RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE, zittinghoudend te MAASTRICHT Sector Bestuursrecht Enkelvoudige kamer Procedurenummer: AWB 11/2831 Uitspraak in het geding tussen [eiser], eiser, en de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder. Datum bestreden besluit: 29 december 2010 Kenmerk: [IND nummer] V-nummer: [V-nummer]
(15c), van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn), overweegt de rechtbank als volgt. Onder verwijzing naar het ambtsbericht inzake Irak van 27 oktober 2010 alsmede de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 17 februari 2009 inzake Elgafaji (JV 2009, 111), de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 17 juli 2008 inzake NA tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008, 329) en 20 januari 2009 inzake F.H. tegen Zweden (LJN BH3275), stelt verweerder zich op het standpunt dat in Bagdad, Irak, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 15c van de Definitierichtlijn. Ter zitting heeft verweerder tevens gewezen op de Afdelingsuitspraken van 4 februari 2011 (LJN BP4320) en 29 maart 2011 (LJN BQ0747). De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit de provincie Bagdad in Irak. Over artikel 15c van de Definitierichtlijn heeft het Hof in zijn uitspraak van 17 februari 2009 inzake Elgafaji overwogen dat voor een geslaagd beroep op artikel 15c van de Definitierichtlijn de geloofwaardigheid van het relaas omtrent de persoonlijke omstandigheden van de asielzoeker gestaafd moet kunnen worden. Dit is slechts anders indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van de zeer uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15c van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 mei 2009 inzake Elgafaji (LJN BI 4791) deze overwegingen van het Hof herhaald en daarbij overwogen dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het EHRM in het arrest NA tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 juli 2008 gegeven uitleg - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15c, van de Definitierichtlijn. Uit de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2010 (LJN BM5534) en 29 juli 2010 (201001747/1/V2, www.raadvanstate.nl), volgt dat een beroep op artikel 15c, van de Definitierichtlijn enkel tot verblijfsaanvaarding kan leiden in de zeer uitzonderlijke situatie waarin het geweld dermate hoog is dat persoonlijke feiten en omstandigheden bij de beoordeling geen rol meer spelen en derhalve elke burger die terugkeert naar zijn land van herkomst louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of zijn persoon. Nu in rechte is komen vast te staan dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is, kan zijn beroep op artikel 15c, van de Definitierichtlijn, gelet op het voorgaande, enkel tot verblijfsaanvaarding leiden indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van eerder bedoelde uitzonderlijke situatie waarin hij bij terugkeer naar het land of, naar het gebied van herkomst louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico zou lopen op de in artikel 15c van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. De rechtbank volgt verweerder in zijn verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 4 februari
- In deze uitspraak heeft de Afdeling onder meer - onder verwijzing naar het ambtsbericht van oktober 2010 - het navolgende overwogen. 2.6.
- (...) De veiligheidssituatie was in deze verslagperiode in bepaalde delen van Irak en op bepaalde momenten nog altijd zeer ernstig. Het geweldsniveau in Irak fluctueerde echter door de verslagperiode heen en varieerde sterk per gebied. Zo verslechterde de veiligheidssituatie in de weken na de verkiezingen van 7 maart 2010, maar was het geweldsniveau eind april weer ongeveer op het niveau van vóór 7 maart.” In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat in Bagdad (nog steeds) geen sprake is van de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Bagdad louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15c van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige schade. Anders dan eiser is de rechtbank derhalve van oordeel dat in de provincie Bagdad, ten tijde hier in geding, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 15c, van de Definitierichtlijn. In de door eiser aangehaalde stukken ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder thans opnieuw een categoriaal beschermingsbeleid dient te voeren, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor reeds overwogen komt verweerder een ruime beoordelingsmarge toe bij zijn uitsluitend door het nationale recht beheerste bevoegdheid tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot afschaffing van het categoriale beschermingsbeleid heeft kunnen komen respectievelijk niet in redelijkheid aan de afschaffing van dat beschermingsbeleid heeft kunnen vasthouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich zowel voor wat betreft de beoordeling ten tijde van de verleende vergunning, als voor wat betreft de beoordeling van de huidige situatie, op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op de gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, onder a, b dan wel d, van de Vw
- Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door E.V.L. Heuts, rechter, in tegenwoordigheid van D.S.A.W. Raes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli
- w.g. D. Raes w.g. Heuts Voor eensluidend afschrift, de griffier: verzonden: 11 juli 2011 Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, van de Awb of aan artikel 85, eerste of tweede lid, van de Vw
- Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 88 van de Vw 2000 juncto artikel 8:81 van de Awb de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.