RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE nevenzittingsplaats Zwolle Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken Registratienummer: Awb 11/18398 Uitspraak in het geding tussen: [eiseres], geboren op [geboortedatum], van Surinaamse nationaliteit, IND dossiernummer [nummer], eiseres, gemachtigde mr. E.C. Gelok, advocaat te Amsterdam; en Minister voor Immigratie en Asiel als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie, (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door mr. L.H.C. de Vries, ambtenaar ten departemente, verweerder. 1. Procesverloop Op 21 december 2010 heeft eiseres een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘gezinshereniging bij dochter *’ ingediend. Bij besluit van 21 december 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 21 december 2010 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 3 mei 2011 ongegrond verklaard. Bij brief van 31 mei 2011 is daartegen beroep ingesteld. Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 27 juni 2011. Op 20 juli 2011, 22 juli 2011 en 16 augustus 2011 zijn nadere stukken ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is ter zitting van 4 oktober 2011 door een enkelvoudige kamer behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De rechtbank heeft de zaak vervolgens met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verwezen naar een meervoudige kamer. 2. Overwegingen 2.1 Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor zij een verblijfsvergunning heeft aangevraagd en zij daarvoor niet kan worden vrijgesteld. 2.2 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Artikel 3.71, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) bepaalt dat een dergelijke aanvraag in dat geval wordt afgewezen. Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, Vb 2000 kan de vreemdeling, van wie de uitzetting in strijd met artikel 8 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zou zijn, worden vrijgesteld van het vereiste van het beschikken over een geldige mvv. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft, voor zover thans van belang, een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 2.3 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is op onbekende datum naar Nederland gekomen, naar zij zelf stelt was dit in 1993. Op 13 december 2000 is haar dochter geboren. De dochter heeft de Surinaamse nationaliteit. Bij uitspraak van de kinderrechter van 13 augustus 2001 is de dochter onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst omdat eiseres kampte met alcohol- en drugsproblematiek en een zwervend bestaan leidde. Sedertdien heeft de dochter in verschillende pleeggezinnen en instellingen verbleven. Bij beschikking van 12 september 2007 is eiseres ontheven uit het ouderlijk gezag en is het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering belast met de voogdij over de dochter. Bij besluit van 12 november 2009 is de dochter een reguliere vergunning voor bepaalde tijd (twee jaar) onder de beperking 'verblijf conform beschikking Minister' verleend. Eiseres is altijd met de dochter in contact gebleven. Deze omgang is niet gericht op permanente terugkeer van de dochter bij eiseres. Eiseres is de enige beschikbare biologische ouder. De dochter was ten tijde van het bestreden besluit tien jaar oud. 2.4 Eiseres heeft, samengevat weergegeven, betoogd dat de weigering haar vrijstelling op grond van het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, onder l, Vb 2000 te verlenen in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat verweerder een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Zij stelt dat de belangenafweging in haar voordeel uit moet vallen omdat: a. verweerder ten onrechte haar criminele antecedenten ten nadele van haar heeft gewogen en b. verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van haar minderjarige dochter. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres zich beroepen op artikel 3, artikel 6, tweede lid en artikel 9 van het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: het IVRK) en de arresten van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak Rodrigues da Silva van 31 januari 2006 (JV 2006/90, LJN: AV3568) en de zaak Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011 (55597/09, JV 2011, 402) (hierna: het arrest Nunez). Daarbij heeft eiseres zich beroepen op diverse zich in het dossier bevindende stukken van instanties en professioneel betrokkenen met betrekking tot de situatie van de dochter. 2.5 De rechtbank overweegt als volgt. 2.6 Niet in geschil is dat tussen eiseres en de dochter sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. 2.7 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer de uitspraak van 23 maart 2007 (LJN: BA2163), wordt inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM aangenomen, indien een verblijfstitel wordt ontnomen die de desbetreffende vreemdeling feitelijk tot uitoefening van zijn privéleven of familie- of gezinsleven in Nederland in staat stelde. Niet in geschil is dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Niettemin kunnen zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, een positieve verplichting voor de staat voortvloeit om de vreemdeling verblijf hier te lande toe te staan. Dit volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM. Bij de beoordeling of het ontbreken van een geldige mvv kan worden tegengeworpen dient uit een op het concrete geval toegespitste belangenafweging te blijken dat de uitzetting van de vreemdeling verenigbaar is met artikel 8 van het EVRM. Bij deze beoordeling dient, zoals ook blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 oktober 2010 (LJN: BO2098), een volledige toets aan artikel 8 van het EVRM plaats te vinden. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM, onder meer het arrest van 25 april 2007, nr. 16351/03, Konstatinov tegen Nederland (JV 2007/251), dient bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven, ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting, een “fair balance” te worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM vloeit voort dat verweerder bij deze belangenafweging een zekere beoordelingruimte ("a certain margin of appreciation") toekomt. 2.8 Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit doorslaggevend gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiseres nimmer een verblijfstitel heeft gehad die het uitoefenen van familie- en gezinsleven hier te lande mogelijk maakt en aan de omstandigheid dat de openbare orde in het geding is. Volgens verweerder dienen de door eiseres in het verleden gemaakte keuzes dan ook voor haar verantwoordelijkheid te komen. 2.9 Met betrekking tot de beroepsgrond als hiervoor genoemd onder rechtsoverweging 2.4. sub a acht de rechtbank het terecht dat verweerder ten nadele van eiseres heeft meegewogen dat zij verschillende malen vanwege misdrijven is veroordeeld. Aan dit oordeel doet niet af dat eiseres deze veroordelingen achteraf betreurt en zij zich sinds 2009 niet meer aan enig strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. De rechtbank volgt hierbij het standpunt van verweerder dat het gaat om recidive. Dat de strafbare feiten zijn gerelateerd aan de verslavingsproblematiek van eiseres brengt niet mee dat het algemeen belang dat gediend is met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten moet wijken voor het belang van eiseres om hier ten lande haar gezinsleven met de dochter te onderhouden. Hier doet het betoog van eiseres, waarin zij stelt dat zij hard werkt haar verslavingsprobleem op te lossen, niet aan af. 2.10 Met betrekking tot de beroepsgrond als hiervoor genoemd onder rechtsoverweging 2.4. sub b overweegt de rechtbank als volgt. 2.10.1 Verweerder heeft zich voor wat betreft het beroep van eiseres op de artikelen 3 en 9 van het IVRK op het standpunt gesteld dat, voor zover deze artikelen al een direct toepasbare norm inhouden, dit beroep faalt, omdat het bestreden besluit geen beslissing is die het kind zelf betreft en eiseres zich reeds hierom niet op deze artikelen van het IVRK kan beroepen. 2.10.2 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind een eerste overweging. 2.10.3 De rechtbank volgt verweerder niet in diens stelling dat het beroep van eiseres op de artikelen 3 en 9 van het IVRK faalt omdat het bestreden besluit geen besluit is dat de dochter, maar eiseres betreft. Zoals blijkt uit de Nota van Toelichting bij de wet tot ratificering van het IVRK (TK 1992-1993, 22855, (R1451), nr. 3, pagina 15) zijn de bepalingen van het IVRK van toepassing op alle kinderen die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden. Uit artikel 3 van het IVRK volgt dat "bij alle maatregelen", zo ook voor vreemdelingrechtelijke besluiten die een kind rechtstreeks raken, geldt dat op grond van het IVRK het belang van het kind een eerste overweging moet vormen. 2.10.4 Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag op welke wijze verweerder met het door eiseres gedane beroep op artikelen van het IVRK rekening dient te houden met de belangen van de dochter. 2.10.5 Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2007 (LJN: AZ9524) overweegt de rechtbank dat uit deze uitspraak volgt dat de Afdeling de woorden "de eerste overweging" in artikel 3, eerste lid, van het IVRK, mede in aanmerking genomen de bewoordingen in de Engelse versie -"a primary consideration"- zo verstaat dat het belang van het kind een eerste overweging is, maar ruimte geeft voor het zwaarder laten wegen van andere belangen. De Afdeling verwijst hierbij naar haar uitspraak van 13 september 2005 in zaak onder nummer 200507132/1, AB 2005, 429, waarin zij heeft overwogen dat deze verdragsbepaling, gelet op haar formulering, geen norm bevat die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet- en regelgeving. Uit de uitspraak van 22 februari 2011 van de Afdeling (LJN: BP5932) volgt dat voor zover artikel 3 van het IVRK al een direct toepasbare norm inhoudt, deze geen verdere strekking heeft dan dat bij procedures rekening moet worden gehouden met belangen van daarbij betrokken kinderen. 2.10.6 De rechtbank overweegt dat bijvoorbeeld uit de arresten van het EHRM in de zaak Maslov tegen Oostenrijk van 23 juni 2008, EHRC 2008, 9, JV 2008, 267 (hierna: het arrest Maslov) en het arrest Nunez blijkt dat het EHRM het IVRK weliswaar niet rechtstreeks toepast, maar het IVRK gebruikt als interpretatiemiddel voor de rechten die in het EVRM zijn neergelegd. In het geval van toetsing aan artikel 8 van het EVRM dienen hierbij de “best interests of the child” eveneens in de belangenafweging te worden betrokken. Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 82 in het arrest Maslov: “ (...)The Court's case-law under Article 8 has given consideration to the obligation to have regard to the best interests of the child in various contexts (for instance in the field of child care; see Scozzari and Giunta v. Italy [GC], nos. 39221/98 and 41963/98, § 148, ECHR 2000-VIII), including the expulsion of foreigners (see Üner, cited above, § 58). In Üner the Court had to consider the position of children as family members of the person to be expelled. It underlined that the best interests and well-being of the children, in particular the seriousness of the difficulties which any children of the applicant were likely to encounter in the country to which the applicant was to be expelled, was a criterion to be taken into account when assessing whether an expulsion measure was necessary in a democratic society. […]. In this connection the Court observes that European Union law also provides for particular protection of minors against expulsion (see paragraph 41 above, Article 28 § 3(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.