RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Afdeling 1, meervoudige kamer Reg.nr.: AWB 10/9111 WATER UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) In het geding tussen Stichting Berkheide Coepelduynen e.a., gevestigd te Katwijk, en de Stichting Duinbehoud, gevestigd te Leiden, eiseressen, en Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder. Derde partij: Dunea Duin en Water (handelsnaam van NV Duinwaterbedrijf Zuid-Holland), vergunninghoudster, gemachtigde [J], advocaat te Amsterdam. I PROCESVERLOOP Bij brief van 19 december 2008 heeft verweerder onder meer vergunninghoudster op de hoogte gesteld van het voornemen de ingevolge de Grondwaterwet verleende vergunningen te actualiseren. Het ontwerpbesluit van 20 oktober 2009 heeft van 26 oktober 2009 tot en met 7 december 2009 ter inzage gelegen. Bij brief van 25 november 2009, ingekomen bij verweerder op 27 november 2009, hebben eiseressen een zienswijze ingediend. Bij besluit van 2 februari 2010 heeft verweerder onder intrekking van de eerder verleende vergunningen vergunninghoudster met toepassing van artikel 23 van de Grondwaterwet vergunning verleend voor het onttrekken van grondwater op de locatie Berkheide en Berkheide/De Kom te Wassenaar van ten hoogste 32.100.000 m3 per jaar, waarvan ten hoogste 7.090.000 m3 per jaar op de locatie Berkheide door middel van diepinfiltratie en voorts vergunninghoudster vergunning verleend voor het infiltreren van (diep en ondiep) water, ter aanvulling op het te onttrekken grondwater. Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 16 maart 2010, ingekomen bij de Raad van State op 18 maart 2010, beroep ingesteld. Bij uitspraak van 1 december 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen en het beroepschrift ter behandeling doorgezonden aan deze rechtbank. De gronden zijn daarna aangevuld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Vergunninghoudster heeft bij brief van 4 maart 2011 een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven. Het beroep is op 24 mei 2011 ter zitting behandeld. Namens eiseressen zijn verschenen [A] en [B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C], [D] en [E]. Namens vergunninghoudster zijn verschenen [F], [G], [H] en [I], bijgestaan door gemachtigde [J]. II OVERWEGINGEN Gelet op hun doelstellingen kunnen eiseressen als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden aangemerkt. Op 22 december 2009 is de Grondwaterwet ingetrokken en is de Waterwet in werking getreden. Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010, LJN: BO5757 (MS 2010, 899), is op het bestreden besluit de Waterwet van toepassing. Vastgesteld wordt dat het bestreden besluit is gebaseerd op de Grondwaterwet en niet op de Waterwet. Het bestreden besluit berust derhalve op een onjuiste wettelijke grondslag. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. In artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat de toepassing van deze wet is gericht op: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Ingevolge artikel 6.22, eerste lid, van de Waterwet kan het bevoegd gezag een vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen wijzigen of aanvullen. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat de vergunning onder de werking van de Waterwet zou zijn verleend met dezelfde voorschriften. Eiseressen betogen dat de vergunning een uitbreiding van de oppervlaktewinning en -infiltratie mogelijk maakt. Dit zal leiden tot nadelige gevolgen voor de natuur en is strijdig met het gevoerde beleid waarin juist gekozen is voor de nadruk op diepwinning. Zij achten de stelling van verweerder dat de samenvoeging van de vergunde hoeveelheden van de freatische vergunning en de diepinfiltratievergunning naar verwachting geen nadelige gevolgen zal hebben voor de omgeving onvoldoende onderbouwd en voeren aan dat er een toets op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en de opstelling van een plan Milieu-effect-rapportage had moeten plaatsvinden Daarnaast hebben eiseressen aangevoerd dat de noodzaak van de uitbreiding van de capaciteit van de oppervlaktewinning ontbreekt. Eiseressen vrezen dat door de uitbreiding van de oppervlakte-infiltratie voedingsstoffen worden ingebracht in de bodem, waardoor het beschermde gebied zal worden aangetast. Verweerder stelt dat uit de aan de vergunning verbonden voorschriften voortvloeit dat alle onttrekkingen dienen plaats te vinden met bestaande winputten en bestaande pompcapaciteiten. Omdat er geen sprake is van uitbreiding, zijn er geen effecten op de natuur en is een toets op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 niet nodig. Er is nu met regelmaat sprake van een teveel aan oppervlaktewater, dat niet kan worden aangewend voor de productie van drinkwater, maar opnieuw in het systeem wordt gepompt. Door de nieuwe vergunning kan dit worden aangewend, hetgeen het milieu ten goede komt. De verschuiving van diepwinning en -infiltratie naar oppervlaktewinning is niet in strijd met het eigen dan wel het provinciaal grondwaterbeleid, mits hieraan voorschriften worden verbonden ter bescherming van de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen. De inzet van freatische winningen heeft de voorkeur boven het gebruik van diepe winningen vanwege het mindere verbruik van energie en hulpstoffen en daardoor lagere kosten, alsmede de omstandigheid dat diepwinningen en diepinfiltratie een risico voor het optrekken van brakwater met zich brengen. Aangezien geen vernietiging van hoge ecologische waarden plaatsvindt en monitoringsvoorschriften zijn opgenomen ter controle van de in de praktijk optredende effecten is verweerder van mening dat hij na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid het bestreden besluit heeft kunnen nemen. Verweerder heeft de vergunning getoetst aan zijn beleid en is tot de conclusie gekomen dat deze past binnen het provinciale grondwaterbeleid. Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben in augustus 2006 het Beleidsplan Groen-, Water en Milieu vastgesteld dat tevens fungeert als provinciaal waterhuishoudingsplan. Aanvullend is op 31 januari 2007 door Provinciale Staten van Zuid-Holland het Grond-waterplan 2007-2013 vastgesteld, dat per 14 mei 2007 in werking is getreden, waarin het beleid met betrekking tot het grondwaterbeheer is geformuleerd. Provinciale Staten hebben in hun vergadering van 11 november 2010 besloten het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 in werking te doen treden op 22 december 2009, met een geldigheidsduur tot en met 21 december 2015 en het Grondwaterplan Zuid-Holland 2007-2013 en het deel Water in het Beleidsplan Groen, Water en Milieu 2006-2010 met ingang van 22 december 2009 in te trekken. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was derhalve het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 van toepassing. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat het in het Grondwaterplan 2007-2013 neergelegde beleid is overgenomen in het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.