RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Reg.nr.: AWB 10/8597 en 11/1288 Uitspraak van de meervoudige kamer van 28 september 2011 in de zaak tussen [A], wonende te [plaats], eiser, (gemachtigde mr. M.H.P. Claassen, advocaat te Rotterdam), en het College van Burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, verweerder. (gemachtigde: mr. P.C. Kaiser) Procesverloop 10/8597 Op 25 juni 2010 heeft verweerder eiser mondeling aangezegd dat op die dag is overgegaan tot spoedbestuursdwang vanwege het zonder vergunning slopen van een asbesthoudende schuur op het perceel van eiser. In dit kader heeft verweerder diverse maatregelen genomen en werkzaamheden laten uitvoeren. Bij besluit van 7 juli 2010 heeft verweerder aan eiser deze spoedbestuursdwang op schrift gesteld en eiser een last onder bestuursdwang opgelegd (het primaire besluit). Bij besluit van 26 oktober 2010 (hierna: besluit I), heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie van verweerder, het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 december 2010, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld. 11/1288 Bij brief van 5 oktober 2010 is aan de erven van [B] het voornemen bekendgemaakt om tot vaststelling en invordering van de kosten over te gaan die in verband met de uitgevoerde spoedbestuursdwang zijn gemaakt. Hiertegen zijn bij brief van 14 oktober 2010 namens de erven zienswijzen ingediend. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 26 oktober 2010 (hierna: besluit II) aan de erven opgedragen een bedrag, dat voorlopig is vastgesteld op € 330.122,50, aan kosten ten gevolge van de bestuursdwang aan verweerder te betalen. Dit bedrag is bij brief van 8 december 2010 bijgesteld naar € 330.136,27. Hiertegen is namens de erven bezwaar gemaakt. Ingevolge het bepaalde in artikel 5:31c, jo. artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder dit bezwaar ter aansluiting bij het beroep van eiser doorgezonden aan de rechtbank. Het beroep van eiser heeft mede betrekking op besluit II. 10/8597 en 11/1288 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiser heeft bij brief van 21 maart 2011 zijn beroepschrift nader aangevuld. Bij besluit van 6 juni 2011 heeft verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, besluit II gewijzigd in die zin dat het daarbij in rekening gebrachte bedrag is verlaagd van € 330.136,27 (inclusief BTW) naar € 327.522,03 (exclusief kosten en rente). Het beroep wordt gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht. Het beroep is op 23 augustus 2011 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.C. Kaiser, J.W.C. van Willigenburg en H. Nossent. Overwegingen 1. Alvorens de zaak inhoudelijk te beoordelen, stelt de rechtbank het volgende vast. Ingevolge het bepaalde in artikel 5:31c van de Awb heeft het beroep tegen de last onder bestuursdwang mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Tegen het besluit tot vaststelling en invordering van de kosten van bestuursdwang is namens de erven van wijlen [B] bezwaar gemaakt. Uit de door eiser overgelegde akte van erfrecht blijkt dat eiser de enige erfgenaam is van [B]. Gelet hierop is aan de voorwaarde van artikel 5:31c van de Awb voldaan en heeft het beroep van eiser tegen besluit I mede betrekking op besluit II. Hieronder volgt de inhoudelijke beoordeling van de zaak. 2. In de week van 21 juni 2010 is [C] Grondverzet, in opdracht van eiser, zonder sloopvergunning overgegaan tot de sloop van een schuur, bekend als gebouw 6, en het verwijderen van sloopafval, waaronder asbesthoudend materiaal, op eisers perceel [perceel]. Op 25 juni 2010 heeft een toezichthouder van verweerder de sloop en het verwijderen van afval geconstateerd. Na deze constatering heeft verweerder met spoed diverse bestuursdwangwerkzaamheden doen uitvoeren, waaronder het ontruimen en afsluiten van het perceel van eiser. Eiser is hiervan diezelfde dag mondeling op de hoogte gesteld. 