RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/2874 BEPTDN uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen [A], eiser, V-nummer [nummer] (gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat te Wassenaar), en de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder (gemachtigde: mr. J.N. Mons). Procesverloop Eiser is geboren op [datum] 1978 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland. Bij brief van 26 februari 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op deze aanvraag is door verweerder op 22 juni 2010 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 20 januari 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 25 januari 2011 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Bij brief van 20 juni 2011 heeft eiser nadere gronden ingediend. Verweerder heeft op 19 juli 2011 een verweerschrift ingediend. De behandeling van het beroep heeft op 27 juli 2011 plaats gevonden. Eiser is niet verschenen en heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Aksözek, een kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1 Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk voornemens is hier te lande arbeid als zelfstandige te (gaan) verrichten en hij voorts niet beschikt over een geldige mvv, terwijl geen van de vrijstellingsgronden van artikel 17 van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede en vierde lid (de hardheidsclausule), van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 van toepassing is. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van schending van het Aanvullend Protocol geen sprake is. 2 Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. In beroep heeft eiser een ondernemingsplan overgelegd. Eiser stelt zich op het standpunt dat uit dit ondernemingsplan blijkt dat zijn bedrijfsactiviteit in een behoefte voorziet. Eiser betwist dat van de bedrijfsactiviteit een negatieve invloed op de markteconomie of de werkgelegenheid uitgaat. 3 Juridisch kader Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije voeren de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (de standstill-bepaling). Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Volgens paragraaf B5/7.3.1 van de Vc 2000, zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit en voor zover thans van belang, geeft de minister van Economische Zaken in het kader van de toelating een advies aan verweerders Immigratie- en Naturalisatiedienst over de 'wezenlijke bijdrage' van de vreemdeling voor het land. Bij besluit van verweerder van 18 maart 2011, nr. WBV 2011/2, houdende wijziging van de Vc 2000, bekendgemaakt op 29 maart 2011 (Stcrt. 2011 nr. 5302) en in werking getreden op 1 april 2011, heeft verweerder paragraaf B5/7.3.2 aan de Vc 2000 toegevoegd. Volgens die paragraaf zullen de adviezen ten aanzien van aanvragen van Turkse vreemdelingen om verblijf hier te lande als zelfstandige worden gebaseerd op de feitelijke situatie: de op het moment van de aanvraag bestaande de werkgelegenheidseffecten en de (concurrentie)verhoudingen op het specifieke deel van de markt. Uit de uitspraak van de AbRS van 11 maart 2004 (LJN AO8112) volgt dat op 1 januari 1973 een wezenlijk Nederlands belang aanwezig werd geacht, indien met de beoogde bedrijfsactiviteiten in een behoefte werd voorzien en deze activiteiten geen negatieve invloed hadden op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie. 4 De rechtbank overweegt als volgt. 4.1 De rechtbank constateert dat verweerder de aanvraag ondanks het, tot de beroepsfase, ontbreken van een ondernemingsplan inhoudelijk heeft beoordeeld en geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:5, van de Awb, ingevolge welk artikel bij gebreke van overlegging van relevante gegevens en bescheiden de aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten (mits de gelegenheid is geboden de aanvraag aan te vullen). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag terecht het toetsingskader gehanteerd zoals weergegeven in de aangehaalde uitspraak van de AbRS van 11 maar 2004 en neergelegd in paragraaf B5/7.3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.