RECHTBANK 's-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Nevenzittingsplaats Haarlem zaaknummer: AWB 11 / 14168 uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 september 2011 in de zaak van: [naam eiseres], geboren op [geboortedatum], van Eritrese nationaliteit, eiseres, gemachtigde: mr. A. Spel, advocaat te Alkmaar, tegen: de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder, gemachtigde: mr. H.D. Streef, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.
- Procesverloop 1.1 Eiseres heeft op 5 januari 2011 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 19 april 2011 afgewezen. Eiseres heeft tegen het besluit beroep ingesteld. 1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 10 augustus
- Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
- Overwegingen 2.1 Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Eiseres is geboren in Ethiopië en behoort tot de Tigrinya. Zij spreekt zowel het Amhaars als het Tigrinya. Het Amhaars spreekt zij beter dan het Tigrinya, omdat zij in Ethiopië is geboren en daar tot haar 14de levensjaar heeft gewoond. Eiseres, haar vader en haar zus zijn gedeporteerd naar Eritrea. Eiseres heeft vanaf 2000 tot 2003 in Eritrea gewoond. In Eritrea wilde een man met een hoge functie bij de autoriteiten van de wijk van eiseres, met eiseres trouwen. De vader van eiseres en eiseres hebben dat geweigerd. Uit wraak heeft die man ervoor gezorgd dat de vader van eiseres gedurende twee maanden gevangen heeft gezeten en eiseres een vervroegde oproep voor de militaire dienst heeft ontvangen. Eiseres is in 2003 illegaal uitgereisd. Zij is via Soedan naar Libanon gereisd. Zij heeft haar vader voor het laatst in Soedan gezien. Afgesproken was dat haar vader contact met haar zou opnemen, maar dat heeft hij niet gedaan. In Libanon heeft eiseres als huishoudelijke hulp gewerkt bij een gezin. Ze heeft problemen gekregen met de vrouw des huizes en is toen illegaal naar Soedan gereisd. Zij heeft daar vanaf juli 2006 tot februari 2010 verbleven. Ook daar heeft zij als huishoudelijke hulp gewerkt bij een gezin. Zij is eind februari 2010 verkracht door de zonen van dat gezin. Daarna heeft zij niet meer gewerkt voor het gezin. Vanaf februari 2010 tot december 2010 heeft zij nog verbleven in Soedan. 2.2 Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op de volgende gronden. Verweerder heeft aan eiseres de omstandigheden bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw) tegengeworpen, omdat zij toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter staving van haar nationaliteit, identiteit en reisroute. De gestelde Eritrese nationaliteit van eiseres heeft verweerder ongeloofwaardig geacht. Reeds om die reden heeft verweerder ook geen geloof gehecht aan de problemen die eiseres stelt te hebben ondervonden in Eritrea, zodat zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw. 2.3 In beroep voert eiseres hier in de eerste plaats tegen aan dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw, op alle onderdelen ten onrechte aan haar is tegengeworpen en dat om die reden een onjuist toetsingskader is toegepast. 2.4 Ten aanzien van het ontbreken van documenten ter staving van haar reis van Soedan naar Nederland, voert zij daartoe in het bijzonder aan dat de reisagent het gebruikte paspoort en de tickets op luchthaven Schiphol uit haar handen heeft gegrist. Op dat moment kon zij niet de bescherming inroepen van de Nederlandse autoriteiten, omdat het daarvoor veel te snel ging. Verder heeft zij voldoende coherente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over haar reis van Soedan naar Nederland afgelegd. In het voornemen was verweerder, anders dan in het bestreden besluit, nog van mening dat als men voldoende gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen aflegt, het niet overleggen van reisdocumenten verschoonbaar wordt geacht. Ter zitting heeft eiseres hier nog aan toegevoegd dat zij afhankelijk was van haar reisagent. 2.5 Ter zitting heeft verweerder desgevraagd zijn standpunt toegelicht. Verweerder werpt aan eiseres tegen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de documenten onder dwang heeft afgegeven aan de reisagent. De stellingen van eiseres dat de reisdocumenten door de reisagent uit haar handen zijn gegrist en zij afhankelijk was van de reisagent, acht verweerder onvoldoende om te spreken van dwang van de zijde van de reisagent. 