RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch Sector bestuursrecht Zaaknummers: AWB 11/34275 (voorlopige voorziening) AWB 11/34273 (beroep) Uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2011 inzake [verzoeker], geboren op [dag] juli 1994, nationaliteit Afghaanse, verblijvende te [plaats], verzoeker, gemachtigde mr. I. Wudka, tegen de minister voor Immigratie en Asiel, te Den Haag, verweerder, gemachtigde mr. R. van der Zanden. <b>Procesverloop</b> Bij besluit van 24 oktober 2011, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Tevens heeft verweerder bij dit besluit geweigerd om verzoeker een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Vw 2000 te verlenen onder de beperking alleenstaande minderjarige vreemdeling. Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 8 november 2011, waar verzoeker is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. <b>Overwegingen</b>
(3)als gevolg van het gewapend conflict, gevolgd door de noordelijke regio met 141 burgerdoden. (…) <b>2.6.5 Regionale verdeling veiligheidsincidenten </b> De veiligheidssituatie verandert te snel om een goed overzicht van gevaarlijke gebieden te geven en dat is in dit ambtsbericht dan ook niet geprobeerd. Wel wordt in deze paragraaf in algemene termen over de veiligheidssituatie in verschillende delen van Afghanistan geschreven. (…) <i>Zuid (Helmand, Kandahar, Uruzgan en Zabul)</i>. De Taliban zijn een belangrijke machtsfactor in de provincies Helmand, Kandahar,Uruzgan en Zabul en hebben daarmee een grote invloed op het dagelijks leven van veel Afghanen in deze provincies. Buitenlandse en Afghaanse troepen hebben in het zuiden van Afghanistan gedurende de verslagperiode te maken gehad met zware (meestal asymmetrische) tegenstand van OMF. De provincie Helmand telde een hoog aantal aanslagen en een zeer sterke Taliban presentie. Ook in de provincie Kandahar vonden veel geweldsincidenten plaats. Het aantal aanslagen op burgers en politieagenten nam er toe. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid is in de provincie Zabul voor drie districten overgedragen aan het ANA. Ook in deze provincie is een toename van het aantal OMF aanvallen opgetekend.</small> 18. In de door verzoeker overgelegde informatie ziet de voorzieningenrechter geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het algemeen ambtsbericht, te meer nu de door verzoeker overgelegde informatie deels behoort tot de bronnen waarop het algemeen ambtsbericht is gebaseerd. 19. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat de provincie Uruzgan, gelet op het Algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van 2011, behoort tot de onveiligste gebieden van Afghanistan. Dat er in Uruzgan sprake is van een zeer zorgwekkende veiligheidssituatie maakt evenwel nog niet dat daarmee sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, aldus verweerder. 20. Verweerder heeft zich ter onderbouwing van het voorgaande blijkens het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat gebruik wordt gemaakt van methodes en tactieken van oorlogsvoering gericht op het maken van burgerslachtoffers en dat het gebruik van zulke methoden en/of tactieken wijdverspreid waren tussen de partijen van het conflict. 21. Ter onderbouwing van het standpunt dat in de provincie Uruzgan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, heeft verweerder zich gebaseerd op de aantallen dode, gewonde en ontheemde burgers afgezet tegen een totale bevolking in Afghanistan van circa 29,8 miljoen. Nu uit deze aantallen niet volgt dat in Afghanistan sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter door hun aanwezigheid aldaar een reeël risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, is in Uruzgan volgens verweerder, ofschoon sprake is van een zeer zorgwekkende veiligheidssituatie, evenmin sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. 22. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het besluit op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. Hiertoe wordt het volgende overwogen. 23. Uit de jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 26 januari 2010 (LJN: BL1483 en JV 2010/78), vloeit voort dat bij de toetsing aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, indien zich niet in alle delen van het desbetreffende land van herkomst een situatie als in die bepaling beschreven voordoet, moet worden bezien of zich in dat deelgebied een dermate hoge mate van willekeurig geweld voordoet in het kader van het aan de gang zijnde gewapend conflict, dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar dat gebied aldaar, louter door zijn aanwezigheid, een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige schade. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze jurisprudentie tevens geldt bij de beoordeling of verzoeker voor toelating in aanmerking komt op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000. 24. Nu verweerder in het midden heeft gelaten of in de onveiligste delen van Afghanistan sprake is van de situatie als hierboven bedoeld heeft verweerder niet kunnen volstaan met het standpunt als beschreven in rechtsoverweging 21. Verweerder had moeten beoordelen of in het specifieke deelgebied, waar de provincie Uruzgan ligt, sprake is van een uitzonderlijke situatie als hierboven bedoeld. Verweerder heeft de conclusie dat de veiligheidssituatie in de provincie Uruzgan zeer zorgwekkend is, maar dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat aldaar geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, daarom onvoldoende onderbouwd. De door verweerder genoemde cijfers met betrekking tot het aantal personen dat recentelijk is teruggekeerd naar Afghanistan maken dit niet anders. Ook deze cijfers hebben immers betrekking op het land als geheel en bieden derhalve geen inzicht in de veiligheidssituatie per regio. 