RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector familie- en jeugdrecht Meervoudige kamer Rekestnummer: FA RK 10-9062 Zaaknummer: 380123 Datum beschikking: 20 september 2011 Gezag en omgang Beschikking op het op 11 november 2010 ingekomen verzoek van: [de man], de man, wonende te [woonplaats A], advocaat: mr. J.M. Ytsma te 's-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw], de vrouw, wonende te [woonplaats A], advocaat: mr. S.E. Dirksen te Naaldwijk, gemeente Westland. Procedure Bij beschikking van deze rechtbank van 8 juni 2011 is de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 november 2009 op nihil bepaald en is de zaak voor zover het de verzoeken inzake het gezag en de contactregeling betreft, verwezen naar de meervoudige kamer. Iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de contactregeling is aangehouden. Op 19 juli 2011 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man met mr. A. Bozbey, advocaat te 's-Gravenhage en plaatsvervanger van mr. J.M. Ytsma, en de vrouw met haar advocaat. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. Beoordeling De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist. Gezag Ingevolge artikel 1:269, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), voor zover hier van belang, kan de rechtbank, indien zij dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk oordeelt, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontzetten, op grond van: a. misbruik van gezag, of grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van een of meer kinderen; b. slecht levensgedrag; c. onherroepelijke veroordeling: (...) 2° wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII-XV en XVIII-XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht. De vrouw heeft zelfstandig verzocht om de man te ontzetten van het ouderlijk gezag over de minderjarigen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat aan de zijde van de man sprake is van grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, slecht levensgedrag en een onherroepelijke veroordeling op grond van de artikelen 240b en 247 van het Wetboek van Strafrecht. De man heeft zich tegen dit verzoek verweerd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat hij de minderjarigen nooit heeft verwaarloosd, dat hem geen slecht levensgedrag kan worden verweten en dat zijn veroordeling op grond van de artikelen 240b en 247 van het Wetboek van Strafrecht geen betrekking heeft op de minderjarigen. Derhalve is volgens hem niet voldaan aan een van de gronden van artikel 1:269, eerste lid, BW. De meervoudige strafkamer van deze rechtbank heeft op 14 september 2010 bewezen verklaard dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan: - een afbeelding en een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd; en - met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd; en is de man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd van vijf jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarde dat hij gedurende de proeftijd onder reclasseringsbegeleiding blijft zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt begeleiding door en/of (ambulante) behandeling bij De Waag en het zich bij GGZ Reclassering Palier te blijven melden zo frequent als zij dit gedurende deze periode nodig acht. De rechtbank overweegt dat, hoewel niet in geschil is dat de minderjarigen niet zijn betrokken bij de kinderpornografie van de man en de man de ontuchtige handelingen waarvoor hij is veroordeeld niet heeft gepleegd met de minderjarigen, deze gedragingen wel inzicht kunnen geven in de opvoedingsvaardigheden van die ouder in het algemeen. Dit geldt te meer nu de ontuchtige handelingen zijn gepleegd met, onder meer, een jongen die was toevertrouwd aan de zorg van de man en een vriendje van de minderjarigen was. Daarmee heeft het gebeurde wel degelijk invloed op het veiligheidsgevoel van de minderjarigen. Daarnaast vonden deze handelingen plaats in de woning van de man op momenten dat ook de minderjarigen aanwezig waren in die woning. Gelet op het voorgaande heeft de man zich naar het oordeel van de rechtbank gediskwalificeerd als gezaghebbende ouder en is sprake van slecht levensgedrag als bedoeld in artikel 1:269, eerste lid, aanhef en onder b, BW. Gelet hierop acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat de man wordt ontzet van het gezag over de minderjarigen. De rechtbank zal aldus beslissen. Omgang De vrouw heeft zelfstandig verzocht om de bij beschikking van deze rechtbank van 5 april 2006 vastgestelde omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen voor onbepaalde tijd te beëindigen. De man heeft zich tegen dit verzoek verweerd. Hij heeft verzocht om vaststelling van een omgangsregeling waarbij hij de minderjarigen één dag per twee weken ziet, eventueel onder toezicht van bijvoorbeeld het omgangshuis. Ook is de man bereid om mee te werken aan een eventueel te gelasten onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Ter terechtzitting is gebleken dat er momenteel geen omgang is tussen de man en de minderjarigen. De vrouw heeft gesteld dat zij er bezwaar tegen heeft als er omgang plaatsvindt tussen de man en de minderjarigen, ook als dit onder toezicht gebeurt. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de minderjarigen geen contact willen met de man. Daarnaast vreest de vrouw dat, zodra het toezicht op de omgang wordt verminderd en op den duur wordt losgelaten, de minderjarigen niet veilig zijn bij de man. De rechtbank acht zich gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende geïnformeerd om te beslissen op het verzoek inzake de omgang. In dit verband merkt de rechtbank op dat de behandeling van de man bij De Waag nog niet goed van de grond is gekomen, zodat er nog weinig kan worden gezegd over het effect van de behandeling in relatie tot het recidivegevaar, alsmede over de duur van de behandeling. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming geïndiceerd is. Het onderzoek dient in te gaan op de vraag of
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.