2.6 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. 2.7 Volgens onderdeel C4/3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc) zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag de volgende elementen, en dus documenten die dit onderbouwen, van belang: - de identiteit van de asielzoeker; - de nationaliteit van de asielzoeker; - de reisroute van de asielzoeker; - het asielrelaas van de asielzoeker. Volgens onderdeel C4/3.6.3 van de Vc wordt, wanneer is vastgesteld dat op één of meer elementen op grond waarvan de beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt documenten ontbreken, onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de desbetreffende asielzoeker is toe te rekenen. Indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dat dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, is dit reeds voldoende voor de algemene conclusie dat sprake is van 'het toerekenbaar ontbreken van documenten'. Voorts vermeldt dit onderdeel dat het uitgangspunt is dat de situatie waarin een vreemdeling zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan aan de vreemdeling is toe te rekenen. De vreemdeling is in het algemeen op het moment dat de papieren aan de reisagent worden meegegeven reeds in een land waar bescherming van de desbetreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. Op dat moment kan van de vreemdeling worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt. Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De asielzoeker vraagt om bescherming, de overheid vraagt aan de asielzoeker om bekend te maken wie hij is en hoe hij naar Nederland is gekomen. Wanneer de asielzoeker aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen. Verder vermeldt onderdeel C4/3.6.3 van de Vc als bijzonder aandachtspunt bij het ontbreken van documenten inzake de reis dat het in beginsel niet geloofwaardig is dat een asielzoeker geen enkel (indicatief) bewijs van de reis kan overleggen en dat in het geval een asielzoeker geen documenten inzake de reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, hij blijk geeft van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen. 2.8 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich – verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (LJN: BG9599) - terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres toerekenbaar ongedocumenteerd is voor wat betreft haar reis van Soedan naar Nederland. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de reisdocumenten onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven. Dat het gebruikte paspoort en de tickets na de controle door de douane, door de reisagent uit haar handen zijn gegrist, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten om aan te nemen dat eiseres haar reisdocumenten onder dwang heeft afgegeven. De ter zitting geponeerde stelling dat zij afhankelijk was van haar reisagent, is, gelijk door is verweerder betoogd, eveneens onvoldoende om te spreken van dwang. Nu eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de reisdocumenten onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven, is niet meer van belang of eiseres omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd. Dat verweerder dit in het voornemen nog wel bij de beoordeling heeft betrokken, maakt dat niet anders. Gelet hierop heeft verweerder het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw, bij de beoordeling van de aanvraag kunnen betrekken. 2.9 Nu het gelet op het beleid van verweerder en bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor de algemene conclusie dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw voldoende is dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas, documenten ontbreken en dat is toe te rekenen aan de asielzoeker, behoeft hetgeen in beroep verder is aangevoerd over het tegenwerpen van het ontbreken van documenten inzake de reis, identiteit en nationaliteit, geen bespreking meer. 2.10 Voorts voert eiseres in beroep aan dat van haar relaas een positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder heeft volgens eiseres ten onrechte het standpunt ingenomen dat er twijfel is ontstaan omtrent haar Eritrese nationaliteit. Daartoe voert eiseres het volgende aan. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiseres volgens het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van september 2010 en het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van december 2010, niet de Eritrese nationaliteit heeft, voert eiseres -onder meer- aan dat verweerder niet is ingegaan op haar stelling dat haar voorouders al de Eritrese nationaliteit hadden en zowel haar vader als zij derhalve, gelet op hetgeen in het Algemeen Ambtsbericht van Eritrea staat vermeld (pagina 32), door afstamming de Eritrese nationaliteit hebben verkregen. Met betrekking tot de matige beheersing van de Tigrinya taal heeft eiseres in beroep aangevoerd dat zij vanaf haar 4de tot haar 14de levensjaar in Ethiopië heeft gewoond en in die periode is opgevoed door haar stiefmoeder. Haar stiefmoeder was niet van Eritrese afkomst en sprak alleen Amhaars met haar. Haar vader sprak voornamelijk Amhaars met haar. In die periode dat zij in Ethiopië woonden, was haar vader vaak afwezig. In Ethiopië werd op school Amhaars gesproken. Na haar 14de heeft eiseres drie jaar in Eritrea gewoond bij haar tante. Zij is in die periode niet naar school gegaan en kwam ook nooit buiten. In die periode sprak ze thuis voornamelijk Amhaars met haar vader. Met haar tante sprak ze een mengsel van Tigrinya en Amhaars. Na 2003 heeft ze geen Tigrinya meer gesproken. Zij heeft vanaf die periode in Libanon en Soedan gewoond, alwaar ze noodgedwongen Arabisch moest leren praten. Daarom kan zij Arabisch spreken. Voorts voert eiseres aan dat zij wel iets heeft weten te verklaren over haar woon- en leefomgeving in Eritrea ([naam]). Door verweerder is onvoldoende gemotiveerd waarom iemand die bijna nooit in de stad komt toch in staat moet worden geacht om uitgebreid over de woonomgeving te vertellen. 2.11 In beroep handhaaft verweerder zijn standpunt in het bestreden besluit, dat de gestelde Eritrese nationaliteit ongeloofwaardig is. Op grond van hetgeen in het Algemeen Ambtsbericht van Eritrea van september 2010 en het Algemeen Ambtsbericht van Ethiopië van december 2010 staat vermeld, bezit eiseres niet de Eritrese nationaliteit. Daarbij komt dat van eiseres mocht worden verwacht dat zij de Tigrinya taal beter zou beheersen. Voorts kan eiseres weinig verklaren over haar leef- en woonomgeving in Eritrea. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze drie onderdelen, in samenhang bezien, ertoe leiden dat geen geloof wordt gehecht aan de gestelde Eritrese nationaliteit. Derhalve heeft verweerder geen geloof gehecht aan de door eiseres afgelegde verklaringen omtrent de problemen die zij stelt te hebben ondervonden in Eritrea. 2.12 De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gezien de daaraan ten grondslag gelegde motivering, niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de gestelde Eritrese nationaliteit van eiseres ongeloofwaardig is. De rechtbank acht daarvoor het volgende van belang. 2.13 De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder heeft nagelaten om op de stelling van eiseres dat zij via afstamming de Eritrese nationaliteit heeft verkregen en de verwijzing daartoe naar het Algemeen Ambtsbericht van Eritrea van september 2010, in te gaan in het bestreden besluit. Op dit punt is het besluit dan ook in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Dat geldt te meer daar verweerder ter zitting, anders dan in het bestreden besluit, heeft erkend dat het op zichzelf mogelijk is dat eiseres via afstamming de Eritrese nationaliteit heeft verkregen, doch dat eiseres dit niet voldoende heeft aangetoond. Verweerder heeft hetgeen in het Algemeen Ambtsbericht Eritrea staat vermeld, ten aanzien van dit punt derhalve niet ten grondslag mogen leggen aan zijn besluit, althans niet op de wijze zoals in het bestreden besluit is gedaan. 2.14 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder de matige beheersing van de Tigrinya taal, gelet op de motivering in het bestreden besluit, niet in redelijkheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn standpunt dat de gestelde Eritrese nationaliteit van eiseres ongeloofwaardig is. Daarvoor acht de rechtbank redengevend dat eiseres -anders dan door verweerder is betoogd- consistente en plausibele verklaringen heeft afgelegd over de reden waarom zij niet in het door verweerder aangehaalde taalprofiel past. Zo heeft zij consistente en plausibele verklaringen afgelegd over hoe het kan dat zij het Amhaars goed beheerst, het Tigrinya niet goed beheerst, de Arabische taal heeft leren spreken en de Arabische taal beter beheerst dan de Tigrinya taal. Het standpunt van verweerder dat eiseres tijdens de gehoren tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over haar kennis van de Tigrinya taal, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Tijdens het eerste gehoor heeft eiseres namelijk verklaard dat zij het Tigrinya spreekt, maar niet genoeg om haar verhaal in te doen. Voorts heeft zij tijdens dat gehoor verklaard dat zij alles kan verstaan, maar het praten niet zo makkelijk gaat. Deze verklaringen zijn niet tegenstrijdig. Anders dan verweerder leest de rechtbank nergens in de rapporten van gehoor dat eiseres heeft verklaard dat zij het Tigrinya alleen kan verstaan. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat het taalprofiel waarnaar verweerder in dit kader verwijst, ziet op personen van Eritrese afkomst die niet woonachtig zijn in Eritrea dan wel op personen die voor een groot deel van hun leven buiten Eritrea hebben gewoond. Hierom heeft verweerder het taalprofiel niet zonder meer van toepassing mogen achten op de onderhavige casus. 2.15 Nu verweerder ter zitting nader heeft toegelicht dat de drie onderdelen (zoals verwoord in 2.11) in samenhang bezien maken dat aan de gestelde Eritrese nationaliteit wordt getwijfeld, en niet reeds op één van die onderdelen tot die conclusie kan worden gekomen, is het voorgaande reeds voldoende voor het oordeel dat verweerder zijn standpunt dat de gestelde Eritrese nationaliteit onaannemelijk is, en in het verlengde daarvan het relaas van eiseres positieve overtuigingskracht ontbeert, onvoldoende heeft gemotiveerd. Het overige wat partijen in dat kader naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld hetgeen door partijen is aangevoerd over de kennis van eiseres over [naam], behoeft geen bespreking meer. 2.16 In de loop van de beroepsprocedure heeft eiseres nog een medisch stuk d.d. 25 juli 2011 ingebracht, dat is opgesteld door [naam], sociaal psychiatrisch verpleegkundige i.o., mede namens [naam psychiater], psychiater, beiden verbonden aan GGZ [naam] Hiertoe heeft eiseres een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). 2.17 Ingevolge artikel 83, eerste lid, Vw houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen. In het derde lid van artikel 83 Vw is bepaald dat met deze gegevens geen rekening wordt gehouden voor zover de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. De rechtbank zal de medische informatie bij de beoordeling van het onderhavige beroep betrekking. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat deze gegevens na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen. Het medische stuk is namelijk opgemaakt op 25 juli
- Daarbij komt dat verweerder voor en tijdens de zitting in de gelegenheid is gesteld om een nadere schriftelijke reactie in te brengen. Verweerder heeft voor de zitting geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid en heeft tijdens de zitting te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het geven van een nadere schriftelijke reactie, ook niet na de zitting. 2.18 Blijkens de inhoud van het ingebrachte medische stuk, zal eiseres uitgenodigd worden voor een psychiatrisch onderzoek in het kader van diagnostiek en medicatiebeleid. De voorlopige diagnose luidt dat zij lijdt aan een posttraumatische stresstoornis. Bij die stand van zaken heeft eiseres, gelijk door verweerder betoogd ter zitting, geen begin van bewijs geleverd van haar stelling dat zij vanwege haar medische situatie bij terugkeer het reële risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, zodat verweerder hierin geen aanleiding heeft hoeven dan wel hoeft te zien om een onderzoek op te starten bij Bureau Medische Advisering. 2.19 Uit het vorenstaande, en dan in het bijzonder rechtsoverwegingen 2.12, 2.13, 2.14 en 2.15, volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw dient te beslissen. 2.20 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
- Beslissing De rechtbank: 3.1 verklaart het beroep gegrond; 3.2 vernietigt het bestreden besluit; 3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op de aanvraag van 5 januari 2011 te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak; 3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.M. Fikkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september
- Afschrift verzonden op : Coll: Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.