3. Bij het primaire besluit van 7 juli 2010 heeft verweerder de toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld. In dit besluit heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat onmiddellijke bestuursdwang noodzakelijk was gezien de ernstige nadelige effecten voor mens en milieu die optraden of acuut dreigden op te treden door de asbestvezels, die als gevolg van het in afwijking van de regelgeving slopen van de schuur en verwijderen van sloopafval, zijn vrijgekomen. 4. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit I van 26 oktober 2010 ongegrond is verklaard. 5. Bij brief van 5 oktober 2010 is aan de erven van [B] (hierna: eiser) het voornemen bekendgemaakt om tot vaststelling en invordering van de kosten over te gaan die in verband met de uitgevoerde spoedbestuursdwang zijn gemaakt. 6. Hiertegen heeft eiser bij brief van 14 oktober 2010 zienswijzen ingediend. Vervolgens heeft verweerder bij besluit II van 26 oktober 2010 aan eiser meegedeeld dat het bedrag aan kosten ten gevolge van de bestuursdwang voorlopig is vastgesteld op € 330.122,50, waarbij eiser is opgedragen om dit bedrag te betalen. Dit bedrag is bij brief van 8 december 2010 en vervolgens bij brief van 6 juni 2011 gewijzigd naar het uiteindelijke bedrag van € 327.522,03, exclusief kosten en rente. 7. Eiser heeft in beroep gemotiveerd aangegeven waarom hij zich met bovengenoemde twee besluiten van 26 oktober 2010 niet kan verenigen. Op zijn beroepsgronden wordt - voor zover van belang - in het navolgende ingegaan. 8. De rechtbank overweegt als volgt. Zaak 10/8597 9.1 Eiser stelt zich op het standpunt dat de grondslag voor de spoedeisende bestuursdwang onduidelijk is. Volgens eiser worden in het primaire besluit van 7 juli 2010 diverse bepalingen uit verschillende wetten, besluiten en verordeningen genoemd, maar blijkt hieruit niet hoe de feitelijke situatie en de geconstateerde overtredingen zich verhouden tot deze bepalingen. 9.2 Weliswaar worden in besluit I diverse wettelijke bepalingen opgesomd, maar nu niet is gebleken dat eiser door die opsomming in een nadeligere positie is komen te verkeren, dan wel dat eiser hierdoor anderszins in zijn belangen is geschaad, ziet de rechtbank hierin geen reden het betreffende besluit gebrekkig te achten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat de Bouwverordening en de artikelen 1a en 100d van de Woningwet aan het besluit ten grondslag liggen. 10.1 Eiser betoogt voorts dat hij erop mocht vertrouwen dat geen sloopvergunning was vereist en stelt hiertoe het volgende. In de overeenkomst die in 2003 is gesloten tussen wijlen [B], [D] en hemzelf enerzijds, en de gemeente Delft anderzijds, heeft [B] aan de gemeente Delft de feitelijke en juridische mogelijkheid verleend voor de sloop van minimaal drie loodsen, waarvan de gemeente er in 2003 twee gesloopt heeft. De thans gesloopte schuur is (waarschijnlijk) de derde loods als bedoeld in de betreffende overeenkomst. Nu aan de gemeente Delft voor de sloop van de twee andere loodsen geen sloopvergunning was verleend, mocht eiser erop vertrouwen dat voor de sloop van deze betreffende schuur evenmin een sloopvergunning was vereist, althans, is het handhaven jegens hem in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voorts stelt eiser dat er in 2007 aan [B] een uitdrukkelijke last onder dwangsom was opgelegd om de schuur te slopen, zodat ook op grond daarvan geen vergunning is vereist. Dat deze last in oktober 2010 is ingetrokken maakt het voorgaande niet anders, aldus eiser. Verder voert eiser aan dat hem door een medewerker van verweerder, [E], bij navraag telefonisch is meegedeeld dat geen sloopvergunning was vereist, zodat hij daarop mocht vertrouwen. Tot slot is eiser van mening dat uit het memo van 1 juni 2010 blijkt dat verweerder op de hoogte was van het voornemen de schuur te slopen. Gelet hierop was volgens eiser evenmin een sloopvergunning vereist. 10.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst uit 2003 privaatrechtelijk is en daarom buiten beschouwing dient te blijven. Subsidiair betoogt verweerder dat in de betreffende overeenkomst is neergelegd dat handhavend zal worden opgetreden indien de afspraken daaruit niet worden nagekomen. Volgens verweerder heeft de gemeente Delft mogelijk onbevoegd de overeenkomst gesloten, nu op het gebied van handhaving burgemeester en wethouders bevoegd zijn. Verweerder betwist tevens dat de gemeente Midden-Delfland rechtsopvolger van de gemeente Delft is in deze overeenkomst. Voorts is verweerder van oordeel dat de gemeente en haar eventuele rechtsopvolger niet (langer) gebonden was aan de overeenkomst omdat in ieder geval artikel 9 reeds door [B] was overtreden. Ook was de overeenkomst gesloten in strijd met de twee-wegen-leer, aldus verweerder. 10.3 Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat in de betreffende overeenkomst uit 2003, wat hier privaat- dan wel publiekrechtelijk ook van zij, geen concrete toezegging is opgenomen dat geen sloopvergunning is vereist. De rechtbank wijst hierbij met name op artikel 8 van de overeenkomst, waarin is bepaald dat [B] sloopvergunningen dient aan te vragen. Ook in de dwangsombeschikking uit 2007, waarin [B] overigens niet is gelast het gebouw te slopen maar te herstellen, is een dergelijke toezegging niet vermeld. Met betrekking tot eisers beroep op de gestelde mededeling door [E] geldt het volgende. Volgens vaste jurisprudentie is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, onvoorwaardelijke toezegging, gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren aanspraken kunnen worden ontleend. Nu verweerder ontkent dat een dergelijke mededeling is gedaan, en eiser zijn stelling niet (met stukken) onderbouwt, is eiser niet erin geslaagd om aannemelijk te maken dat van een dergelijke concrete toezegging sprake is. Tot slot kan ook eisers beroep op de inhoud van verweerders memo van 1 juni 2010 niet tot een ander oordeel leiden. Zo uit dit memo al moet worden afgeleid dat verweerder bekend was met eisers voornemen om de schuur te slopen, volgt hieruit niet dat geen sloopvergunning was vereist. 10.4 Gelet hierop staat vast dat een sloopvergunning was vereist en dat eiser zonder deze vergunning is overgegaan tot het slopen van de schuur. In zoverre was verweerder bevoegd tot handhaving over te gaan. 11. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank hier niet gebleken. 12.1 De vraag ligt vervolgens voor of verweerder ook bevoegd was om terstond op te treden en dus spoedbestuursdwang toe te passen. Eiser is van mening dat die bevoegdheid ontbrak, nu het asbest op grond van de onder 10.1 genoemde overeenkomst uit 2003 door verweerder dient te worden verwijderd, omdat deze verplicht is om al "het zwerfafval, bouwafval, machines (sloop)auto's, hout, tegels etc." te verwijderen van het perceel. Voorts voert eiser aan dat blijkens een rapport van Search Ingenieursbureau B.V. (hierna: Search) van 14 oktober 2010, op het onderzochte terrein buiten de "hot spot" geen asbest is aangetroffen dat dwingt tot maatregelen. Alleen direct naast de hot spot is asbest aangetroffen dat binnen hooguit een dag was te verwijderen, aldus eiser. 12.2 Volgens verweerder is de bevoegdheid tot toepassing van spoedbestuursdwang daarin gelegen dat er sprake was van ernstige nadelige effecten voor mens en milieu die optraden of acuut dreigden op te treden door de vrijgekomen asbestvezels als gevolg van het in afwijking van de regelgeving slopen van de schuur. Bij een eerste inventarisatie op 25 juni 2010 werd 30-60% m/m Amosiet aangetroffen (niet-hechtgebonden), maar ook Chrysotiel en Crocidoliet. Uit het rapport van Solidé Projectadvies B.V. (hierna: Solidé) blijkt volgens verweerder dat op het gehele terrein asbesthoudende materialen aanwezig waren, zowel in nagelvaste vorm als gefragmenteerd verspreid. De situatie op het terrein en in de opstallen leidde tot onaanvaardbare humane en ecologische risico's, aldus het rapport van Solidé. Ter zitting heeft asbestdeskundige [F] namens verweerder hierover verklaard dat asbestvezels van niet-hechtgebonden asbest, hetgeen na de sloop op eisers perceel was aangetroffen, vrij kunnen komen bij normaal gebruik van het perceel, bijvoorbeeld indien er overheen wordt gelopen. Om verspreiding van het niet-hechtgebonden asbest en daarmee gezondheidsrisico's te voorkomen, heeft verweerder direct eisers perceel afgesloten. 