Rechtbank 's-Gravenhage Sector bestuursrecht zaaknummers: AWB 11/145 en 11/146 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 november 2011 ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen [X], gevestigd te [Z], eiseres (gemachtigde: [A]), en de heffingsambtenaar van de gemeente Rijnwoude, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft bij schriftelijke kennisgeving aan eiseres een nagevorderd bedrag (aanslagnummer [nummer] en [nummer]) in de leges van de gemeente Rijnwoude en bij gelijktijdig gegeven beschikking een vergrijpboete opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het tegen het nagevorderde bedrag en de boetebeschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen bij brief van 5 januari 2011, ontvangen bij de rechtbank op 6 januari 2011, beroep ingesteld. Bij brief van 4 februari 2011 heeft eiseres de gronden van haar beroep ingediend. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2011. Namens eiseres zijn verschenen [B] en [C]. Namens verweerder zijn verschenen [D] en [E], bijgestaan door [F]. Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft bij de gemeente Rijnwoude (hierna: de gemeente) een aanvraag, gedateerd 7 april 2005 en bij de gemeente binnengekomen op 8 april 2005, voor een "Reguliere bouwvergunning fase 1" ingediend (hierna: aanvraag eerste fase). In de aanvraag eerste fase wordt de volgende omschrijving van het bouwplan gegeven: "Het gaat om het geheel (...) plaatsen (...) van Vier windturbines en een 20 kV inkoopstation". Als lokale en kadastrale aanduiding van het bouwwerk/perceel is in de eerste aanvraag vermeld: "Straat en huisnummer Spookverlaat - N11 Postcode en plaats Hazerswoude Kadastrale aanduiding Gemeente Hazerswoude Sectie en nummer I nrs. 222, 219, 218, 497, 498, 255, 254 allen ged.". Met betrekking tot de kosten is in de eerste aanvraag vermeld: "Aanneemsom of raming van de kosten (exclusief BTW) € 3.165.000 (raming)". In de eerste aanvraag is "3.165.000 (raming)" doorgehaald. Met de pen is boven de doorgehaalde tekst geschreven: "6.136.824". Onder de doorgehaalde tekst is, eveneens met de pen, geschreven: "gew. d.d. 22 februari 2006". Daarbij is een paraaf gezet, "[naam]". Wat betreft de uitvoering van de bouwwerkzaamheden is in de eerste aanvraag de volgende voorgedrukte tekst aangekruist: "Nog niet bekend". 2. Eiseres heeft bij de gemeente een aanvraag, gedateerd 2 mei 2005 en bij de gemeente binnengekomen op 3 mei 2006, voor een "Reguliere bouwvergunning fase 2" ingediend (hierna: aanvraag tweede fase). In de aanvraag tweede fase wordt de volgende omschrijving van het bouwplan gegeven: "Het gaat om het geheel (...) plaatsen (...) van Vier V90-3.0M windturbines en een 20 kV inkoopstation". De in de aanvraag tweede fase vermelde lokale en kadastrale aanduiding van het bouwwerk/perceel is gelijk aan die in de aanvraag eerste fase. Met betrekking tot de kosten is in de aanvraag vermeld: "€ zie fase I". Wat betreft de uitvoering van de bouwwerkzaamheden is in de tweede aanvraag de volgende tekst aangekruist: "U huurt een hoofdaannemer in die eindverantwoordelijke is voor de bouwwerkzaamheden". Als hoofdaannemer is in de aanvraag tweede fase [G] genoemd. 3. Bij schriftelijke kennisgeving van 5 januari 2006, nummer 009121-0002428, is aan eiseres onder de naam "aanslag" een gevorderd bedrag "Wegens: leges bouwvergunning" opgelegd. De kennisgeving luidt, voor zover hier van belang: tabel 1 4. Bij brief van 22 februari 2006 heeft eiseres bericht over "de stand van zaken met betrekking tot het windturbineproject Spookverlaat". Deze brief luidt, voor zover hier van belang: "Met [G] (kort [G]) heeft [eiseres] op (...) 16 februari jl. het contract voor de turn-keylevering van vier [G] V 90 windturbines met 80 meter ashoogte, een rotordiameter van 90 meter en een vermogen van 3.000 kilowatt inclusief toebehoren en funderingen gesloten. Een en ander werd mede mogelijk gemaakt door uw besluit inzake het verlenen van de fase I bouwvergunning voor het windturbineproject. Op basis van de met [G] overeengekomen koop/aannemingsom willen wij u over de nu bekende hoogte van de bouwkosten informeren. In het kader van de [aanvraag eerste fase] is uitgegaan van een beredeneerde raming, eerst nu na het verlenen van de vergunning en het sluiten van het contract met [G] zijn wij bekend geraakt met de daadwerkelijke bouwkosten. Een opgave van de bouwkosten van [G] kunt u in de bij deze brief gevoegde bijlage vinden. (...) Bij deze zijn de bouwkosten van kleinere windturbines in de basis vertaald met een opslag naar de windturbine met bovengenoemde afmetingen en vermogen. (...)" 