RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch Sector bestuursrecht Zaaknummers: AWB 11/33526 (voorlopige voorziening) AWB 11/33523 (beroep) Uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 november 2011 inzake [verzoeker], geboren op [datum] 1986, nationaliteit Somalische, verblijvende te [plaats], verzoeker, gemachtigde mr. R. Bom, tegen de minister voor Immigratie en Asiel, te Den Haag, verweerder, gemachtigde mr. L. Verheijen. Procesverloop Bij besluit van 17 oktober 2011 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen, omdat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Verzoeker heeft op 18 oktober 2011 tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is behandeld ter zitting van 28 oktober 2011, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2. De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoeker in afwachting van de beslissing op beroep moet worden verboden. 3. Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter – indien hij van oordeel is dat na de zitting waarop het verzoek is behandeld, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak – onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter gewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaak. 4. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten en omstandigheden. 5. Op 15 september 2011 heeft verweerder de Zweedse autoriteiten verzocht om verzoeker terug te nemen op grond van Verordening (EG) 343/2003 (Vo 343/2003), nadat uit onderzoek in Eurodac was gebleken dat verzoeker vóór zijn komst naar Nederland in Zweden respectievelijk Denemarken een asielaanvraag had ingediend. De Zweedse autoriteiten hebben het verzoek om terugname afgewezen en daarbij aangegeven dat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Verweerder heeft hierop op 4 oktober 2011 de autoriteiten van Malta gevraagd om verzoeker terug te nemen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343/2003. De Maltese autoriteiten hebben op 6 oktober 2011 medegedeeld verzoeker te willen terugnemen op grond van artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn). Verweerder heeft vervolgens de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. 6. Verzoeker stelt dat hij nooit in Malta is geweest en dat Malta derhalve niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de behandeling van zijn asielverzoek. Hij is van mening dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten in Malta. 7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 8. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet afgewezen indien de vreemdeling op grond van een verdragsverplichting tussen Nederland en een ander land zal worden overgedragen aan dat land van eerder verblijf, terwijl dat land partij is bij het Vluchtelingenverdrag, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Anti-Folterverdrag), dan wel zich anderszins heeft verplicht artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Anti-Folterverdrag na te leven. 9. Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt de onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. 10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de aanvraag van verzoeker ten onrechte afgewezen met toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat volgens dit artikel sprake moet zijn van een vreemdeling die wordt overgedragen “op grond van een verdragsverplichting tussen Nederland en een ander land”. Nu Malta akkoord is gegaan met de overname van verzoeker op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van overdracht op grond van een verdragsverplichting. Het bestreden besluit is derhalve op dit punt onzorgvuldig gemotiveerd en komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb. 11. Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat hij nooit in Malta is geweest en dat Malta derhalve niet verantwoordelijk kan zijn voor de behandeling van zijn asielverzoek, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 12. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EG) 2725/2000 betreffende de instelling van "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (Vo 2725/2000), wordt in de centrale gegevensbank het referentienummer vastgelegd dat door de lidstaat van oorsprong is gebruikt. 13. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Verordening (EG) 407/2002 tot vaststelling van sommige uitvoeringsbepalingen voor Vo 2725/2000, voor zover hier van belang, moeten door middel van het referentienummer de gegevens ondubbelzinnig aan een persoon en aan de lidstaat die de gegevens toezendt kunnen worden gekoppeld. Het referentienummer begint met de kernletter(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.