12.3 Allereerst geldt dat in de door eiser genoemde overeenkomst uit 2003 niet is opgenomen dat verweerder het asbest van eisers perceel zou verwijderen. Dit betoog van eiser faalt dus. Daargelaten dat de conclusies die eiser uit het Search-rapport trekt naar het oordeel van de rechtbank niet uit dit betreffende rapport volgen, kan ook deze beroepsgrond niet slagen. Search heeft eerst in oktober 2010 onderzoek verricht, dus geruime tijd nadat Solidé het terrein had onderzocht en nadat de spoedmaatregelen, waarbij asbestresten door middel van handpicking waren verwijderd en het puin afkomstig van de sloop was veiliggesteld, waren uitgevoerd. Nu voorts de verzegelingen van het terrein waren verbroken en onbevoegden op het terrein waren geweest, kan er niet van uitgegaan worden dat de in oktober 2010 door Search onderzochte situatie dezelfde was als die door Solidé in juni 2010 was aangetroffen. Gelet hierop vormen de resultaten van het onderzoek door Search geen reden om aan het rapport van Solidé te twijfelen. Voorts is van belang dat op het terrein 11 mensen woonden en zich een groot aantal paarden bevonden. Tenslotte is van belang dat, zoals is opgenomen in het proces-verbaal van 25 juni 2010 van de inspecteur van de arbeidsinspectie, de sloper van eiser de container met het sloopafval met asbest, nadat dit was geweigerd bij de inzamelaar SITA, teruggebracht heeft naar het terrein, het met behulp van een graafmachine heeft geleegd op het terrein en het sloopafval met de graafmachine heeft aangestampt en uitgewaaierd op het terrein. Mede in aanmerking nemende de uitleg die [F] ter zitting over de risico's van de verspreiding van asbest heeft gegeven, welke uitleg niet door eiser (onderbouwd) is betwist, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onder deze omstandigheden eisers perceel met spoed heeft mogen afsluiten vanwege het ontstane gevaar voor de gezondheid en de veiligheid. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het onmiddellijk beëindigen en beperken van deze voor de volksgezondheid zeer gevaarlijke situatie, de spoedbestuursdwang rechtvaardigt. 13.1 Voorts betoogt eiser dat op grond van de last niet duidelijk is welke maatregelen precies van hem worden verlangd. Uit het primaire besluit van 7 juli 2010 blijkt niet wat de grondslag is voor de asbestvrij- dan wel asbestveiligverklaring en op basis van welke criteria wordt beoordeeld of het terrein voor een dergelijke verklaring in aanmerking komt. Ook blijkt hieruit niet wat het bevoegde gezag is tot wie eiser zich kan wenden voor een dergelijke verklaring. Het lijkt erop dat eiser het terrein moet saneren, maar dat wordt niet opgedragen. De last is niet gericht op herstel en ongedaanmaking van een overtreding, hetgeen in strijd is met het karakter van bestuursdwang, nu dit een herstelsanctie betreft. Voorts is de last niet uitvoerbaar nu eiser geen financiële middelen heeft voor het saneren van het terrein, aldus eiser. 13.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat daar waar gesproken wordt over een asbestvrijverklaring, een asbestveiligverklaring gelezen dient te worden, nu het niet mogelijk is om te verklaren dat een opstal volledig vrij van asbest is. Volgens verweerder is eiser niet gelast het terrein te saneren, nu daartoe geen noodzaak bestaat zolang het perceel of de opstallen niet in gebruik worden genomen. Verweerder geeft voorts aan dat een gebouw asbestveilig is indien sprake is van een verwaarloosbaar risico onder de 1000 vezelequivalenten/m³, zoals is opgenomen in de Regeling Bouwbesluit 2003. Verweerder acht eiser bekend met de asbestterminologie en het begrip asbestveilig(verklaring) nu hij zich door twee asbestdeskundigen laat bijstaan, namelijk Quartel Asbestverwijdering B.V. (hierna: Quartel) en Search. De asbestveiligverklaring wordt verstrekt door een hiertoe geaccrediteerd onafhankelijk laboratorium, aldus verweerder. 13.3 Het betoog van eiser faalt. In het besluit is eiser gelast (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.