beschikking RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rekestnummer: 369062 / HA RK 10-330 Beschikking van 8 december 2011 in de zaak van [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, advocaat mr. A.H.A. Kessels te Amsterdam, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen: de IND), zetelende te Den Haag, belanghebbende, vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer. 1.De procedure 1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit: - het op 30 juni 2010 ingekomen verzoekschrift, - de brieven van mr. Kessels van 6, 12 en 27 juli 2010, 30 november 2010, 19 januari 2011, 11 mei 2011 en 6 september 2011, - de brief van de IND van 10 augustus 2011. 1.2.De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Verzoeker is verschenen, vergezeld van mr. Kessels. Namens de IND is mr. Meijer verschenen. De officier van justitie heeft schriftelijk bericht geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting. 2.Het verzoek Verzoeker verzoekt de rechtbank vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. Hij voert daartoe aan dat hij op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] is geboren en op 18 juni 2001 is erkend door [A], van Nederlandse nationaliteit, en dat hij als gevolg van deze erkenning de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. 3.Het verweer De IND is van oordeel dat verzoeker niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Primair stelt de IND dat de erkenning van verzoeker een schijnhandeling betrof die (naast mogelijke financiële motieven) uitsluitend verkrijging van het Nederlanderschap ten behoeve van verzoeker tot doel had. Een dergelijke erkenning is in strijd met de Nederlandse openbare orde. Subsidiair stelt de IND dat de erkenning nietig is omdat de erkenner ten tijde van de erkenning van verzoeker niet bevoegd was een kind te erkennen aangezien hij gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van verzoeker. Meer subsidiair stelt de IND dat, indien de rechtbank van oordeel is dat het erkenningsverbod nuancering behoeft, verzoeker als gevolg van de erkenning op 18 juni 2001 de Nederlandse nationaliteit verkreeg. 4.De beoordeling 4.1.Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] (Suriname), als natuurlijk kind van [moeder van verzoeker] (verder te noemen: [moeder van verzoeker]). Bij zijn geboorte verkreeg verzoeker op grond van artikel 3 aanhef en onder c van de Surinaamse nationaliteitswet de Surinaamse nationaliteit. 4.2.Op 18 juni 2001 is verzoeker ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van het district Brokopondo (Suriname), gelijktijdig met vijf andere minderjarige kinderen van [moeder van verzoeker], erkend door [A] (verder te noemen: [A]), van Nederlandse nationaliteit. [A] is niet de biologische vader van verzoeker. Ten tijde van de erkenning was [A] gehuwd met [B], een dochter van [C] (zuster van [moeder van verzoeker]). Bij beschikking van 15 januari 2002 heeft de rechtbank Amsterdam [C] met ingang van 6 februari 2002 belast met de voogdij over verzoeker. 4.3.Bij vonnis van 13 februari 2007 heeft de kantonrechter te Paramaribo de betwisting door [D] (de biologische vader van verzoeker) van de erkenning van verzoeker door [A] gegrond verklaard. [A] is indertijd bij de zitting van de kantonrechter in Paramaribo in persoon verschenen en hij heeft het verzoekschrift, waarin onder meer is opgenomen dat de erkenningen zijn geschied om financiële redenen en met het oogmerk de Nederlandse nationaliteit voor de te erkennen kinderen te verkrijgen, niet weersproken. 4.4.Bij de beantwoording van de vraag of de in Suriname op 18 juni 2001 tot stand gekomen erkenning van verzoeker in Nederland kan worden erkend, dient de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, juncto artikel 9 van de Wet conflictenrecht afstamming (Wca) te beoordelen of de erkenning al dan niet in strijd is met de openbare orde. Die wet was in 2001 nog niet van kracht, maar geeft wel het toen geldende recht weer. Op grond van artikel 10, tweede lid, Wca, dient de erkenning wegens strijd met de openbare orde in elk geval te worden geweigerd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.