RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Afdeling 4, meervoudige kamer Procedurenummers: AWB 10/273, AWB 10/274, AWB 10/275, AWB 10/5016 t/m AWB 10/5020, AWB 10/5021 t/m AWB 10/5024 en AWB 10/5025 t/m AWB 10/5027 Uitspraakdatum: 27 september 2011 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X], wonende te [Y], eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder. I PROCESVERLOOP AWB 10/273 tot en met AWB 10/275 1.
(2004), alsmede dienovereenkomstige vermindering van de in die navorderingsaanslagen begrepen vergrijpboetes en heffingsrenten, en tot ongegrondverklaring van de overige beroepen. 3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. IV OVERWEGINGEN De op de zaken betrekking hebbende stukken 4.1. Verweerder heeft niet volledig voldaan aan de tussenuitspraak van de enkelvoudige geheimhoudingskamer van 27 mei 2011. Verweerder heeft in afwijking van de tussenuitspraak niet de in het draaiboek Bank Zonder Naam opgenomen namen van individuele belastingambtenaren verstrekt. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. De rechtbank ziet er in dit geval van af om aan de weigering van verweerder om de betreffende namen in te brengen gevolgen te verbinden. Gelet op de gegevens waarover de rechtbank thans beschikt, heeft de rechtbank de betreffende namen voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet nodig. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat eiser door de weigering van verweerder om de betreffende namen te verstrekken in zijn procesbelangen is geschaad. 4.2. Verweerder heeft voorts in afwijking van de tussenuitspraak, anders dan hij kennelijk in zijn brief van 23 juni 2011 heeft bedoeld te stellen, niet het geanonimiseerde memo inzake zogeheten meewerkers in eerdere rekeningprojecten - bijlage E in de tussenuitspraak - ingebracht. Verweerder heeft daartoe gesteld dat dit memo geen op de zaak betrekking hebbend stuk is. Ter vervanging van dit memo heeft verweerder bijlage 17 van het verweerschrift van 24 november 2010 (hierna: bijlage 17) ingebracht. Daarbij heeft verweerder onder meer in zijn brief van 25 januari 2011 aangegeven dat de in het memo vervatte informatie in bijlage 17 is opgenomen. Bijlage 17 behoort tot de gedingstukken. Gelet op de inhoud van bijlage 17 en hetgeen verweerder daaromtrent overigens heeft gesteld, ziet de rechtbank er van af om aan de weigering van verweerder om het memo in te brengen gevolgen te verbinden. 4.3. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, met de bij het verweerschrift van 24 november 2010 gevoegde bijlagen alle relevante stukken voor de cijfermatige onderbouwing van de redelijke schatting ingebracht. Hetzelfde heeft te gelden voor de gegevens met betrekking tot de identificatie, met uitzondering van het memo identificatieproces. Voor laatstgenoemde memo, als ook voor de gegevens van de (absolute) aantallen meewerkers, weigeraars en ontkenners, verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 27 mei 2011 op dit punt (bijlage H en J). Nu de rechtbank reeds omtrent vorengenoemde gegevens (bijlage H en J) in de tussenuitspraak heeft beslist en voorts tegen een dergelijke tussenuitspraak niet eerder kan worden opgekomen dan in hoger beroep tegen de einduitspraak, gaat de rechtbank aan hetgeen eiser op dit punt heeft aangevoerd voorbij. 4.4. De rechtbank gaat ook voorbij aan eisers stelling ter zitting dat verweerder alle saldi-gegevens van de meewerkers dient in te brengen. De rechtbank overweegt hierbij dat zij deze gegevens niet nodig heeft voor de beoordeling van het geschil. 4.5. Ten aanzien van het ter zitting gedane verzoek van eiser om alle aangiftebiljetten in te brengen, overweegt de rechtbank nog dat eiser hierbij geen belang heeft, aangezien de aangiftegegevens middels de door verweerder ingebrachte schermprints bekend zijn. Toepassing van de verlengde navorderingstermijn 4.6. De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1995 tot en met 2001 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1996 tot en met 2000 zijn, naar tussen partijen kennelijk niet in geschil is, opgelegd met gebruikmaking van de twaalfjaarstermijn als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Awr (hierna: de verlengde navorderingstermijn). De overige navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2004 zijn binnen de reguliere vijfjaarstermijn opgelegd. 4.7. Eiser heeft gesteld dat de navorderingsaanslagen niet met de vereiste voortvarendheid zijn opgelegd, zodat deze aanslagen dienen te worden vernietigd. 4.8. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43 050bis en 43 670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, BNB 2010/199 en 200, regels geformuleerd die in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met: (
- i)het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (
- ii)het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan. Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden. 4.9. De navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1995 en de navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 1996 zijn opgelegd met dagtekening 31 december 2007. Tussen het moment waarop de FIOD-ECD Team Internationaal de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens heeft ontvangen en het moment waarop eiser door verweerder is geïdentificeerd is een periode van twee jaar en drie maanden verstreken. Vaststaat dat in die periode voor de verwerking van die gegevens het project Bank Zonder Naam is opgestart en dat in die periode ook de identificatie van mogelijke belastingplichtigen heeft plaatsgevonden. Om dit zorgvuldig en betrouwbaar te kunnen doen, alsmede om in deze periode een berekeningswijze voor de tegoeden op andere momenten te kunnen bepalen, heeft de Belastingdienst kennelijk voor een projectmatige aanpak gekozen. De met dit project gemoeide tijd van ruim 2 jaar voordat verweerder tot identificatie van eiser is gekomen, acht de rechtbank gezien de complexiteit niet onredelijk lang. Eiser is vervolgens een half jaar na voormelde identificatie voor het eerst door verweerder aangeschreven. Tussen het moment waarop eiser voor het eerst is aangeschreven - 1 november 2007 - en de dagtekening van voormelde navorderingsaanslagen - 31 december 2007 - is een periode van twee maanden verstreken. Verweerder heeft eiser in die periode meermaals verzocht informatie over zijn in het buitenland aangehouden bankrekeningen te verstrekken, aan welk verzoek eiser geen gehoor heeft gegeven. Met het totale tijdsverloop is in totaal een periode van twee jaar en tien maanden gemoeid geweest. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat met het voorbereiden en vaststellen van voornoemde navorderingsaanslagen, geen langere termijn is gemoeid dan op grond van het evenredigheidsbeginsel kan worden aanvaard. 4.10. De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1996 tot en met 2001 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1997 tot en met 2000 zijn met dagtekening 24 december 2008 dan wel 30 december 2008 opgelegd, derhalve één jaar later dan de hiervoor in 4.9. genoemde navorderingsaanslagen. Ook ten aanzien van elk van deze navorderingsaanslagen moet worden beoordeeld of het tijdsverloop tussen het tijdstip waarop verweerder aanwijzingen van het bestaan van de bankrekening heeft verkregen en het tijdstip waarop hij de navorderingsaanslag heeft opgelegd, kan worden aanvaard. Verweerder heeft als reden voor het later opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen aangevoerd dat de hiervoor in 4.9 genoemde navorderingsaanslagen eind december vlak voor het verstrijken van de (verlengde) navorderingstermijn ter behoud van rechten zijn opgelegd en dat uit zorgvuldigheidsoverwegingen met het opleggen van de overige navorderingsaanslagen is gewacht ten einde het standpunt van eiser in de bezwaarfase mee te kunnen nemen bij de aanslagregeling over de daarop volgende jaren. Daarbij heeft verweerder rekening gehouden met de mogelijkheid dat eiser in de bezwaarfase alsnog met nadere informatie dan wel bewijsstukken zou komen, als ook de aankondiging van de Hoge Raad in januari 2008 om in de zaken X en Passenheim-van der Schoot prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te zullen stellen. 4.11. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat de in 4.9. genoemde navorderingsaanslagen ter behoud van rechten zijn opgelegd en dat verweerder, naast het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel, bij het opleggen van navorderingsaanslagen tevens de benodigde zorgvuldigheid dient te betrachten, waarbij hij zoveel als mogelijk dient aan te sluiten bij de daadwerkelijk verschuldigde belasting. Daarnaast acht de rechtbank het voor de beoordeling nog van belang dat eiser een zogenoemde ontkenner is en dat hij pas voor het eerst in zijn brief van 21 april 2008 betreffende de motivering van zijn bezwaar tegen de hiervoor in 4.9. genoemde navorderingsaanslagen heeft ontkend een buitenlandse bankrekening te hebben (gehad). De rechtbank acht het in het kader van de te betrachten zorgvuldigheid dan ook niet onredelijk dat verweerder er in het onderhavige geval voor heeft gekozen om de uitkomsten van de bezwaarfase betreffende de in 4.9. genoemde navorderingsaanslagen af te wachten, alvorens de onderhavige navorderingsaanslagen op te leggen, daar verweerder zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij een juiste omvang van de verschuldigde belasting over de verschillende jaren en, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, een deel van de zogenoemde [F]-ontkenners alsnog in de bezwaarfase is overgegaan tot het verstrekken van de benodigde gegevens. 4.12. Nadat de in 4.9. genoemde navorderingsaanslagen eind december 2007 ter behoud van rechten waren opgelegd, heeft eiser in zijn brief van 21 april 2008 de tegen die navorderingsaanslagen gerichte bezwaren nader gemotiveerd. In die brief heeft eiser voor het eerst ontkend een buitenlandse bankrekening te hebben (gehad). Verweerder heeft vervolgens 7 maanden later bij brief van 26 november 2008 de onderhavige navorderingsaanslagen aangekondigd. Uit de gedingstukken valt voorts op te maken dat verweerder in de periode tussen 21 april 2008 en 30 december 2008 geen actie meer heeft ondernomen met betrekking tot voormelde bezwaarprocedure. Verweerder gaat namelijk pas geruime tijd later in zijn brief van 3 november 2009 in op eisers motivering van het bezwaar van 21 april 2008. Tussen het moment waarop eiser voor het eerst heeft ontkend een buitenlandse bankrekening te hebben (gehad) - 21 april 2008 - en de dagtekening van de onderhavige navorderingsaanslagen - 24 december 2008 en 30 december 2008 - is ongeveer een periode van 8 maanden verstreken. Gelet op dit tijdsverloop is de rechtbank van oordeel dat met het voorbereiden en vaststellen van de in 4.10. bedoelde navorderingsaanslagen een langere termijn gemoeid is geweest dan op grond van de in 4.8 genoemde rechtspraak kan worden aanvaard. 4.13. Dit brengt mee dat de in 4.10. genoemde navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd. Aanslagtermijn overige aanslagen 4.14. De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2004 zijn met dagtekening 31 december 2007