beschikking RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rekestnummer: 390113 / HA RK 11-168 Beschikking van 22 september 2011 in de zaak van 1. [verzoeker 1], 2. [verzoekster 2], in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige dochter: [kind van verzoekers], allen wonende te [woonplaats], verzoekers, gemachtigde mr. T.C. de Roon te Rijswijk, tegen de naamloze vennootschap ING BANK N.V., gevestigd en kantoorhoudend te Amsterdam, verweerster, advocaat mr. L.Ph.J. baron van Utenhove te Den Haag. Partijen worden hierna aangeduid als '[verzoekers c.s.]' en 'ING'. 1.De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het op 21 maart 2011 ingekomen verzoekschrift; - de beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 18 mei 2011, waarbij verzoekers zijn gemachtigd hun dochter [kind van verzoekers] (hierna: [kind van verzoekers]) in deze procedure te vertegenwoordigen; - het verweerschrift; - de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 11 augustus 2011. Ter zitting zijn [verzoeker 1] en [kind van verzoekers] verschenen, vergezeld van mr. T.C. de Roon. Namens ING zijn de heren [A] en [B], medewerkers van de afdeling fraude, verschenen, vergezeld van mrs. A.L. de Vogel en P. Smits, advocaten te Amsterdam. 2.De feiten 2.1. [kind van verzoekers] heeft bij ING een betaalrekening voor jongeren onder nummer [nummer]. Aan deze rekening was een betaalpas met pincode gekoppeld. 2.2. Op 2 oktober 2010 is op de rekening van [kind van verzoekers] een bedrag van € 2.000,-- bijgeschreven vanaf ING rekeningnummer [nummer] ten name van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Comité Buurtbelang. Op 4 oktober 2010 zijn bedragen bijgeschreven van in totaal van € 3.535,-- vanaf ING rekeningnummer [nummer] ten name van RK Schaakvereniging De Pion. De betalingen zijn verricht door middel van internetbankieren. Voor de betalingen was door de rekeninghouders geen toestemming gegeven. Door beide rekeninghouders is aangifte gedaan bij de politie van frauduleuze overboekingen en is de schade bij ING gemeld. De gestorte bedragen zijn op 2 en 4 oktober 2010 via meerdere transacties in Rotterdam opgenomen en van de rekening van [kind van verzoekers] afgeschreven. 2.3.Bij brief van 23 november 2010 heeft ING aan [kind van verzoekers] bericht dat voormelde stortingen en opnames ertoe hebben geleid dat het voor bankieren benodigde vertrouwen ernstig is geschaad en dat dit voor ING aanleiding is om de relatie met [kind van verzoekers] te beëindigen en haar persoonsgegevens op te nemen in het incidentenregister. ING stelt in die brief een vordering te hebben op [kind van verzoekers] die zij heeft overgedragen aan een incassobureau. 2.4.Bij brief van 4 december 2010 heeft [kind van verzoekers] de tegen haar geuite beschuldiging van frauduleus handelen en de vordering van de ING betwist. In die brief verklaarde zij voorts: "Wel ben ik mijn pinpas kort voor 4 oktober ergens kwijtgeraakt, waar precies weet ik niet, maar had dit nog niet in de gaten totdat ik uw brief ontving." 2.5.Mr. De Roon heeft bij brief van 1 februari 2011 ING gesommeerd binnen vijf dagen de blokkering van de betaalrekening van [kind van verzoekers] op te heffen en de persoonsgegevens van [kind van verzoekers] uit het incidentenregister te verwijderen. Nadat ING bij brief van 10 februari 2011 had medegedeeld dat er voor haar geen aanleiding is om op haar eerder ingenomen standpunt terug te komen, heeft mr. De Roon bij brief van 24 februari 2011 ING aansprakelijk gesteld voor alle schade die [kind van verzoekers] in deze kwestie lijdt en nog zal lijden en heeft hij ING nogmaals gesommeerd binnen vijf dagen de blokkering van de betaalrekening van [kind van verzoekers] op te heffen en de persoonsgegevens van [kind van verzoekers] uit het incidentenregister te verwijderen. ING heeft bij brief van 5 april 2011 afwijzend gereageerd op deze sommaties. 3.Het verzoek 3.1.[verzoekers c.s.] verzoeken op de voet van artikel 46 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ING te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van de beschikking over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [kind van verzoekers] uit de registers waarin zij naar aanleiding van de onder 2.2 vermelde transacties is ingeschreven en hiervoor afdoende schriftelijk bewijs te leveren aan [verzoekers c.s.], op straffe van een dwangsom, met veroordeling van ING in de kosten van dit geding. 3.2.[verzoekers c.s.] stellen ter onderbouwing van hun verzoek dat [kind van verzoekers] niet direct of indirect betrokken is geweest bij c.q. medewerking heeft verleend aan frauduleuze praktijken in welke vorm of van welke aard dan ook, en dat ING daarom in alle redelijkheid niet tot registratie van haar persoonsgegevens in het Intern Verwijzingsregister (verder te noemen: IVR) en het Extern Verwijzingsregister (verder te noemen: EVR) mocht overgaan. Zij gebruikte haar pinpas slechts op incidentele basis en zij heeft pas na ontvangst van de brief van de ING van 23 november 2010 bemerkt dat zij niet meer over de betreffende pinpas beschikte. Zij heeft nimmer haar betaalpas met bijbehorende pincode aan derden verstrekt en zij heeft haar geheimhoudingsplicht niet geschonden. Haar pincode kan door middel van skimming door derden zijn achterhaald. Ten tijde van de bewuste transacties op 2 en 4 oktober 2010 bevond [kind van verzoekers] zich in Hoenderloo voor een opleiding tot horeca-assistente, zodat zij in de feitelijke onmogelijkheid verkeerde de bewuste transacties in Rotterdam te verrichten. In verband met haar verblijf in Hoenderloo, controleert [kind van verzoekers] haar bankafschriften, die naar haar adres in [woonplaats] worden verzonden, niet regelmatig. 