RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht, afdeling 4, meervoudige kamer Procedurenummer: AWB 10/2859 IB/PVV Uitspraakdatum: 20 mei 2011 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X], wonende te [Z], eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder. I PROCESVERLOOP 1.1 Verweerder heeft aan eiseres een beschikking gegeven op de voet van artikel 6.8, derde lid, van de Wet IB 2001 (hierna: de Wet). 1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 maart 2010 de beschikking gehandhaafd. 1.3 Eiseres heeft daartegen bij brief van 19 april 2010, ontvangen bij de rechtbank op 21 april 2010, beroep ingesteld. Per brief van 9 november 2010, bij de rechtbank ontvangen op 10 november 2010, heeft eiseres de gronden van haar beroep aangevuld. 1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 1.5 Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Per brief van 16 december 2010 heeft verweerder de rechtbank de informatie verstrekt die eiseres, zonder tussenkomst van de rechtbank, van verweerder had gevraagd. Per brief van 11 januari 2011, bij de rechtbank ontvangen op 12 januari 2011, heeft eiseres gereageerd op het verweerschrift van verweerder. Per brief van 19 januari 2010, bij de rechtbank ontvangen op 20 januari 2011, heeft verweerder gereageerd op de door eiseres aangevoerde aanvullende gronden van haar beroep. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011 voor een enkelvoudige kamer. Eiseres is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is [A]. 1.7 Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. De zaak is daar behandeld. Met toestemming van partijen is een zitting voor de meervoudige kamer achterwege gebleven. II OVERWEGINGEN Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1 In 2002 hebben eiseres en wijlen haar echtgenoot aan hun dochter [B] (hierna: de dochter) een lening verstrekt van € 13.625 (hierna: de lening). Partijen hebben de lening is aangemerkt als een lening aan een beginnende ondernemer als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid, van de Wet. 2.2 De echtgenoot van eiseres is in 2006 overleden. Bij testament heeft hij zijn gehele nalatenschap vermaakt aan eiseres, die wegens overbedeling een bedrag van € 54.665 moest schuldig erkennen aan de dochter. Deze schuld is eerst opeisbaar bij overlijden van eiseres. 2.3 Per brief van 13 januari 2009, bij verweerder ontvangen op 16 januari 2009, heeft eiseres verweerder meegedeeld dat de dochter de lening niet kan terugbetalen en zij het bedrag haar dochter wil kwijtschelden. Zij vroeg verweerder om afgifte van een beschikking als bedoeld in artikel 6.8, derde lid, van de Wet, waarin zou worden verklaard dat de rechten van de geldgever niet meer voor verwezenlijking vatbaar zijn. 2.4 Eiseres heeft de lening op 10 oktober 2009 kwijtgescholden. 2.5 Bij de onderhavige beschikking heeft verweerder de door eiseres gevraagde verklaring geweigerd. In de beschikking heeft verweerder zijn beslissing als volgt gemotiveerd: "Aftrek kan aan de orde komen als sprake is van het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten. Indien u een bedrag kwijtscheldt, is dat niet zonder meer aftrekbaar; het moet ook gaan om "niet voor verwezenlijking vatbare rechten". Uit de rechtspraak blijkt dat dit een zware eis is. Door de ouderlijke boedelverdeling heeft u nu een nog niet opeisbare schuld aan uw dochter en een vordering op uw dochter. Uit de rechtspraak blijkt dat over en weer bestaande rechten en verplichtingen eerst tegen elkaar dienen te worden weggestreept. Dit betekent dat u uw vordering op uw dochter kunt verwezenlijken door die vordering in mindering te brengen op uw schuld aan uw dochter (schuldvergelijking). Dit brengt met zich mee dat de verstrekte lening in zijn geheel voor verwezenlijking vatbaar is." 2.6 Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerder de beschikking bij de bestreden uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Geschil 2.7 In geschil is of verweerder op goede gronden op het verzoek van eiseres afwijzend heeft beschikt. Meer specifiek is in geschil of de lening niet meer voor verwezenlijking vatbaar is in de zin van artikel 6.8, derde lid, van de Wet. 2.8 Eiseres stelt zich op het standpunt dat de lening niet voor verwezenlijking vatbaar is en heeft daartoe - kort weergegeven - aangevoerd dat 1) de regelingen inzake de beleggingen in durfkapitaal bijzondere regelingen zijn die voorgaan op andere regelingen; dat 2) zij een in rechte te beschermen vertrouwen ontleent aan de tekst van de door de Belastingdienst uitgegeven folder "Als u geld gaat lenen aan een startende ondernemer" (hierna; de folder); dat 3) het bij de beoordeling van het geschil betrekken van de schuld een aantasting van het testament en van haar erfdeel is; dat 4) daarmee een vermenging plaatsvindt van zakelijke belangen en privébelangen; dat 5) de schuld is gebaseerd op een opschortende voorwaarde die nog niet in werking is getreden waardoor compensatie niet mogelijk is en dat 6) de door verweerder voorgestane wetstoepassing in strijd is met redelijkheid en billijkheid. 2.9 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de lening wel voor verwezenlijking vatbaar is en heeft daarvoor - kort weergegeven - aangevoerd dat de lening moet worden verrekend met de schuld omdat 1) voor de vraag of de lening voor verwezenlijking vatbaar is, het gehele vermogen van de dochter in aanmerking moet worden genomen; 2) het niet opeisbaar zijn van de schuld niet afdoet aan de bevoegdheid van eiseres om die schuld toch af te lossen; 3) verrekening van de lening met de schuld niet leidt tot een maatschappelijk onaanvaardbaar gevolg. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de folder volledige en juiste informatie bevat, waarin het standpunt van eiseres niet is te lezen. 2.10 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de beschikking. 2.11 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil 2.12 Artikel 6:8, derde lid van de Wet luidt als volgt: "
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.