RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Groningen Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer Voorzieningenrechter Zaaknummers: Awb 11/16072 (voorlopige voorziening) Awb 11/16071 (beroep) Uitspraak in de geschillen tussen: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1990, van Oegandese nationaliteit, V-nummer: [V-nummer] , verzoeker, gemachtigde: mr. M. Grimm, advocaat te Groningen, en DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te ’s-Gravenhage, verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. Raterink, ambtenaar ten departemente. 1. Ontstaan en loop van het geschil 1.1. Op 27 april 2011 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 10 mei 2011 afwijzend op de aanvraag beslist. 1.2. Op 10 mei 2011 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld. 1.3. Bij verzoekschrift van 10 mei 2011 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist. Op 20 mei 2011 heeft verzoeker de gronden van het beroep en het verzoek ingediend. 1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, onder gelijktijdige verzending daarvan aan verzoeker. 1.5. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 27 mei 2011. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten. 2. Rechtsoverwegingen 2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen. Feiten en standpunten van partijen 2.2. Verzoeker is afkomstig uit [geboorteplaats] in Oeganda. Hij heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag het volgende naar voren gebracht. Sinds 2003 voelt verzoeker zich aangetrokken tot jongens. In 2006 ging hij naar de middelbare school. In dat jaar kreeg hij een relatie met een jongen van zijn school, genaamd [A] . Op 4 december 2010 hadden verzoeker en zijn partner voor het eerst een afspraak buiten school, bij een hotel. Iemand van het hotel heeft hen zien zoenen en verzoeker vastgepakt en geslagen. [A] kon vluchten. Medewerkers van het hotel hebben daarna verzoeker’s vader ingelicht en deze heeft hem opgehaald. Vervolgens heeft zijn vader verzoeker geslagen en geschopt. Hij heeft hem gezegd dat hij hem niet meer als zijn zoon beschouwt en heeft hem naar een militaire gevangenis gebracht. Soldaten hebben verzoeker gevangen gezet en mishandeld. Medegevangenen mishandelden hem eveneens vanwege zijn seksuele geaardheid. Op 14 maart 2011 is verzoeker met hulp van een soldaat uit de gevangenis ontsnapt. Vervolgens is hij naar zijn moeder gegaan. Zij heeft hem uiteindelijk in contact gebracht met een reisagent, met wie verzoeker op 17 maart 2011 uit Oeganda is vertrokken. Op 24 maart 2011 kwam verzoeker in Nederland aan. 2.3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 Vw 2000 in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel. Verweerder heeft geoordeeld dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoeker, omdat hij toerekenbaar geen of onvoldoende reis- of identiteitsdocumenten dan wel andere bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag heeft overgelegd. Voorts heeft verweerder een aantal elementen uit het asielrelaas opgesomd, op basis waarvan is geoordeeld dat het relaas de vereiste positieve overtuigingskracht mist. Verweerder acht het relaas daarom ongeloofwaardig. Daartoe heeft verweerder onder meer overwogen dat verzoeker weliswaar gevolgd kan worden in zijn verklaring dat hij homoseksueel is, maar dat het niet geloofwaardig is dat hij gedurende vier jaren een relatie heeft gehad met [A] , terwijl hij slechts summiere informatie over hem heeft kunnen geven. Zo weet verzoeker niet hoe oud [A] is, waar hij precies woont, wie zijn ouders zijn, of hij broers of zussen heeft, of hij eerder relaties heeft gehad en of anderen op de hoogte waren van zijn homoseksuele geaardheid. Evenmin heeft verzoeker kunnen verklaren hoe vaak hij een afspraak met [A] had. Verweerder kan dit alles niet rijmen met de verklaring van verzoeker dat hij vier jaar een intensieve relatie met [A] had en dat zij vaak met elkaar spraken. Dat in Oeganda een groot taboe op homoseksualiteit rust, doet daar volgens verweerder niet aan af. Voorts heeft verweerder overwogen dat het bevreemdingwekkend is dat het lichamelijk contact tussen verzoeker en [A] niet veel verder ging dan zoenen, nu verzoeker heeft verklaard dat hun relatie in 2006 begon toen zij samen aan het douchen waren en zij hierbij verdergaand lichamelijk contact hadden. Nu verweerder de relatie met [A] niet geloofwaardig acht, volgt verweerder verzoeker evenmin in zijn verklaringen omtrent de afspraak bij het hotel, de reactie van zijn vader, de detentie en de ontsnapping. Daarbij heeft verweerder tevens overwogen dat verzoeker over de ontmoeting bij het hotel, de detentie en de ontsnapping uit de gevangenis vaag, summier en bevreemdingwekkend heeft verklaard. Voorts heeft verweerder overwogen dat verzoeker tegenstrijdig heeft verklaard over de periode op de basisschool vanaf 2003. Enerzijds heeft hij tijdens het nader gehoor verklaard vanaf die tijd problemen te hebben gehad met zijn vader en ouders van andere jongens, later heeft hij verklaard dat hij geen problemen met hen had en dat zij niet op de hoogte waren van het seksueel lastigvallen van schoolgenoten. Ten aanzien van verzoekers homoseksuele geaardheid heeft verweerder, onder verwijzing naar de ongeloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas, overwogen dat niet gebleken is dat verzoeker in Oeganda is gediscrimineerd of dat hij met dermate ernstige repressie te maken heeft gehad of dreigt te krijgen dat tot vluchtelingschap moet worden geconcludeerd. Evenmin ziet verweerder aanleiding te concluderen dat verzoeker bij terugkeer naar Oeganda te maken zal krijgen met een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het (Europees) Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu hij zich in Oeganda niet openlijk heeft uitgelaten over zijn homoseksuele geaardheid. 