3.3.ING heeft volgens [verzoekers c.s.] niet onderbouwd dat er ten aanzien van [verzoeker 1] sprake is van een zwaardere verdenking van een strafbaar feit dan een redelijk vermoeden van schuld. Door ING is geen aangifte gedaan en het openbaar ministerie heeft geen strafvervolging jegens [kind van verzoekers] ingesteld. Voorts merken [verzoekers c.s.] op dat registratie van strafrechtelijke gegevens in beginsel verboden is en pas is toegestaan nadat er passende en specifieke waarborgen zijn getroffen en na een voorafgaand onderzoek door het College bescherming persoonsgegevens. Een dergelijk onderzoek heeft volgens [verzoekers c.s.] niet plaatsgevonden. 3.4.Subsidiair stellen [verzoekers c.s.] dat de door ING genomen maatregelen disproportioneel en daarom onrechtmatig zijn. 4.Het verweer 4.1.ING voert gemotiveerd verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat zij met recht is overgegaan tot opneming van [kind van verzoekers] in de betreffende registers en tot opzegging van de relatie met [kind van verzoekers]. Zij voert daartoe het volgende aan. 4.2.ING heeft geconstateerd dat de frauduleuze betalingen aan [kind van verzoekers] deel uitmaken van een zogenaamde "phishing-fraude". [kind van verzoekers] fungeerde daarbij als "money-mule" of "katvanger". Kort gezegd komt dit er op neer dat bankgegevens van klanten worden ontfutseld, waarna gelden worden overgeboekt naar de betaalrekening van de money-mule. De money-mule zorgt ervoor dat zijn of haar rekening nagenoeg leeg is en geeft vervolgens zijn of haar betaalpas en pincode af, waarna het fraudebedrag op de rekening kan worden bijgeschreven en vervolgens zo snel mogelijk door middel van geldopnames (in de regel rond middernacht) wordt opgenomen. Na de opnames meldt de money-mule bij ING dat de betaalpas is zoekgeraakt dan wel is gestolen en doet daarvan aangifte bij de politie. ING meent dat in de onderhavige zaak niet van dit patroon is afgeweken. Voordat de frauduleuze bijboekingen op de betaalrekening van [kind van verzoekers] plaatsvonden was het saldo op de betaalrekening van [kind van verzoekers] nagenoeg nihil (€ 0,01). Omstreeks 2 en 4 oktober 2010 vonden veel saldochecks plaats. Deze checks weken sterk af van het eerdere patroon in de voorafgaande periode. De gestorte bedragen zijn via meerdere transacties in een kort tijdsbestek opgenomen. Pas nadat [kind van verzoekers] door ING werd geïnformeerd over de geconstateerde fraude, heeft [kind van verzoekers] ING bericht dat zij haar betaalpas kwijt was. ING meent dat hiermee op voldoende overtuigende wijze is aangetoond dat [kind van verzoekers] actief betrokken is geweest bij phishing-fraude. 4.3.De pincode van de betaalpas van [kind van verzoekers] kan niet via skimming zijn achterhaald, omdat met skimming alleen een gekopieerde magneetstrip van de betaalpas wordt verkregen en niet het rekeningnummer dat bij de betaalpas hoort. 4.4.Het feit dat [kind van verzoekers] zich ten tijde van de betreffende transacties niet in Rotterdam maar in Hoenderloo zou hebben bevonden, sluit niet uit dat zij een ander de gelegenheid heeft geboden haar betaalpas en pincode te gebruiken. 4.5.Een bankafschrift van 8 oktober 2010 bevat enige voor [kind van verzoekers] onbekende transacties. Het afschrift is voor [kind van verzoekers] echter geen aanleiding geweest haar betaalrekening te controleren en ING in te lichten. Deze passieve houding van [kind van verzoekers] maakt het volgens ING aannemelijk dat [kind van verzoekers] (in)direct betrokken was bij de geconstateerde fraude. 5.De beoordeling 5.1.De rechtbank heeft geconstateerd dat het verzoek tijdig, binnen de in artikel 46 lid 2 Wbp bedoelde termijn, is ingediend. 5.2.[kind van verzoekers] is opgenomen in het incidentenregister van ING. Dat wil zeggen dat er door ING over [kind van verzoekers] persoonsgegevens zijn vastgelegd. ING heeft zich verplicht bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het door ING aangehouden incidentenregister te handelen conform het "Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen" van de Nederlandse Vereniging van Banken, het Verbond van Verzekeraars en de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland (verder te noemen: het Protocol). Het Protocol is een door het College bescherming persoonsgegevens getoetste gedragscode als bedoeld in artikel 25 Wbp. Het Protocol is daarom te beschouwen als een regeling die in beginsel voldoende waarborgen biedt voor een verwerking van persoonsgegevens zoals de Wbp die voorschrijft. 5.3.Onder incidentenregister wordt volgens het Protocol verstaan de gegevensverzameling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.