5. In de bijlage bij de brief van 22 februari 2006 berekent eiseres de "Bouwkosten, NEN 2631, onder 3.2" op € 6.153.824. In deze bijlage is aangegeven dat de hieronder in de linkerkolom vermelde posten om de hieronder in de rechterkolom vermelde redenen niet zijn meegenomen in de berekening van het bedrag van € 6.153.824: tabel 2 6. Verweerder heeft de brief van 22 februari 2006 als een "verbeterde aangifte" aangemerkt. Naar aanleiding hiervan is het gevorderde bedrag van 5 januari 2006 herroepen. 7. Bij schriftelijke kennisgeving van 31 mei 2006, kenmerk [nummer], is aan eiseres onder de naam "aanslag" een gevorderd bedrag "leges bouwvergunning 1e fase" opgelegd. De kennisgeving luidt, voor zover hier van belang: tabel 3 8. Bij schriftelijke kennisgeving van 3 juli 2006, kenmerk 009601-0002428, is aan eiseres onder de naam "aanslag" een gevorderd bedrag "Wegens: leges bouwvergunning 2e fase" opgelegd. De kennisgeving luidt, voor zover hier van belang: tabel 4 9. Bij brief van 16 april 2009 heeft verweerder namens het College van burgemeester en wethouders van de gemeente eiseres medegedeeld dat haar een "navorderingsaanslag" (lees: een nagevorderd bedrag) en een "verhoging" (lees: een vergrijpboete) zullen worden opgelegd. In de brief is dit voornemen als volgt gemotiveerd: " Uit de recentelijk met u gevoerde correspondentie is immers gebleken dat de overeenkomst tussen u en de bouwer van de molens [G] een zgn. turn-key overeenkomst was. Een turn-key overeenkomst bevat (...) een bedrag als aannemingssom. In de tarieventabel 2005 behorende bij de Verordening op de heffing en invordering van leges 2005 van de gemeente (...) is onder Hoofdstuk 5.1. Bouwkosten bepaald: "1. Onder bouwkosten wordt in dit hoofdstuk verstaan de aannemingssom (...) of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten als bedoeld in normblad NEN 2631, uitgave 1979 (etc.)". Bij aanwezigheid van een aannemingssom komt een raming ex. NEN 2631 dus geheel niet aan de orde. Niet alleen heeft u de bouwkosten ten onrechte geraamd, ook de raming zelf was onjuist. Bij de raming van de bouwkosten heeft u immers (...) rekening gehouden met een aftrek van 46% zijnde het aftrekpercentage dat voor de toepassing van de Wet op de onroerende zaakbelasting betrekking heeft op de werktuigenvrijstelling. Deze werktuigenvrijstelling is (...) niet [van toepassing] op de hoogte van de bouwkosten als bedoeld in de legesverordening. Met beroep op ene geheimhoudingsverplichting weigert u ons inzage te geven in de turn-key overeenkomst en daarmee in de exacte hoogte van de aannemingssom. Uitgaande van uw eigen gegevens kan deze aannemingssom echter wel berekend worden, en wel als volgt: 100/54 X € 6.153.824 is € 11.395.970. Deze uitkomst komt overeen met de raming van de bouwkosten door het bureau IGG in hun rapport van 9 februari 2009. Het betreffende rapport is u bekend. Voor het verschil tussen deze aannemingssom en de door u in de aangifte opgenomen bouwkosten zal een navorderingsaanslag bouwleges worden opgelegd. De aanslag zal worden opgelegd met een verhoging van 100%.". 10. Bij schriftelijke kennisgeving van 4 juni 2009, kenmerk PUB/vdV, heeft de "heffingsambtenaar, plv., [H]" onder de naam "navorderingsaanslag" een nagevorderd bedrag "leges bouwvergunning [nummer] en [nummer]" aan eiseres opgelegd. De kennisgeving luidt, voor zover hier van belang: tabel 5 11. Bij schriftelijke kennisgeving van 1 april 2010, kenmerk CZ/BJZ/VB, heeft verweerder aan eiseres onder de naam "navorderingsaanslag" een nagevorderd bedrag "leges bouwvergunning [nummer] en [nummer]" opgelegd. De kennisgeving luidt, voor zover hier van belang: tabel 6 Geschil 12. In geschil is of verweerder het nagevorderde bedrag heeft kunnen opleggen en zo ja, of hij de het nagevorderde bedrag niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. 