2.4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hem niet kan worden verweten dat hij niet beschikt over identiteit- en reisdocumenten. Hij heeft tijdens de reis geen beschikking gehad over documenten en was wat dat betreft volledig afhankelijk van de reisagent. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder zijn relaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hij stelt dat zijn relaas voldoende gedetailleerd is. Dat hij niet veel details over [A] heeft kunnen vertellen komt doordat hun contacten vaak ad hoc plaatsvonden. Verder speelde daarbij mee dat zij hun geaardheid geheim moesten houden omdat in Oeganda een enorm taboe op homoseksualiteit rust. Verder heeft verzoeker naar voren gebracht dat het hem bevreemdt dat verweerder heeft overwogen dat het bevreemdingwekkend is dat de lichamelijke contacten tussen verzoeker en zijn partner niet verder gingen dan zoenen. Verzoeker acht dit een onterechte inmenging in zijn privé leven. Hij heeft benadrukt dat er geen reden is om te twijfelen aan de aard van de relatie die hij met [A] had. Verder heeft verzoeker, onder verwijzing naar verweerders beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), paragraaf C2/2.10.2., betoogd dat zijn relaas moet leiden tot vluchtelingschap, nu homoseksualiteit in Oeganda bij wet is verboden en strafbaarstelling als een daad van vervolging kan worden gezien. Daarbij doet het er volgens verzoeker niet toe of hij in Oeganda tegenover derden heeft uitgesproken dat hij praktiserend homoseksueel is. Wel van belang is dat van personen met een homoseksuele voorkeur niet wordt verlangd dat zij deze voorkeur bij terugkeer verbergen. Ten slotte heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij, gelet op hetgeen hem is overkomen, in aanmerking zou moeten komen voor verweerders traumatabeleid. Beoordeling van het verzoek 2.5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van dit artikel, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. 2.6. Niet in geschil is dat verzoeker ter staving van zijn aanvraag geen reis- en identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. 2.7. Uit de in het besluit ingelaste voornemen van 4 mei 2011 blijkt dat verweerder verzoeker heeft tegengeworpen dat hij geen documenten dan wel ander, al dan niet indicatief, bewijs heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute te kunnen vaststellen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat van vreemdelingen, zoals verzoeker, die geen documenten inzake hun nationaliteit, identiteit of reisroute overleggen, wordt verwacht dat zij een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring kunnen afleggen omtrent hun reisroute en omtrent het ontbreken van de documenten. Verzoeker heeft naar eigen zeggen tijdens zijn reis alleen reisdocumenten gezien, maar niet in handen gehad. Daarnaast heeft verzoeker volgens verweerder vage verklaringen over zijn reis afgelegd, wat hem valt toe te rekenen. Van hem mocht worden verwacht dat hij kan verklaren over eenvoudige zaken als het nummer van de vlucht, het stoelnummer in het vliegtuig en de naam van het vliegveld waar vandaan hij is vertrokken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder met deze motivering zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker toerekenbaar geen of onvoldoende documenten of ander bewijs heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn reisroute en van zijn aanvraag en dat verzoeker evenmin consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over zijn reis heeft verstrekt. Dat verzoeker naar eigen zeggen afhankelijk was van de reisagent doet daar niet aan af. Dit betekent dat verweerder terecht het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft tegengeworpen. 2.8. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 27 januari 2003, zaaknummer 200206297/1, AB 2003, 286), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de asielzoeker in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die beoordeling slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen. 2.9. Indien aan een vreemdeling een van de omstandigheden als genoemd onder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 is tegengeworpen, zal volgens paragraaf C14/3 Vc 2000 van de verklaringen een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten alsnog geloofwaardig te achten. Zoals volgt uit de jurisprudentie van de AbRS (uitspraak van 11 december 2009, zaaknummer 200904257/1, JV 2010/62), kan, indien als gevolg van het toerekenbaar ontbreken van documenten van het relaas positieve overtuigingskracht moet uitgaan, reeds een enkel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.