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, overweegt de rechtbank als volgt. 2.3.2 Verweerder stelt dat eiser de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderings¬procedure ontwijkt of belemmert, omdat hij: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.