13. Eiseres beantwoordt de in geschil zijnde vragen ontkennend en voert daartoe -samengevat- de volgende beroepsgronden aan: a. Het nagevorderde bedrag van 4 juni 2009 (hierna: het eerste nagevorderde bedrag) is opgelegd door een daartoe niet bevoegde ambtenaar, de gemeentesecretaris [H]. Dat maakt het eerste nagevorderde bedrag echter niet nietig, maar vernietigbaar. Het eerste nagevorderde bedrag bestond dus nog toen het nagevorderde bedrag van 1 april 2010 (hierna ook: het tweede nagevorderde bedrag) werd opgelegd. Uit het bepaalde in de artikelen 11 en 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) volgt dat niet tweemaal voor hetzelfde feit een nagevorderd bedrag kan worden opgelegd. Het tweede nagevorderde bedrag kan derhalve niet in stand blijven. b. Indien verweerder bevoegd was na de vaststelling van het eerste nagevorderde bedrag een tweede nagevorderd bedrag vast te stellen, dient het tweede nagevorderde bedrag te worden vernietigd omdat het in artikel 16 van de AWR voor navordering vereiste "nieuwe feit" ontbreekt en eiseres niet "te kwader trouw" was in de zin van artikel 16, eerste lid, laatste zinsdeel, van de AWR. c. Navordering is uitgesloten omdat de onder 7. en 8. vermelde gevorderde bedragen naar juiste grondslagen en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. d. De vergrijpboete dient te vervallen omdat van een beboetbaar feit in de zin van artikel 67e van de AWR geen sprake is. e. Verweerder dient te worden veroordeeld tot vergoeding van de werkelijk door eiseres gemaakt proceskosten. 14. Verweerder heeft de beroepsgronden van eiseres gemotiveerd betwist en heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Ter zitting heeft verweerder in aanvulling hierop verklaard dat, indien de rechtbank met betrekking tot beroepsgrond b. van eiseres oordeelt dat eiseres niet te kwader trouw is, ook de vergrijpboete dient te vervallen. 15. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil 16. In artikel 5 van de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2005 van de gemeente Rijnwoude (hierna: de Verordening) is bepaald dat de leges worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Deze wijze van heffing berust op artikel 233 van de Gemeentewet en wordt doorgaans "heffing op andere wijze" genoemd. Een op andere wijze geheven belasting wordt voor de toepassing van de AWR en de Invorderingswet 1990 aangemerkt als een bij wege van aanslag geheven belasting, met dien verstande dat -voor zover hier van belang - onder respectievelijk de aanslag en de navorderingsaanslag wordt verstaan het gevorderde bedrag en het nagevorderde bedrag (vergelijk artikel 233a, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet). 17. De heffing en invordering van gemeentelijke belastingen geschieden, tenzij bij wet anders is bepaald, met toepassing van - voor zover hier van belang - de AWR (artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet). In artikel 231, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet zijn met betrekking tot de gemeentelijke belastingen de bevoegdheden en de verplichtingen van de inspecteur toegedeeld aan de gemeenteambtenaar, belast met de gemeentelijke belastingen (hierna: de heffingsambtenaar). Deze attributie staat -onder meer- eraan in de weg dat een ander dan de heffingsambtenaar of een door deze daartoe gemandateerde persoon een gevorderd of een nagevorderd bedrag vaststelt. 18. Tegen het gevorderde bedrag van 5 januari 2006, de herroeping daarvan, het gevorderde bedrag van 31 mei 2006 en het gevorderde bedrag van 3 juli 2006 heeft eiseres geen bezwaar gemaakt. Zij zijn onherroepelijk komen vast te staan. Derhalve komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de zo-even genoemde besluiten door een daartoe bevoegde persoon (de heffingsambtenaar of een door deze gemandateerde persoon) zijn vastgesteld en evenmin aan de vraag of verweerder het gevorderde bedrag van 5 januari 2006 rechtsgeldig heeft kunnen herroepen en of hij met het opleggen van het gevorderde bedrag van 5 januari 2006 zijn bevoegdheid tot het opleggen van (een) gevorderd(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.