25. Ook de verwijzing van verweerder ter zitting naar de uitspraak inzake Husseini v. Sweden (Application no. 10611/09) van 13 oktober 2011 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) doet aan het voorgaande naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet af. Verweerder heeft betoogd dat uit deze uitspraak volgt dat er in Afghanistan geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De voorzieningenrechter stelt vast dat het EHRM, voor zover relevant, het volgende heeft overwogen: <small>84. The Court considers there are no indications that the situation in Afghanistan is so serious that the return of the applicant thereto would constitute, in intself, a violation of Article 3 of the Convention. (…) <b>(
- e)Changed situation in Afghanistan</b> 95. The Court observes that the Government in their observations stressed that in the light of the Migration Board’s conclusion in December 2009, confirmed by various other sources, that at the relevant time there were impediments to enforcing expulsion orders to Ghazni province, the applicant would not be sent back to his village or province of origin. However, they found it possible and reasonable to expect the applicant to re-settle elsewhere in Afghanistan, for example, in Kabul or Mazar-e Sharif. The applicant disagreed and pointed out that he had no family or network left in Afghanistan to protect him. (…) 97. (…) The Court considers that as a precondition for relying on an internal flight alternative certain guarantees have to be in place: the person to be expelled must be able to travel to the area concerned, gain admittance and settle there, failing which an issue under Article 3 may arise, the more so if in the absence of such guarantees there is a possibility that the person expelled will find him or herself in a part of the country of origin where he or she may be subjected to ill-treatment. 98. In the present case, having regard inter alia to the Government’s submission (see § 95) and the UNHCR guidelines (see §§ 65 and 96), it appears that an internal relocation alternative is available to the applicant in Afghanistan. Moreover, the Court is not convinced by the applicant’s submission that no matter where in Afghanistan he were to re-settle he would be exposed to a real risk of being subjected to treatment proscribed by Article 3 of the Convention. <b>(
- f)Conclusion</b> 99. Having regard to the above, the Court finds that an implementation of the order to deport the applicant to Afghanistan would not give rise to a violation of Article 3 of the Convention.</small> 26. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de voorgaande rechtsoverwegingen, in onderlinge samenhang bezien, niet worden afgeleid dat het EHRM van oordeel is dat in geen enkel gebied in Afghanistan sprake is van een situatie als bedoel in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Uit de overweging in paragraaf 84 volgt niet meer dan dat het EHRM van oordeel is dat er geen indicaties zijn dat de situatie in geheel Afghanistan zo ernstig is dat de enkele terugkeer van verzoeker op zichzelf reeds een schending oplevert van artikel 3 van het EVRM. Deze overweging sluit echter niet uit dat de situatie in bepaalde delen van Afghanistan zodanig is dat de enkele terugkeer daar naartoe wel leidt tot een schending van artikel 3 EVRM. Aan de vraag of terugkeer van de betrokken vreemdeling naar de regio van herkomst tot een dergelijke schending zou leiden, komt het EHRM evenwel niet toe, nu het EHRM van oordeel is dat van de vreemdeling verlangd mocht worden dat hij zich elders in Afghanistan zou vestigen, bijvoorbeeld in Kabul of Mazar-e Sharif. Ook deze beroepsgrond slaagt. 27. Gelet op het vorenstaande ontbeert het besluit van 24 oktober 2011 een draagkrachtige motivering en is het daarmee genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen opnieuw te besluiten met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak. 28. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen. 29. Nu het beroep gegrond wordt verklaard acht de voorzieningenrechter termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 1311,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: • 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift; • 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift; • 1 punt voor het verschijnen ter zitting; • waarde per punt € 437,00; • wegingsfactor 1. <b>Beslissing</b> De voorzieningenrechter, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 24 oktober 2011; - bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; - veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1311,00; - wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. S.J.W.H. Potters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2011. <HR> <i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, hoger beroep instellen bij: Raad van State Afdeling bestuursrechtspraak Hoger beroep vreemdelingenzaken Postbus 20019 2500 EA Den Haag De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i> Afschriften verzonden: