RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector strafrecht Parketnummer: 09/997126-09 (Promis) Datum uitspraak: 23 december 2011 TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Wetboek van Strafvordering) VONNIS van de rechtbank 's-Gravenhage, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE tegen: [verdachte X], geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]. 1. Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 november 2011 en 12 december 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.A.W. Mol en P. van de Kerkhof en van hetgeen door de raadslieden van verdachte mrs. D.R. Doorenbos en G. Spong, advocaten te Amsterdam, die op de voet van artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) door verdachte tot zijn verdediging zijn gemachtigd, naar voren is gebracht. 2. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat 1. Maatschap [maatschap] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2003 tot en met 31 maart 2006 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) geschriften (bedrijfsadministratie) die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen (telkens) opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen, hebbende genoemde rechtspersoon en/of haar mededader(
- s)toen daar (telkens) opzettelijk in de bedrijfsadministratie van Maatschap [maatschap], zijnde (telkens) een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, (telkens) A.) (een) valse en/of vervalste (order)bon(nen) en/of (een) valse en/of vervalste factu(u)r(
- en)en/of (een) valse en/of vervalste rekening(
- en)te weten 1. een bon op naam van [bedrijf 1] gedateerd 1 februari 2003 gericht aan [maatschap] totaal euro 624,50 (inclusief 99,71 btw) (bijlage D/198) en/of 2. een factuur op naam van [bedrijf 2] gedateerd 10 juli 2003 gericht aan [maatschap] t.a.v. de heer [medeverdachte Z] totaal euro 3.062,47 (btw euro 488,97) (bijlage D-86-
- c)en/of 3. een factuur op naam van [bedrijf 3]. gedateerd 3 oktober 2003 gericht aan [maatschap] totaal euro 3.240,00 (btw euro 517,31) (bijlage D-199) en/of 4. een factuur op naam van [bedrijf 4] gedateerd 31 oktober 2003 gericht aan [maatschap], De heer [verdachte] totaal euro 1.571,75 (btw euro 250,95) (bijlage D-234) en/of 5. een factuur op naam van [bedrijf 2] gedateerd 5 februari 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. de heer [medeverdachte Z] totaal euro 2.270,52 (btw euro 362,52) (bijlage D/081 A) en/of 6. een factuur op naam van [bedrijf 5]. gedateerd 3 maart 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. de heer [verdachte] totaal euro 277,27 (btw euro 44,27) (bijlage D-205) en/of 7. een factuur op naam van [bedrijf 6] gedateerd 22 maart 2004 gericht aan [maatschap] totaal euro 3.165,40 (btw euro 505,40) (bijlage D-134 A) en/of 8. een rekening op naam van [bedrijf 7] gedateerd 6 april 2004 gericht aan [maatschap] totaal euro 123,75 (btw euro 19,76) (bijlage D/009-1 A) en/of 9. een rekening op naam van [bedrijf 7] gedateerd 1 april 2004 gericht aan [maatschap], mevrouw [mevrouw A] totaal euro 626,75 (btw euro 100,07) (bijlage D/003-1 A) en/of 10. een rekening op naam van [bedrijf 7] gedateerd 19 april 2004 gericht aan [maatschap], mevrouw [mevrouw A] totaal euro 768,51 (btw euro 122,70) (bijlage D/006-1 A) en/of 11. een factuur op naam van [bedrijf 8] gedateerd 12 juni 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. mevrouw [medeverdachte Y] totaal euro 681,00 (btw euro 108,73) (bijlage D/088-
- a)en/of 12. een factuur op naam van [bedrijf 9] gedateerd 17 augustus 2004 gericht aan [maatschap] totaal euro 2.462,11 (btw euro 393,11) (bijlage D/029-
- a)en/of 13. een factuur op naam van [bedrijf 10] gedateerd 21 augustus 2004 gericht aan [maatschap] totaal euro 305,00 (btw euro 48,70) (bijlage D/212) en/of 14. een factuur op naam van [bedrijf 11] gedateerd 24 september 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. Mr. [medeverdachte Y] totaal euro 1.070,00 (btw euro 170,84) (bijlage D/035 B) en/of 15. een factuur op naam van [bedrijf 11] gedateerd 5 november 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. Mr. [medeverdachte Y] totaal euro 880,58 (btw euro 140,60) (bijlage D/038 A) en/of 16. een factuur op naam van [bedrijf 12] gedateerd 13 december 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. de heer [verdachte] totaal euro 2.380,00 (btw euro 380,00) (bijlage D/227) en/of 17. een factuur op naam van [bedrijf 12] gedateerd 13 december 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. mevrouw [medeverdachte Y] totaal euro 2.380,00 (btw euro 380,00) (bijlage D/226) en/of 18. een factuur op naam van [bedrijf 11] gedateerd 31 maart 2005 gericht aan [maatschap], t.a.v. Mr. [medeverdachte Y] totaal euro 407,12 (btw euro 65,00) (bijlage D/047-1 A) en/of 19. een factuur op naam van [bedrijf 2] gedateerd 31 maart 2005 gericht aan [maatschap] T.a.v. de heer [medeverdachte Z] totaal euro 4.727,87 (btw euro 754,87) (bijlage D-83-
- c)en/of 20. een factuur op naam van [bedrijf 13] gedateerd 21 juli 2005 gericht aan [maatschap] totaal euro 1.342,20 (btw euro 214,30) (bijlage D/120 A) en/of 21. een orderbon op naam van [bedrijf 14] gedateerd 31 augustus 2005 gericht aan [maatschap] t.a.v. de heer [verdachte] totaal euro 570,00 (btw euro 91,01) (bijlage D/220) en/of 22. een factuur op naam van [bedrijf 15] gedateerd 27 september 2005 gericht aan [maatschap] T.a.v. de heer [verdachte] totaal euro 4.159,23 (btw euro 664,08) (bijlage D-057 A) en/of 23. een factuur op naam van [bedrijf 15] gedateerd 24 november 2005 gericht aan [maatschap] T.a.v. mevrouw [medeverdachte Y] totaal euro 2.510,00 (btw euro 400,76) (bijlage D-063 A) en/of 24. een factuur op naam van [bedrijf 15] gedateerd 28 december 2005 gericht aan [maatschap] T.a.v. mevrouw [medeverdachte Y] totaal euro 1.278,14 (btw euro 204,08) (bijlage D-066 A) en/of 25. een factuur op naam van [bedrijf 15] gedateerd 31 januari 2006 gericht aan [BV] B.V. T.a.v. mevrouw [medeverdachte Y] totaal euro 921,17 (btw euro 147,08) (bijlage D-069 A) en/of 26. een factuur op naam van [bedrijf 15] gedateerd 10 maart 2006 gericht aan [BV] B.V. T.a.v. mevrouw [medeverdachte Y] totaal euro 4.277,17 (btw euro 682,93) (bijlage D-072 A), en/of B. (een) valse en/of vervalste boekingen op/in de/het grootboek(rekening) "te vorderen BTW hoog" (totaal euro 6.896,30 (AH-57 Bijlage 9), althans euro 6.434,34 (OPV-A Bijlage 2), in elk geval een of meerdere geldbedrag(
- en)(aan te vorderen btw)) opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of doen boeken en/of doen verwerken door (een) ander(en), bestaande die valshe(i)d(
- en)en/of vervalsing(
- en)onder ad A.) genoemd (telkens) hierin -zakelijk weergegeven- dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid --op/in die (order)bon(nen) en/of factu(u)r(
- en)en/of rekening(
- en)door de vermelding en/of adressering [maatschap] en/of [adres] en/of [nummer[ en/of [nummers] en/of Den Haag werd voorgedaan dat [maatschap], gevestigd op het adres [adres] te Den Haag afneemster was van de geleverde goederen en/of verrichte diensten, terwijl in werkelijkheid de levering(
- en)plaatsvond(
- en)en/of dienst(
- en)verricht was / waren / werd(
- en)op / aan het / de adres(sen) / woning(
- en)/ appartement [adres Z] (woning [medeverdachte Z]) en/of [adres woning verdachte] (woning [verdachte]) en/of [adres appartement verdachte] (appartement [verdachte]) en/of [adres medeverdachte Y] (woning [medeverdachte Y]), en/of [medeverdachte Z] (1. en/of 2. en/of 5. en/of 19.) en/of [verdachte] (3. en/of 4. en/of 6. en/of 12. en/of 13. en/of 16. en/of 20. en/of 21. en/of 22.) en/of [medeverdachte Y] (7. en/of 8. en/of 9. en/of 10. en/of 11. en/of 14. en/of 15. en/of 17. en/of 18. en/of 23. en/of 24. en/of 25. en/of 26.) de afne(e)m(st)er(
- s)van de/het geleverde goed(eren) en/of de verrichte dienst(
- en)betrof(fen), in elk geval was [maatschap] niet de afnemer van de/het geleverde goed(eren) of van de verrichte dienst(en), en/of --op/in de onder 7. genoemde factuur was opgenomen en/of vermeld "Betreft: DA/[adres] te Den Haag", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op "het aanpassen van de cv-installatie t.b.v. het pand aan de [adres medeverdachte Y]", en/of --op/in de onder 15. genoemde factuur was opgenomen en/of vermeld als omschrijving "Div. kantoorverlichting", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op "gordijnen" (voor de woning [adres medeverdachte Y]), en/of --op/in de onder 18. genoemde factuur was opgenomen en/of vermeld als omschrijving "Geleverde verlichting", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op gordijnstof (6 mtr Saba 1-6244-261) en/of een embrasse (voor de woning [adres medeverdachte Y]), en/of --op/in de onder 22. genoemde factuur als "project" was opgenomen en/of vermeld "advies herinrichting", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op het "project" "Renovatie appartement" ([adres appartement verdachte]), en/of bestaande die valshe(i)d(
- en)en/of vervalsing(
- en)onder ad B.) genoemd (telkens) hierin dat die/dat aftrek van voorbelasting en/of (te vorderen) btw-bedrag(
- en)geen betrekking had(den) op verschuldigde belasting ter zake van leveringen van goederen en/of verleende diensten aan genoemde Maatschap [maatschap], (in werkelijkheid betrof(fen) dit voorbelasting en/of btw-bedrag(
- en)gefactureerd en/of in rekening gebracht aan [medeverdachte Z] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte Y], (in privé, in elk geval niet als ondernemer)), zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken en/of door ander(
- en)te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(
- en)opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en); 2. Maatschap [maatschap] op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2003 tot en met 30 april 2006 te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(
- n)voor de omzetbelasting ten name van Maatschap [maatschap] (fiscaal nummer [nummer]) betreffende het/de aangiftetijdvak(ken) februari 2003 en/of juli 2003 en/of oktober 2003 en/of januari 2004 en/of februari 2004 en/of maart 2004 en/of april 2004 en/of mei 2004 en/of juni 2004 en/of juli 2004 en/of augustus 2004 en/of september 2004 en/of oktober 2004 en/of november 2004 en/of december 2004 en/of maart 2005 en/of juli 2005 en/of augustus 2005 en/of september 2005 en/of november 2005 en/of december 2005 en/of februari 2006 en/of maart 2006, in elk geval betreffende een of meer aangiftetijdvak(ken) gelegen in bovengenoemde periode, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of laten doen door (een) ander(en), immers heeft/hebben genoemde Maatschap [maatschap] en/of haar mededader(
- s)op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangifte(
- n)/ aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(
- en)doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat/die feit(
- en)er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(
- en)opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en); Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: Hij op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2003 tot en met 30 april 2006 te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met de Maatschap [maatschap] en/of (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(
- n)voor de omzetbelasting ten name van Maatschap [maatschap] (fiscaal nummer [nummer]) betreffende het/de aangiftetijdvak(ken) februari 2003 en/of juli 2003 en/of oktober 2003 en/of januari 2004 en/of februari 2004 en/of maart 2004 en/of april 2004 en/of mei 2004 en/of juni 2004 en/of juli 2004 en/of augustus 2004 en/of september 2004 en/of oktober 2004 en/of november 2004 en/of december 2004 en/of maart 2005 en/of juli 2005 en/of augustus 2005 en/of september 2005 en/of november 2005 en/of december 2005 en/of februari 2006 en/of maart 2006, in elk geval betreffende een of meer aangiftetijdvak(ken) gelegen in bovengenoemde periode, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of laten doen door (een) ander(en), immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(
- s)op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangifte(
- n)/ aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(
- en)doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat/die feit(
- en)er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven; meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2003 tot en met 30 april 2006 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) (digitale) aangifte(
- n)voor de omzetbelasting ten name van Maatschap [maatschap] (fiscaal nummer [nummer]) betreffende het/de aangiftetijdvak(ken) februari 2003 en/of juli 2003 en/of oktober 2003 en/of januari 2004 en/of februari 2004 en/of maart 2004 en/of april 2004 en/of mei 2004 en/of juni 2004 en/of juli 2004 en/of augustus 2004 en/of september 2004 en/of oktober 2004 en/of november 2004 en/of december 2004 en/of maart 2005 en/of juli 2005 en/of augustus 2005 en/of september 2005 en/of november 2005 en/of december 2005 en/of februari 2006 en/of maart 2006, in elk geval betreffende een of meer aangiftetijdvak(ken) gelegen in bovengenoemde periode, zijnde (een) geschrift(
- en)dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(
- s)toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in dat/die (digitale) aangifte(
- n)voor de omzetbelasting (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(
- en)doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 3. [BV2 van verdachte] en/of [BV1 van verdachte] (welke rechtspersonen deel uit maakten van de fiscale eenheid [BV2 van verdachte] (fiscaal nummer [nummer])) op of omstreeks 24 mei 2006 en/of 27 april 2007, in elk geval op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 mei 2006 tot en met 27 april 2007, te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar en/of met (een) ander(en), althans genoemde rechtspersoon alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(
- n)Vennootschapsbelasting ten name van (de fiscale eenheid) [BV2 van verdachte] (fiscaal nummer [nummer]) over de/het ja(a)r(
- en)2004 (boekjaar 01-2004 - 12-2004) en/of 2005 (boekjaar 01-2005 - 12-2005) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of laten doen door ((een) medewerk(st)er(
- s)van) [belastingadviseurs] B.V., in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben genoemde rechtsperso(o)n(
- en)en/of haar/hun mededader(
- s)op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangifte(
- n)/ aangiftebiljet(ten) voor de Vennootschapsbelasting (telkens) geen bedrag aan "aan dividend(belasting) onderworpen winstuitdeling" en/of (telkens) een te laag belastbaar bedrag opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(
- en)doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat/die feit(
- en)er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(
- en)opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en); Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 24 mei 2006 en/of 27 april 2007, in elk geval op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 mei 2006 tot en met 27 april 2007, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) (digitale) aangifte(
- n)voor de Vennootschapsbelasting ten name van (de fiscale eenheid) [BV2 van verdachte] (fiscaal nummer [nummer]) over de/het ja(a)r(
- en)2004 (boekjaar 01-2004 - 12-2004) en/of 2005 (boekjaar 01-2005 - 12-2005) zijnde (een) geschrift(
- en)dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(
- s)van) [belastingadviseurs] B.V., in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(
- s)toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in dat/die (digitale) aangifte(
- n)voor de Vennootschapsbelasting (telkens) geen bedrag aan "aan dividend(belasting) onderworpen winstuitdeling" en/of (telkens) een te laag belastbaar bedrag geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(
- en)doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 4. hij op of omstreeks 7 juni 2005 en/of 1 mei 2006,in elk geval op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 juni 2005 tot en met 1 mei 2006, te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(
- n)Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen ten name van hem, verdachte, ([verdachte]) (burgerservicenummer [nummer]) over de/het (belasting)ja(a)r(
- en)2004 en/of 2005, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of laten doen door ((een) medewerk(st)er(
- s)van) [belastingadviseurs] B.V., in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(
- s)op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangifte(
- n)/ aangiftebiljet(ten) voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen (telkens) geen "inkom(st)en uit aanmerkelijk belang" en/of (telkens) een te laag verzamelinkomen en/of een te laag belastbaar bedrag opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(
- en)doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat/die feit(
- en)er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven; Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 7 juni 2005 en/of 1 mei 2006, in elk geval op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 februari 2005 tot en met 1 mei 2006, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) (digitale) aangifte(
- n)voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen ten name van hem, verdachte, ([verdachte]) (burgerservicenummer [nummer]) over de/het (belasting)ja(a)r(
- en)2004 en/of 2005, zijnde (een) geschrift(
- en)dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(
- s)van) [belastingadviseurs] B.V., in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(
- s)toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in dat/die (digitale) aangifte(
- n)voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen (telkens) geen "inkom(st)en uit aanmerkelijk belang" en/of (telkens) een te laag verzamelinkomen en/of een te laag belastbaar bedrag geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(
- en)doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 5. Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van juli 2005 tot en met oktober 2005, te Zoeterwoude en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) factu(u)r(
- en)ten name van [bedrijf 16] te weten 1. een factuur ten name van [bedrijf 16] d.d. 30 september 2005 factuurnummer 20050771 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 5.605,50 (btw euro 895) (bijlage D/165 A) en/of 2. een factuur ten name van [bedrijf 16] d.d. 28 juli 2005 factuurnummer 20050562 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 5.605,50 (btw euro 895) (bijlage D/168) en/of 3. een factuur ten name van [bedrijf 16] d.d. 23 augustus 2005 factuurnummer 20050604 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 5.605,50 (btw euro 895) (bijlage D/170) en/of 4. een factuur ten name van [bedrijf 16] d.d. 13 september 2005 factuurnummer 20050670 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 8.258,99 (btw euro 1.318,67) (bijlage D/171), zijnde (een) geschrift(
- en)dat/die bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(
- s)van) [bedrijf 16], in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(
- s)toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in die factu(u)r(
- en)door vermelding en/of het doen vermelden van [maatschap], (T.a.v. De Administratie), [postadres] Den Haag voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van geleverde goederen en/of verrichte diensten en/of geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(
- en)doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden, --als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap] (T.a.v. De Administratie) en/of --als Project: [maatschap] ([verdachte]), terwijl in werkelijkheid de levering(
- en)plaatsvond(
- en)en/of dienst(
- en)verricht was/waren/werd(
- en)op/aan het adres/de woning/appartement [adres woning verdachte], en/of het project "Appartement [verdachte]" betrof en/of hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van de/het geleverde goed(eren) en/of de verrichte dienst(
- en)betrof, in elk geval was [maatschap] niet de afnemer van de/het geleverde goed(eren) of van de verrichte dienst(en), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 6. Hij op of omstreeks 7 november 2005, in elk geval in of omstreeks de maand november 2005, te Leimuiden en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een factuur ten name van [bedrijf 13] d.d. 7 november 2005 factuurnummer 40502235 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 2.717,96 (btw euro 433,96) (bijlage D/019-1 A), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(
- s)van) [bedrijf 13] B.V., in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(
- s)toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in die factuur door vermelding en/of het doen vermelden van [maatschap], [postadres] voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van geleverde goederen en/of verrichte diensten en/of geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(
- en)doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden, --als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap] en/of --als omschrijving Verlichting, terwijl in werkelijkheid de levering van een (lamp) "Pallucco type Fortuny zwart" plaatsvond op/aan het adres/de woning/appartement [adres woning verdachte] en/of hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van het geleverde goed en/of de verrichte dienst betrof, in elk geval was [maatschap] niet de afnemer van het geleverde goed of van de verrichte dienst, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 7. Hij op of omstreeks 19 juli 2005, in elk geval in of omstreeks de periode van 19 juli 2005 tot en met 2 augustus 2005, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een factuur ten name van [bedrijf 15] d.d. 19 juli 2005 factuurnummer 2005104 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 3.847,58 (btw euro 614,33) (bijlage D/054 A), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(
- s)van) [bedrijf 15] B.V., in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(
- s)toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in die factuur door vermelding en/of het doen vermelden van [maatschap], T.a.v. de heer [verdachte], [adres], voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van geleverde goederen en/of verrichte diensten en/of geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(
- en)doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden, --als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap] en/of --project: advies herinrichting terwijl in werkelijkheid de levering plaatsvond en/of de dienst werd verricht op/aan het adres/de woning/appartement [adres appartement verdachte] en/of het project in de projectenadministratie van [bedrijf 15] B.V. was opgenomen als "Renovatie appartement" en/of hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van de/het geleverde goed(eren) en/of de verrichte dienst(
- en)betrof, in elk geval was [maatschap] niet de afnemer van de/het geleverde goed(eren) of van de verrichte dienst(en), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 8. hij op of omstreeks 31 oktober 2005, in elk geval in of omstreeks de periode van 31 oktober 2005 tot en met 5 december 2005, te Poeldijk en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,een factuur ten name van [bedrijf 17] d.d. 31 oktober 2005 factuurnummer 05-01050-2 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 2.542,44 (btw euro 405,94) (bijlage D/127 A), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(
- s)van) [bedrijf 17] B.V., in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(
- s)toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in die factuur door vermelding en/of het doen vermelden van [maatschap], T.a.v. de heer [verdachte], [adres], voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van geleverde goederen en/of verrichte diensten en/of geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(
- en)doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden, --als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap] en/of --Nota geleverd en geplaatst glas Adres : [adres] Plaats : Den Haag en/of --als omschrijving "Voor u verzorgd, het leveren en plaatsen van glas en diverse schilderwerkzaamheden op bovengenoemd adres", terwijl in werkelijkheid de levering plaatsvond en/of de dienst werd verricht op/aan het adres/de woning [adres woning verdachte] (te weten het plaatsen van een douchewand in de kinderbadkamer en/of het plaatsen van een douchecabine in de ouderbadkamer) en/of hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van de/het geleverde goed(eren) en/of de verrichte dienst(
- en)betrof, in elk geval was [maatschap] niet de afnemer van de/het geleverde goed(eren) of van de verrichte dienst(en), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. 3. De voorvragen Geldigheid van de dagvaarding De verdediging heeft betoogd dat de cumulatief ten laste gelegde valsheid met betrekking tot de aftrek van voorbelasting en/of te vorderen btw-bedragen (feit 1 onder B) onbegrijpelijk is en dat de dagvaarding daarom op dit punt (partieel) nietig dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat niet duidelijk is welke geschriften de steller van de tenlastelegging op het oog heeft gehad. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. De tenlastelegging van dit feit is, zo blijkt uit de bewoordingen daarvan, toegespitst op - kort gezegd - het door de maatschap [maatschap] al dan niet samen met een of meer anderen telkens valselijk opmaken en/of vervalsen en/of valselijk doen opmaken en/of doen vervalsen van de bedrijfsadministratie van die maatschap, waartoe verdachte samen met een of meer anderen telkens opdracht heeft gegeven of aan welke verboden gedragingen verdachte samen met een of meer anderen telkens feitelijk leiding heeft gegeven. Hetgeen ter uitvoering daarvan is verricht, bestaat uit het in die bedrijfsadministratie opnemen en/of boeken en/of verwerken en/of doen opnemen en/of doen boeken van de onder A genoemde valse en/of vervalste (order)bonnen, valse en/of vervalste facturen en/of valse en/of vervalste rekeningen en van de onder B genoemde op die valse en/of vervalste (order)bonnen, valse en/of vervalste facturen en/of valse en/of vervalste rekeningen gebaseerde valse en/of vervalste boekingen op/in de/het van die bedrijfsadministratie deeluitmakende grootboek(rekening) "te vorderen btw hoog". Derhalve geeft die tenlastelegging van feit 1 een voldoende duidelijke en begrijpelijke omschrijving van hetgeen verdachte daarin wordt verweten. Bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisneming van de zaak. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging De rechtbank stelt voorop dat de officier van justitie "dominus litis" is. Het is dan ook de officier die de beslissing over een vervolging neemt, een beslissing die niet aan directe toetsing door de rechtbank voorligt. Wel dient de rechtbank - in het kader van de beslissing over de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging - te beoordelen of door de officier van justitie geen beginselen van een goede procesorde zijn geschonden, waardoor niet-ontvankelijkverklaring in de vervolging om die reden moet volgen. Door de verdediging is in dat kader aangevoerd dat het openbaar ministerie inbreuk heeft gemaakt op het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. De rechtbank zal de gevoerde verweren hieronder bespreken. ATV-richtlijnen * Zijn de ATV richtlijnen van 2006 of van 2010 van toepassing? Door de verdediging is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging, omdat de vervolging in strijd is met de op 1 januari 2010 geldende en gepubliceerde beleidsregels en daarmee in strijd met de beginselen van behoorlijk strafprocesrecht (vertrouwensbeginsel, verbod van willekeur, beginsel van redelijke en billijke belangenafweging). De beleidsregels waarop de verdediging zich beroept, zijn de Aanmeldings- Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, douane- en toeslagdelicten 2010 (hierna ook: de ATV-richtijnen 2010). Onder verwijzing naar artikel 15 IVBPR en jurisprudentie van de Hoge Raad1 stelt de verdediging zich op het standpunt dat het openbaar ministerie de strafvervolging van verdachte ten onrechte heeft gebaseerd op de oude richtlijnen Aanmeldings- Transactie- en Vervolgingsrichtljnen voor fiscale delicten en douanedelicten 2006 (hierna ook: de ATV- richtlijnen 2006). Beide versies van de richtlijnen geven een beschrijving van de wijze waarop de belastingdienst en het openbaar ministerie aanmeldingen in zaken waarop de richtlijnen betrekking hebben selecteren, met de bedoeling de inzet van het strafrecht in fiscale zaken te concentreren op zaken die een maatschappelijk effect hebben, met als gevolg dat zaken met minder of geen maatschappelijk effect vaker bestuurlijk zullen worden afgedaan. Uit die beschrijving valt een systeem af te leiden dat, kort samengevat en voor zover in dit geval van belang, op het volgende neerkomt; Fase 1: aanmelding Ambtenaren van de belastingdienst melden zaken aan bij de boete- fraudecoördinator, indien daarin een drempelbedrag aan fiscaal nadeel is overschreden. In de ATV-richtlijnen 2006 bedraagt de drempel € 6.000 voor particulieren en € 12.500 voor ondernemers, in de ATV-richtlijnen 2010 € 10.000 respectievelijk € 15.000. Indien voor tenminste het drempelbedrag sprake is van opzet draagt de boete-fraudecoördinator de zaak voor in het selectieoverleg. Fase 2: selectieoverleg In deze fase wordt, nadat is vastgesteld dat een aangemelde zaak inderdaad het drempelbedrag overschrijdt, voor wat betreft zaken waarin een bepaald fiscaal nadeel niet wordt overschreden (€ 125.000) nagegaan of zich enig bijzonder aspect voordoet. Is dat niet het geval, dan wordt de zaak terugverwezen naar de belastingdienst voor bestuurlijke afdoening. Zo ja, dan wordt de zaak doorverwezen naar het tripartiete overleg. Als bijzonder aspect geldt (onder meer) dat het gaat om personen met een voorbeeldfunctie, zoals rechters, advocaten, adviseurs, notarissen, bankiers en effectenhandelaars. Fase 3: tripartiete overleg In dit overleg, waarvan de officier van justitie deel uitmaakt, wordt beslist of door het selectieoverleg verwezen zaken in aanmerking komen voor een strafrechtelijke dan wel een bestuurlijke afdoening. Bij die keuze spelen zowel de hoogte van het fiscale nadeel als mogelijke bijzondere aspecten een rol. De ATV-richtlijnen 2010 vermelden dat voor zaken die voorafgaande aan de datum van inwerkingtreden van die richtlijnen (1 januari 2010) waren aangemeld, de ATV richtlijnen 2006 hun geldigheid behouden. Op basis van die bepaling hebben - zo hebben de officieren van justitie ter terechtzitting verklaard - de belastingdienst en het openbaar ministerie de ATV-richtlijnen 2006 toegepast en is in het tripartiete overleg besloten de zaak voor strafrechtelijke afdoening in aanmerking te brengen, aangezien het in die richtlijnen genoemde drempelbedrag is overschreden, sprake is van opzet en zich bovendien een bijzonder aspect voordoet, te weten de omstandigheid dat verdachte het beroep van advocaat uitoefent. Het onderhavige verweer is door de verdediging ook als preliminair verweer gevoerd ter terechtzitting van 28 november 2011. De rechtbank heeft in haar voorlopig oordeel overwogen dat in het licht van het internationaal recht en de doorwerking daarvan in het nationale recht verdedigbaar is dat de ATV-richtlijnen van 2010 van toepassing zijn, nu deze in beginsel gunstiger uitpakken voor verdachte en de medeverdachten dan de ATV-richtlijnen 2006. Het onderzoek ter terechtzitting en nader beraad in raadkamer heeft de rechtbank echter thans tot een ander oordeel geleid. Zij overweegt daartoe als volgt. Bij de ATV-richtlijnen gaat het in de kern om de beleidsmatige invulling van het opportuniteitsbeginsel met betrekking tot de vervolging van fiscale delicten door het openbaar ministerie. De Hoge Raad2 heeft de ATV-richtlijnen niet aangemerkt als algemeen verbindende voorschriften, maar wel als recht in de zin van art. 79 Wet op de Rechterlijke Organisatie. (Wet RO). De ATV-richtlijnen betreffen derhalve formeel recht. Om deze reden is het door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad3 niet relevant. In r.o. 3.6.1 van dit arrest formuleert de Hoge Raad immers een aangescherpt criterium (het niet meer toetsen aan de vraag of sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever) wat betreft veranderingen in regels van sanctierecht (door de Hoge Raad gedefinieerd als "regels, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen"). De rechtbank is van oordeel dat de ATV-richtlijnen - beleidsregels met betrekking tot (de voorselectie bij) het vervolgingsbeleid van het OM - niet als regels van sanctierecht kunnen worden aangemerkt. De ATV-richtlijnen vallen evenmin binnen de in r.o. 3.6.2 van het arrest omschreven categorie (waarvoor toetsing aan gewijzigd inzicht blijft gelden): "veranderingen die verband houden met delictsomschrijvingen, waaronder begrepen veranderingen in de bestanddelen alsmede het vervallen van strafbaarstellingen". Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie terecht de ATV-richtlijnen van 2006 heeft toegepast. * Welk drempelbedrag? De verdediging heeft voorts betoogd dat de onderhavige strafvervolging in strijd is met de toepasselijke ATV-richtlijnen, omdat het drempelbedrag niet is overschreden. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de hoogte van het drempelbedrag het strafrechtelijk nadeel en niet het fiscale nadeel maatgevend zou moeten zijn. Dit uitgangspunt is naar het oordeel van de rechtbank niet houdbaar. Zoals hiervoor is vermeld, is in de ATV-richtlijnen opgenomen dat een zaak wordt aangemeld door ambtenaren van de belastingdienst, indien er een drempelbedrag aan fiscaal nadeel is overschreden. Op dat moment is er nog geen strafrechtelijk onderzoek ingesteld. In de ATV-richtlijnen 2006 staat bovendien vermeld dat onder nadeel wordt verstaan "het bedrag aan belasting dat vermoedelijk door de in of over de onderzoeksperiode gepleegde feiten die daartoe strekten, te weinig is of zou zijn geheven indien de inspecteur de aangifte van belanghebbende had gevolgd". Dat is een ruimer begrip dan het fiscale nadeel van hetgeen uiteindelijk (strafrechtelijk) ten laste is gelegd. Uit de jurisprudentie blijkt dat, indien uiteindelijk (bijvoorbeeld) uit proceseconomische of bewijstechnische overwegingen) wordt besloten tot een tenlastelegging van een beperkt aantal feiten, terwijl het strafrechtelijke onderzoek betrekking had op een groter aantal feiten, het drempelbedrag gerelateerd moet worden aan het vermoedelijke (geschatte) fiscale nadeel tijdens die (ruimere) onderzoeksperiode. 4 Uit het onderzoek van de FIOD-ECD blijkt dat het vermoedelijk fiscaal nadeel tijdens de onderzoeksperiode € 23.140 bedroeg5. * Volledige bedrag aan omzetbelasting? Door de verdediging is voorts aangevoerd dat het bedrag aan omzetbelasting (OB) ten onrechte is gesteld op het totale bedrag dat door [maatschap] te weinig aan omzetbelasting zou zijn betaald, nu het aandeel waarvoor verdachte verantwoordelijk zou zijn slechts één derde gedeelte daarvan zou bedragen. De rechtbank kan de verdediging daarin niet volgen, nu aan verdachte (mede) is ten laste gelegd het tezamen met anderen opdracht geven tot, dan wel het feitelijk leiding geven aan de gedragingen van de maatschap [maatschap] die tot het desbetreffende (totale) nadeel zouden hebben geleid, terwijl niet aanstonds aannemelijk is geworden dat die verdenking iedere grondslag mist. Ter zake van elke ten laste gelegde, in de boekhouding opgenomen, factuur luidt de verdenking dat de vennoten daartoe (tezamen met de boekhouder) hebben samengewerkt; zonder deze onderlinge samenwerking had immers geen enkele factuur op deze wijze in de boekhouding verwerkt kunnen worden. Iedere verdachte heeft volgens de tenlastelegging derhalve voor elke factuur (en daarmee voor het totale ten laste gelegde bedrag aan voorbelasting) opdracht gegeven tot, dan wel feitelijk leiding gegeven aan het doen van de onjuiste aangiften. Dat het profijt van deze onjuiste aangiften vervolgens onderling zou zijn verdeeld, doet niet af aan het gegeven dat iedere vennoot, zo luidt de verdenking, het volledige omzetbelastingnadeel (mede) heeft veroorzaakt. Voor de vennootschapsbelasting (Vpb)- en inkomstenbelasting (IB)/PVV-aangiften ligt dit anders: iedere vennoot kan slechts verantwoordelijk worden gesteld voor de eigen IB/PVV-aangiften en de Vpb-aangiften van de eigen fiscale eenheid. * Ontoelaatbare optelsom nadeelberekening? De verdediging heeft vervolgens aangevoerd dat het openbaar ministerie het nadeel verkeerd heeft berekend door het nadeel, dat door verschillende entiteiten (maatschap, fiscale eenheid, individuen) is veroorzaakt, bij elkaar op te tellen. Volgens de verdediging is "het door de rechtspersoon zelfstandig veroorzaakte omzetbelasting (OB) nadeel" ten onrechte rechtstreeks bestempeld als nadeel dat is veroorzaakt door de individuele verdachten, naast het nadeel dat zij ieder voor zich zelfstandig hebben toegebracht in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasing. De rechtbank volgt de verdediging in dit betoog evenmin en overweegt daartoe als volgt. Verdachte is directeur-grootaandeelhouder van een eigen Holding BV, welke vennootschap alle aandelen bezit in een [BV1 van verdachte], en deze twee BV's vormen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De [BV1 van verdachte] is maat in de advocatenmaatschap. De gevolgen voor de vennootschapsbelasting van deze ten laste gelegde fraude zijn, dat in de fiscale eenheid van verdachte een te lage winst is verantwoord. [BV1 van verdachte] heeft immers (naar rato van het winstaandeel) - zo luidt de verdenking - de frauduleus opgevoerde kosten in aftrek gebracht als zakelijke kosten. De (in de belastingjaren waarin de fraude zou zijn gepleegd) aan te brengen winstcorrectie in de Vpb is dus het bedrag inclusief OB. Daarnaast zijn er ook consequenties voor de heffing van IB van verdachte. Zoals hiervoor reeds is beschreven, heeft de fiscale eenheid de aandeelhouder in staat gesteld dit bij onderzoek gebleken voordeel te behalen, door de [BV1 van verdachte] (als maat in de maatschap) gefingeerde facturen als zakelijke kosten van de maatschap te laten boeken en bovendien frauduleus voorbelasting aan de fiscus te laten terugvragen. Dit wordt fiscaal gekwalificeerd als een zogenoemde verkapte (of vermomde) uitdeling van winst (verkapt dividend), in de IB (in de relevante jaren) belast tegen een tarief van 25% (inkomsten uit aanmerkelijk belang; art. 4.12 Wet IB 2001). De correctie in de omzetbelasting is aldus een onlosmakelijk gevolg van het ten laste gelegde feitencomplex. De ten laste gelegde fraudeconstructie is er nu juist op gericht om niet alleen privékosten aftrekbaar te maken (door ze ten laste van de winst van de maatschap te brengen), maar tevens om de verschuldigde omzetbelasting te ontduiken (door zakelijkheid te fingeren, kan immers de voorbelasting worden teruggevraagd aan de belastingdienst). Anders dan de verdediging stelt, is hier dus geen sprake van een 'zelfstandig veroorzaakt OB-nadeel'. Aan een en ander doet niet af, dat de aan verdachte verweten frauduleuze handelingen door hem in verschillende hoedanigheden zijn gepleegd. * Drempelbedrag voor particulieren of ondernemers hanteren? Tenslotte heeft de verdediging in dit verband nog aangevoerd dat ten onrechte (uitsluitend) is uitgegaan van het drempelbedrag voor particulieren, terwijl omzetbelasting en vennootschapsbelasting niet bij verdachte als particulier, doch bij een onderneming zijn geheven. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het drempelbedrag van ondernemers als uitgangspunt genomen had moeten worden. Het onderhavige verweer is door de verdediging ook als preliminair verweer gevoerd ter terechtzitting van 28 november 2011. De rechtbank heeft in haar voorlopig oordeel overwogen dat verdachte als particulier heeft gehandeld, zodat het openbaar ministerie terecht het drempelbedrag voor particulieren heeft toegepast. Het onderzoek ter terechtzitting en nader beraad in raadkamer mede aan de hand van de hierna te noemen ATV-richtlijnen 2001 en de daarop gegeven toelichting, hebben de rechtbank echter thans tot een ander oordeel geleid. Zij overweegt daartoe als volgt. De ATV-richtlijnen 2006 bevatten geen definitie van de (voor de toepassing van de drempelbedragen) cruciale begrippen "particulier"en "ondernemer". Evenmin is een definitie in de latere versies van de richtlijnen aangetroffen. De door de rechtbank ambtshalve geraadpleegde "oude" ATV-richtlijnen 2001 bevatten in paragraaf 6 echter wèl een dergelijke definitie. Nu in de toelichting bij de latere richtlijnen niet is aangegeven dat men wilde overgaan op een andere definitie van de begrippen 'particulier' en 'onderneming', gaat de rechtbank ervan uit dat is beoogd in de latere richtlijnen, dus ook in de in casu van toepassing zijnde ATV-richtlijnen 2006, dezelfde begrippen 'particulier' en 'ondernemer' te hanteren als in de eerdere versie van deze richtlijnen. In de toelichting in paragraaf 6 van de ATV-richtlijnen 2001 (Stcrt. 2000, 251) is opgenomen: "Onder 'particulieren' worden verstaan: a. natuurlijke personen die niet een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen, en b. natuurlijke personen andere dan bedoeld onder a, voor zover zij een fiscaal delict dan wel een douanedelict begaan buiten de winstsfeer. Onder 'ondernemingen' worden verstaan: a. rechtspersonen, en b. natuurlijke personen die geen particulier zijn. De natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen, vallen bij de Belastingdienst onder de doelgroep ondernemingen. Uit een oogpunt van rechtvaardigheid dient deze categorie echter voor zover zij fiscale delicten begaan in de 'privésfeer' op gelijke wijze te worden behandeld als alle andere natuurlijke personen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het verzwijgen van privérente-inkomsten. Voor de toepassing van deze richtlijnen is het begrip particulieren daarom uitgebreid met de groep natuurlijke personen die een bedrijf of beroep zelfstandig uitoefenen voor zover zij in het kader van bijvoorbeeld de inkomstenbelasting buiten de winstsfeer een fiscaal of douanedelict begaan." Gelet op het in paragraaf 6 van de ATV-richtlijnen 2001 gemaakte onderscheid 'privésfeer' versus 'winstsfeer' ligt het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand beslissend te achten in welke (overheersende) sfeer de aan verdachte verweten fraude is gepleegd. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat daar in casu weinig twijfel over mogelijk is: de ten laste gelegde fraude is er immers op gericht voor kosten die in de privésfeer worden gemaakt en die daar fiscaal niet-aftrekbaar zijn alsnog een aftrekpost te creëren door ze valselijk als kosten van de onderneming op te voeren. De ondernemingsuitoefening maakt derhalve het plegen van de fraude mogelijk. De omstandigheid dat het uiteindelijke voordeel zich voordoet in de privésfeer (omdat het in werkelijkheid privé-uitgaven zijn), zoals het openbaar ministerie stelt, doet daar niet aan af; die omstandigheid betreft de vraag aan wie het voordeel dat met de fraude verkregen wordt uiteindelijk ten goede is gekomen, maar niet de sfeer waarin de fraude is gepleegd. * Conclusie ATV richtlijnen Gelet op vorenstaande hebben de beoordelaars in het voortraject terecht de ATV-richtlijnen 2006 toegepast, maar hebben zij daarbij ten onrechte getoetst of verdachte het drempelbedrag van particulieren overschreed, omdat gelet op het hiervoor overwogene gekeken had moeten worden naar het drempelbedrag voor ondernemers. Nu echter met het berekende fiscaal nadeel, te weten € 23.140, het drempelbedrag van € 12.500 voor ondernemers genoemd in de ATV-richtlijnen 2006 ruimschoots is overschreden, kan niet worden gezegd dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met haar eigen beleidsregels zodat het openbaar ministerie niet om die reden niet-ontvankelijk is in de vervolging. Herleving vertrouwen in buitengerechtelijke afdoening? De verdediging heeft - kort samengevat - bepleit dat verdachte erop vertrouwde en erop mocht vertrouwen dat de zaak buitengerechtelijk zou worden afgedaan, aangezien verdachte bereid was het eerder door hem afgewezen transactievoorstel van het openbaar ministerie alsnog integraal te aanvaarden. Door ondanks dit opgewekte vertrouwen de vervolging in de onderhavige strafzaak tegen verdachte voort te zetten heeft het openbaar ministerie gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk strafprocesrecht, meer in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en het verbod op willekeur. Uit het strafdossier en overige aan de rechtbank verschafte stukken (waaronder correspondentie tussen het openbaar ministerie en de raadslieden van verdachte) alsmede uit hetgeen mr. [deken], deken van de Haagse Orde van Advocaten en mr. [hoofdofficier], hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket (FP) ter terechtzitting van 28 november 2011 als getuigen ter terechtzitting hebben verklaard, valt het volgende af te leiden. Van 7 juni 2000 tot 2 januari 2009 heeft bestaan de maatschap naar burgerlijk recht [maatschap]. Deze maatschap bestond (in elk geval vanaf begin 2003) uit vier maten, van wie één natuurlijk persoon (mr. [ex-vennoot]) en drie besloten vennootschappen, waaronder [BV1 van verdachte], waarvan verdachte - al dan niet direct via [BV2 van verdachte] - directeur en enig aandeelhouder is. Naar aanleiding van een melding van de inmiddels als maat uitgetreden mr. [ex-vennoot] is door de FIOD-ECD een onderzoek ingesteld naar mogelijke belastingfraude, inhoudende het door verdachte, al dan niet in samenwerking met andere (rechts)personen, op naam van de maatschap [maatschap] administreren van privé-uitgaven. Dat onderzoek heeft geleid tot de verdenking dat verdachte zich, samen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan malversaties die tot gevolg hebben gehad dat: (
- a)te weinig omzetbelasting is betaald door de maatschap [maatschap]: (
- b)te weinig vennootschapsbelasting is geheven bij [BV1 van verdachte], althans de fiscale eenheid waartoe die BV behoort; (
- c)bij verdachte te weinig inkomstenbelasting is geheven. Tussen het openbaar ministerie en de (toenmalige) raadsman van verdachte, mr. Verbruggen, is vervolgens overleg gevoerd over een mogelijke afdoening van de zaak zonder dat deze op een openbare zitting zou behoeven te worden behandeld. Nadat verdachte bij brief van 6 april 2010 zijn spijt over het gebeurde had betuigd, zijn partijen het in zoverre eens geworden over de voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging (transactie) als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), dat verdachte te kennen heeft gegeven in beginsel bereid te zijn een geldboete van € 46.260,-- te betalen alsmede een werkstraf voor de duur van 40 uren uit te voeren. Geen overeenstemming is echter bereikt over het voornemen van het openbaar ministerie om bovendien een persbericht te doen uitgaan. De officier van justitie heeft bij brief van 24 september 2010 aan de verdediging dit transactie-aanbod bevestigd met als uiterste aanvaardingsdatum 4 oktober 2010 en onder mededeling, dat indien verdachte met dit aanbod akkoord zou gaan, hierover een persbericht, waarvan het concept was bijgevoegd, zou uitgaan. Bij brieven van 4 oktober 2010 heeft de (huidige) raadsman van verdachte, mr. Doorenbos, een nader onderhoud verzocht over het transactieaanbod. Op 2 november 2010 heeft de officier van justitie - na nadere correspondentie en een onderhoud met de raadsman - schriftelijk laten weten het eerder gedane transactieaanbod in stand te laten tot en met 5 november 2010. Nadat door de huidige raadsman van verdachte aan het openbaar ministerie was verzocht om van het voornemen tot het doen uitgaan van een persbericht af te zien en het openbaar ministerie had laten weten daartoe niet bereid te zijn, is verdachte gedagvaard tegen de zitting van deze rechtbank van 14 januari 2011. De verdediging heeft vervolgens een bezwaarschrift tegen de dagvaarding ingediend. Dit bezwaarschrift is op 14 januari 2011 in raadkamer behandeld en bij beschikking van 11 maart 2011 ongegrond verklaard. Door de verdediging wordt thans niet betwist dat het transactieaanbod van het openbaar ministerie door de verdediging op 5 november 2010 niet is aanvaard. Op dat moment bestond er bij de verdediging - zo heeft mr. Spong ter terechtzitting verklaard - ook niet meer de verwachting dat de zaak buitengerechtelijk zou worden afgedaan. Er ontstond volgens de raadslieden in 2011 echter een hernieuwd vertrouwen dat de zaak buitengerechtelijk zou kunnen worden afgedaan. Dit hernieuwde vertrouwen ontstond uit de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan na een brief van mr. Doorenbos van 24 juni 2011, waarin hij de officier van justitie te kennen gaf dat de deken van de Haagse Orde van Advocaten op 14 juni 2011 een tuchtklacht had ingediend tegen verdachte, welke op 10 oktober 2011 door de Raad van Discipline te 's-Gravenhage zou worden behandeld. In het licht van deze ontwikkeling heeft de raadsman aangegeven dat verdachte bereid was het oorspronkelijke transactievoorstel alsnog integraal te aanvaarden zodat een nadere zitting in het kader van het strafrecht niet nodig zou zijn. Naar aanleiding van deze brief van 24 juni 2011 is er overleg geweest tussen mr. [deken], deken van de Haagse Orde van Advocaten en mr. [hoofdofficier], hoofdofficier van justitie van het FP. Mr. [lid RvT], lid van de Raad van Toezicht Den Haag, portefeuillehouder strafrecht, heeft mr. Doorenbos de uitkomst van dit overleg medegedeeld, waaruit de raadsman - naar hij heeft gesteld - de indruk kreeg dat de hoofdofficier van justitie van het FP zich bereid toonde tot nader overleg en daarmee de bereidheid alsnog te transigeren. Bij de verdediging werd op die manier een hernieuwd gerechtvaardigd vertrouwen gecreëerd dat als donderslag bij heldere hemel werd teniet gedaan door de brief van de officier van justitie van 19 juli 2011 aan mr. Doorenbos, waarin is meegedeeld dat binnen het openbaar ministerie is overwogen of de zaak tegen verdachte en zijn medeverdachten alsnog buitengerechtelijk zou moeten worden afgedaan, maar dat besloten is niet op zijn voorstel daartoe in te gaan. Verdachte is vervolgens opgeroepen voor de terechtzitting van 25 juli 2011. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot 28 november 2011 teneinde mr. [deken], deken van de Haagse Orde van Advocaten en mr. [hoofdofficier], hoofdofficier van justitie van het FP ter terechtzitting als getuigen te horen omtrent het hiervoor genoemde overleg dat tussen hen heeft plaatsgevonden. Ter terechtzitting van 28 november 2011 zijn de deken van de Haagse Orde van Advocaten en de hoofdofficier van justitie van het FP als getuigen gehoord. Uit deze verhoren blijkt dat er in juni 2011 en juli 2011 - in totaal twee keer - telefonisch contact is geweest tussen de deken en de hoofdofficier van justitie van het FP. De deken heeft in het telefoongesprek van juni 2011 aandacht gevraagd voor de zaak van verdachte omdat deze zaak in juni 2011 "vast zat". In dit telefoongesprek heeft de hoofdofficier van justitie van het FP medegedeeld dat het openbaar ministerie een brief van verdachte had ontvangen en dat deze brief, die op dat moment bij de behandelend zaaksofficier lag, zou worden beantwoord. Voorts heeft zij de deken beloofd hem van de inhoud van dit antwoord op de hoogte te stellen. Zowel de deken als de hoofdofficier van justitie van het FP hebben verklaard dat er tijdens dit telefonisch contact door de hoofdofficier van justitie van het FP geen toezegging is gedaan dat de zaak buiten een strafgeding om zou worden afgedaan, er een nieuw transactieaanbod zou volgen dan wel dat het oude transactieaanbod zou herleven. In juli 2011 heeft de hoofdofficier van justitie de deken teruggebeld met de mededeling dat de strafvervolging van verdachte conform de brief van de officier van justitie van 19 juli 2011 aan mr. Doorenbos zou worden voortgezet. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de transactieonderhandelingen op 5 november 2010 waren geëindigd, omdat de verdediging het transactieaanbod van het openbaar ministerie niet had geaccepteerd. Vervolgens heeft de verdediging bij brief van 24 juni 2011 het aanbod gedaan om alsnog akkoord te gaan met de eerder gestelde transactievoorwaarden en daarmee een verzoek gedaan tot herleving van het transactieaanbod. Dit aanbod is door het openbaar ministerie bij brief van 19 juli 2011 niet aanvaard. Er is tussen het openbaar ministerie en de verdachte derhalve geen transactieovereenkomst tot stand gekomen; niet op 5 november 2010 en niet op 19 juli 2011. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat na de brief van de raadsman van verdachte van 24 juni 2011 op grond van de bij de telefonische contacten tussen de deken en de hoofdofficier van justitie van het FP door deze laatste gedane mededelingen bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kan zijn gewekt dat de zaak alsnog buiten het strafgeding om zou worden afgedaan. Zowel de deken als de hoofdofficier van justitie van het FP hebben immers ter terechtzitting verklaard dat er geen toezegging op dat vlak is gedaan. Indien en voor zover mr. [lid RvT], die de uitkomst van dit gesprek aan mr. Doorenbos heeft medegedeeld, in de visie van de verdediging een rooskleuriger boodschap heeft overgebracht, doet dit niet terzake aangezien haar mededelingen daaromtrent het openbaar ministerie niet kunnen binden, nu die mededelingen niet gebaseerd kunnen zijn geweest op hetgeen door de hoofdofficier van justitie van het FP aan de deken is meegedeeld omtrent de verdere afdoening van de tegen verdachte aanhangige strafzaak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Evenmin kan het openbaar ministerie worden verweten te hebben gehandeld in strijd met het verbod op willekeur. Uit de correspondentie tussen het openbaar ministerie en de voormalige raadsman van verdachte is gebleken dat er reeds in 2009 onderhandelingen plaatsvonden over een eventuele buitengerechtelijke afdoening. Uiteindelijk heeft de officier van justitie op 24 september 2010 een transactievoorstel gedaan met als uiterste datum om daarop in te gaan 4 oktober 2010. In verband met het aantreden van een nieuwe raadman heeft de officier van justitie die termijn desverzocht verlengd tot en met 5 november 2010 en hebben er nieuwe onderhandelingen plaatsgevonden. Dit heeft -zoals hiervoor beschreven - niet tot een transactieovereenkomst geleid. Vervolgens heeft het openbaar ministerie verdachte gedagvaard tegen de terechtzitting van 14 januari 2011. Met deze gang van zaken, waarbij de verdediging sinds 2009 alle ruimte heeft gehad om met het openbaar ministerie tot een schikking te komen en er zelf voor heeft gekozen om geen gebruik te maken van het gedane transactieaanbod kan niet worden gezegd dat de officier van justitie met de dagvaarding van verdachte en de voortzetting van de strafvervolging heeft gehandeld in strijd met het verbod op willekeur. Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat gelet op de geringe mate waarin het drempelbedrag als bedoeld in de van toepassing zijnde ATV-richtlijnen is overschreden dit aan strafvervolging in de weg behoorde te staan, faalt het betoog, omdat dit miskent dat verdachte er van wordt verdacht dat hij zich behalve aan belastingfraude ook aan meerdere gevallen van valsheid in geschrift heeft schuldig gemaakt en dat met name die laatste feiten, nu die volgens de verdenking zouden zijn begaan in relatie tot het door verdachte uitgeoefende beroep van advocaat, een bijzonder aspect opleveren dat kan nopen tot strafvervolging. Het argument van de verdediging dat er ten tijde van het door verdachte alsnog willen aanvaarden van de oorspronkelijke transactievoorwaarden op 24 juni 2011 sprake was van een novum, te weten dat er tegen verdachte een tuchtrechtelijke klacht was ingediend, waardoor het openbaar ministerie - naar de rechtbank begrijpt - op grond van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging gehouden zou zijn verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen een transactie aan te gaan, maakt dit niet anders. Dit geldt temeer, nu de deken van de Haagse orde van Advocaten, mr. [deken], ter terechtzitting heeft verklaard dat vanaf het moment van de doorzoeking van het advocatenkantoor van verdachte in maart 2009, waarbij hij als deken ook betrokken was, reeds door hem overwogen werd een tuchtklacht tegen verdachte in te dienen bij de Raad van Discipline te 's-Gravenhage. De deken zag dat - zo verklaarde hij - vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid als een autonome afweging, los van de strafrechtelijke afdoening van de zaak. Dat een tuchtrechtelijke procedure tegen verdachte zou worden aangespannen, speelde dus al sinds 2009 en werd door de deken ook los gezien van de strafrechtelijke afdoening van de zaak. Het feit dat de tuchtklacht daadwerkelijk pas op 14 juni 2011 door de deken werd ingediend, laat onverlet dat de officier van justitie zonder schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging de strafvervolging die reeds was aangevangen met het uitbrengen van een dagvaarding tegen de terechtzitting van 14 januari 2011, heeft voortgezet. Op grond van al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. 4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs A. Inleiding Van 7 juni 2000 tot 2 januari 2009 heeft bestaan de maatschap naar burgerlijk recht [maatschap]. Deze maatschap bestond (in elk geval vanaf begin 2003) uit vier maten, van wie één natuurlijk persoon (mr. [ex-vennoot]) en drie besloten vennootschappen, waaronder [BV1 van verdachte], waarvan verdachte - al dan niet direct via [BV2 van verdachte]- directeur en enig aandeelhouder is. Naar aanleiding van een melding van de inmiddels als maat uitgetreden mr. [ex-vennoot] is door de FIOD-ECD een onderzoek ingesteld naar mogelijke belastingfraude, inhoudende het door verdachte, al dan niet in samenwerking met andere (rechts)personen, op naam van de maatschap [maatschap] administreren van privé-uitgaven. Dat onderzoek heeft geleid tot de verdenking dat verdachte zich, samen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan malversaties die tot gevolg hebben gehad dat: (
- a)te weinig omzetbelasting is betaald door de maatschap [maatschap]: (
- b)te weinig vennootschapsbelasting is geheven bij [BV1 van verdachte], althans de fiscale eenheid waartoe die BV behoort; (
- c)bij verdachte te weinig inkomstenbelasting is geheven. Deze verdenking heeft geleid tot de volgende ten laste gelegde feiten: Feit 1: Het al dan niet samen met anderen feitelijk leiding geven aan het door de maatschap [maatschap] al dan niet samen met anderen valselijk opmaken of doen opmaken van bedrijfadministratie door daarin valselijk opgemaakt en/of vervalste geschriften, met name facturen en daarop gebaseerde valse of vervalste boekingen op te nemen; Feit 2 primair: Het al dan niet samen met anderen feitelijk leiding geven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door de maatschap [maatschap]; Feit 2: subsidiair: Het samen met anderen opzettelijk doen van die onjuiste aangiften; Feit 2 meer subsidiair: Het al dan niet samen met anderen valselijk opmaken van die onjuiste aangiften; Feit 3 primair: Het al dan niet samen met anderen feitelijk leiding geven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting door [BV2 van verdachte] en/of [BV1 van verdachte]; Feit 3 subsidiair: Het al dan niet samen met anderen valselijk opmaken van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting van [BV2 van verdachte] en/of [BV1 van verdachte]; Feit 4 primair: Het al dan niet samen met anderen opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting; Feit 4 subsidiair: Het al dan niet samen met anderen valselijk opmaken van onjuiste aangiften Inkomstenbelasting; Feit 5, 6, 7 en 8: Het al dan niet samen met anderen valselijk doen opmaken van facturen. B. Standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan. C. Standpunt van de verdachte/de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten en heeft daartoe uitgebreid gemotiveerd verweer gevoerd, hetgeen hieronder bij de beoordeling van de in de tenlastelegging aan verdachte verweten feiten aan de orde zal komen. D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank6 Aan de bewijsmiddelen voorafgaande beschouwingen: De rechtbank gebruikt hierna in de bewijsredenering te noemen bewijsmiddelen, waarnaar in de noten verwezen wordt, niet alleen voor het bewijs van de feiten, waarbij ze worden besproken, maar ook - voor zover ze daarvoor in aanmerking komen- in hun onderdelen voor de andere feiten, waarop ze blijkens hun inhoud betrekking hebben. De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af. Algemeen; ten aanzien van alle feiten: De Maatschap [maatschap]7 Van 7 juni 2000 tot 2 januari 2009 heeft bestaan de maatschap naar burgerlijk recht [maatschap]. De maatschap met fiscaalnummer [nummer] is gevestigd aan de [adres] te Den Haag en voorheen gevestigd aan de [adres] te Den Haag. Deze maatschap bestond (in elk geval vanaf begin 2003) uit vier maten, van wie één natuurlijk persoon (mr. [ex-vennoot]) en drie besloten vennootschappen; - [BV1 van verdachte] (fiscaalnummer [nummer]), waarvan verdachte - al dan niet direct via [BV2 van verdachte] (fiscaalnummer [nummer]) - directeur en enig aandeelhouder is; - [BV1 van Z] waarvan medeverdachte [medeverdachte Z] - al dan niet direct via [BV2 van Z] (fiscaalnummer [nummer]) - directeur en enig aandeelhouder is; - [BV1 van Y] waarvan medeverdachte [medeverdachte Y] - al dan niet direct via [BV2 van Y] (fiscaalnummer [nummer]) - directeur en enig aandeelhouder is. De natuurlijke personen mrs. [ex-vennoot], [medeverdachte Z], [medeverdachte Y] en [verdachte] oefenden (in elk geval in de periode van begin 2003 tot eind 2006) gezamenlijk onder de naam [maatschap] de advocatenpraktijk uit. Per 1 november 2006 is de opzegging van de maatschap met mr. [ex-vennoot] geformaliseerd. [verdachte] (burgerservicenummer [nummer]) woont thans aan de [adres] en heeft voorheen op de volgende adressen gewoond: [adres woning verdachte], [adres appartement verdachte].8 [medeverdachte Y] (burgerservicenummer [nummer]) woont aan de [adres medeverdachte Y]9 en [medeverdachte Z] (burgerservicenummer [nummer]) woont aan de [adres Z]10. Aanleiding - de aangifte van mr. [ex-vennoot] Mr. [ex-vennoot], voormalig vennoot van [maatschap], heeft bij brief van 24 april 200711 aan de FIOD-ECD te Haarlem te kennen gegeven dat hij aangifte wilde doen van oplichting / bedrog gepleegd door zijn ex-vennoten en de boekhouder van het kantoor [maatschap] in Den Haag. Voorts heeft hij vermeld dat hij - nadat hij het jaar ervoor in maart wegens onoverbrugbare verschillen van mening de samenwerking met zijn medevennoten had opgezegd en had besloten om ontbinding van de maatschapovereenkomst in te roepen - een onderzoek heeft gedaan in de boekhouding en daarbij is gestuit op frauduleuze praktijken van zijn vennoten. Daarbij zou het gaan om onder meer het voor grote bedragen belasten van de onderneming waar het in feite privé-uitgaven van deze vennoten betrof, zoals uitgaven terzake van de inrichting en renovatie van hun privéwoningen. Op 28 juni 2007 is door ambtenaren van de belastingdienst een gesprek gevoerd met mr. [ex-vennoot]. Hierbij is door mr. [ex-vennoot] onder meer een overzicht overhandigd betreffende de periode 14 januari 2004 tot 10 maart 2006.12 Op dit overzicht werden door de controleambtenaar van de belastingdienst een volgnummer, datum, omschrijving leverancier of goederen, aanvulling op omschrijving en de initialen [Z], [X] en [Y] aangetroffen. [ex-vennoot] verklaarde hierover dat met [Z] bedoeld werd [medeverdachte Z], [X] voor [verdachte] stond en [Y] voor [medeverdachte Y]. Volgens mr. [ex-vennoot] werd op dit overzicht bijgehouden hoeveel de maten afzonderlijk uitgeven aan privézaken welke als bedrijfskosten worden geboekt. Dit overzicht werd bijgehouden om te kunnen beoordelen of alle maten ongeveer hetzelfde bedrag als privékosten hebben genomen. Volgens mr. [ex-vennoot] is het overzicht een momentopname en hebben de praktijken ook ervoor en erna plaatsgevonden. Het overzicht wordt extracomptabel bijgehouden. De boekhouder van [maatschap], [boekhouder], volgde naar zijn overtuiging klakkeloos instructies op van de verdachte en zijn medeverdachten. Hij heeft dit afgeleid uit schriftelijke instructies die hij op een aantal facturen in de boekhouding heeft aangetroffen.13 Hierna wordt dit overzicht conform de in het onderzoek gehanteerde term de "rekening courantlijst" genoemd. Op 17 januari 2008 is, door controleambtenaren van de belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld bij [maatschap], teneinde de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 juli 2007 te beoordelen op de juistheid van de in aftrek gebrachte belasting ter zake van geleverde goederen en verleende diensten.14 Vanaf 3 maart 2008 hebben ambtenaren van de belastingdienst vijf zogeheten "derdenonderzoeken" ingesteld om de zakelijkheid en juistheid van diverse facturen uit de administratie van [maatschap] te beoordelen. Naar aanleiding van deze onderzoeken is, met betrekking tot de facturen, kort samengevat, het volgende naar voren gekomen: van de vijf ingestelde derdenonderzoeken is in alle vijf gevallen het vermoeden ontstaan dat het van mr. [ex-vennoot] ontvangen overzicht, privé-uitgaven bevat welke zakelijk werden geboekt en betaald via een rekening van [maatschap]. 15 Brief van mr. Verbruggen, de voormalig raadsman van verdachte In het dossier bevindt zich een map correspondentie tussen het openbaar ministerie en de raadslieden van verdachte en de medeverdachten, waaronder een brief van 3 juni 2009 van de toenmalige raadsman van verdachte, mr. A. Verbruggen, aan de officier van justitie mr. M.A.W. Mol. Deze brief is tevens in het dossier gevoegd als bijlage bij een proces-verbaal van ambsthandeling16. In deze brief geeft mr. Verbruggen namens verdachte en de medeverdachten een toelichting op de uitgaven zoals die staan vermeld op de zogenoemde rekening-courantlijst. In deze brief wordt voorts aangegeven dat het bij een aantal boekstukken in de [maatschap] administratie om privébestedingen ging die ten onrechte als zakelijke kosten ten laste van [maatschap] zijn gebracht. Verklaringen verdachten Gedurende het onderzoek hebben verdachte en de medeverdachten zich beroepen op hun zwijgrecht. In het verlengde van genoemde brief van mr. Verbruggen en met het oog op een eventuele transactie hebben zij ieder voor zich op 6 april 2010 een brief geschreven aan de toenmalige hoofdofficier van justitie mr. [hoofdofficier] waarin zij in algemene zin te kennen hebben gegeven schuldig te zijn aan het zakelijk boeken van privé-uitgaven. Zo heeft verdachte onder meer verklaard: "Het kantoor [maatschap] is door mijn compagnons en mij vanaf de grond opgebouwd. (...) De administratie van kantoor was mijn verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid die bij die taak hoort heb ik niet op juiste waarde geschat en de bijbehorende verplichtingen zelfs schromelijk verwaarloosd. De oprichtende compagnons van kantoor hebben er destijds voor gekozen door middel van vennootschappen werkzaam te zijn en daarmee geen btw verplichting te hebben. Bepaalde uitgaven die via een van de vennootschappen hadden kunnen worden geboekt, gingen via kantoor. Een en ander vereffende zich door middel van de rekening-courant. Uit deze werkwijze ontstond sluipenderwijze een ontoelaatbare praktijk. Het gaat, zo zie ik nu ten volle, eenvoudigweg niet aan privé-uitgaven op de zaak te boeken en aldus de fiscus te benadelen. Hebzucht voerde ertoe dat we over de grens zijn gegaan - terwijl we nota bene een in alle opzichten goed lopend bedrijf en dito inkomen hadden. Ernstig dat ik derden daarbij heb betrokken door hen onjuiste facturen te laten opmaken. (...)Ik schaam mij inmiddels diep voor dit criminele gedrag, waardoor ik mijzelf en anderen in problemen heb gebracht.(...) Toen ik de ordners met het Fiod-pv las, kreeg ik een klap in mijn nek. Alles wat verkeerd is gegaan, was gebundeld en werd in volle directheid geopenbaard 17 Medeverdachte [medeverdachte Z] heeft onder meer verklaard: "We hebben eenvoudigweg onoirbaar gehandeld door privé-uitgaven zakelijk te boeken. Ik heb me er zelf ook schuldig aan gemaakt maar zag het overigens gebeuren en had het als oudste kantoorgenoot nooit mogen tolereren, maar moeten ingrijpen. Dat heb ik te lang nagelaten en daar heb ik enorme spijt van. " (...) Achteraf realiseer ik mij ook pas hoe wij onze boekhouder [boekhouder] in de problemen hebben gebracht en diverse leveranciers in een moeilijke positie hebben geplaatst. (...) In 20 jaar heb ik samen met [verdachte] en [medeverdachte Y] een advocatenkantoor opgebouwd waar ik trots op ben en met het gesjoemel om een paar duizend euro heb ik vervolgens alles in de waagschaal gesteld.(...) Het gerommel met de boekhouding en facturen is de grootste fout in mijn leven geweest.(...) Pas toen [ex-vennoot] de vinger op de zere plek legde kwam het inzicht, maar toen was het te laat "18 Medeverdachte [medeverdachte Y] heeft in haar brief onder meer verklaard: (...) Waarom ben ik zo gek geweest om te gaan rommelen met bedragen en de fiscus te bedonderen, terwijl ik de bedragen waarvoor ik de maatschappij bedotte zonder problemen zelf had kunnen dragen. (...) Ook ben ik tekort geschoten in de verantwoordelijkheden die mijn positie als advocaatpartner met zich mee brengen. De boekhouder van kantoor heb ik in de problemen gebracht door hem foute boekingen te laten verrichten (...) Evenzo schaam ik mij dat ik leveranciers met mijn hebberige manier van doen heb opgezadeld. (...) Het is bovendien onjuist en gênant dat ik me heb verrijkt ten laste van de publieke middelen en de fiscus heb benadeeld. (...) Het spijt me dat ik het onjuiste van ons handelen niet eerder inzag en dat ik niet direct tegen mijn compagnons gezegd heb dat dergelijke praktijken geen pas geven voor een advocatenkantoor en partners. 19 Verweren in relatie tot voorgaande algemene beschouwingen * Verweer mb.t. de brief van mr. Verbruggen In het dossier bevindt zich de eerder genoemde brief van 13 juni 2009 van de toenmalige raadsman van verdachte en de medeverdachten, mr. A. Verbruggen, aan de officier van justitie mr. M.A.W. Mol. In deze brief geeft hij namens verdachte en zijn medeverdachten een toelichting op de zogenoemde rekening-courantlijst (D-002a,t/m D-002c). In deze brief wordt voorts vermeld dat het bij een aantal boekposten in de [maatschap] administratie om privébestedingen ging die ten onrechte als zakelijke kosten ten laste van [maatschap] zijn gebracht. De juistheid van de inhoud van deze brief is nadien noch door verdachte en zijn medeverdachten, noch door hun huidige raadslieden ooit betwist. Het openbaar ministerie heeft in haar requisitoir de bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde feiten mede gebaseerd op genoemde brief van de raadsman. De officieren van justitie zijn van mening dat deze brief als bewijsmiddel kan worden gebruikt, omdat deze is gericht aan het openbaar ministerie, met daarin nadrukkelijk de mededeling dat de raadsman namens zijn cliënten een toelichting geeft op bepaalde boekstukken in de administratie van [maatschap]. De verdediging heeft tegen het gebruik voor het bewijs van deze brief bezwaar gemaakt, aangezien uitlatingen van een raadsman niet aan verdachte mogen worden toegerekend en ingevolge de wet niet als een bewijsmiddel kunnen worden aangemerkt. De rechtbank overweegt als volgt. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat verklaringen en mededelingen van de raadsman ter terechtzitting, al dan niet op voet van artikel 279, eerste lid Sv gedaan, niet als wettig bewijsmiddel kunnen gelden20. Evenmin kan een ter terechtzitting overgelegde pleitnota als wettig bewijsmiddel gelden. Anders dan de verdediging heeft betoogd, betekent dit evenwel niet dat genoemde brief van mr. Verbruggen niet als wettig bewijsmiddel kan worden aangemerkt. Allereerst verdient opmerking dat het met betrekking tot deze brief niet gaat om verklaringen en mededelingen van de raadsman ter terechtzitting en evenmin om een ter terechtzitting overgelegde pleitnota. In het Wetboek van Strafvordering is niet voorzien in een bepaling, waarin deze verklaringen en mededelingen ter terechtzitting evenals een ter terechtzitting overgelegde pleitnota als wettige bewijsmiddelen zijn toegelaten. Anders is dat met van het dossier deel uitmakende andere geschriften, als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5e Sv. Op de voet van het bepaalde in artikel 339, eerste lid, onder 5e Sv, juncto artikel 344, eerste lid, onder 5e Sv, zijn deze geschriften wettige bewijsmiddelen, met dien verstande dat die alleen kunnen gelden in verband met andere bewijsmiddelen. De desbetreffende brief namens verdachte en de medeverdachten geschreven ten tijde van de transactieonderhandelingen, is als een vorenbedoeld geschrift aan te merken. De eerder genoemde brieven van verdachte en de medeverdachten van 6 april 2010, waarin zij in algemene zin spijt betuigen over hun gedragingen liggen in het verlengde van deze eerder namens hen geschreven brief van mr. Verbruggen. Noch deze brieven van verdachte en de medeverdachten, noch de brief van mr. Verbruggen zijn op enig moment in de procedure door de verdediging op de juistheid van hun inhoud betwist; evenmin is daarvan op enigerlei andere wijze afstand genomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de brief van mr. Verbruggen, als wettig bewijsmiddel kan worden gebruikt. * Onrechtmatige opsporing door particulier? Mr. [ex-vennoot] en de rol van de FIOD Zoals hiervoor vermeld is de zaak tegen verdachte aan het rollen gekomen doordat ex-vennoot mr. [ex-vennoot] in november 2007 met een groot aantal gegevens naar de FIOD is gestapt. Naar aanleiding van deze informatie is er in de eerste maanden van 2008 door de belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld bij de Maatschap [maatschap] en is er een vijftal zogeheten derdenonderzoeken ingesteld, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot verdenking van de feiten die op de tenlastelegging staan. Door de verdediging is aangevoerd dat mr. [ex-vennoot] in zijn 'bewijsverkrijgingsdrift' over de schreef is gegaan en wel zodanig dat kan worden gesproken van onrechtmatige opsporing. De verdediging heeft in dit verband voorts gesteld dat nadere bestudering van het dossier aanleiding geeft te veronderstellen dat de FIOD bij het civielrechtelijk en strafrechtelijk onoirbaar handelen van [ex-vennoot] een sturende danwel faciliterende rol heeft gehad. [ex-vennoot] zou al in een vroeg stadium contact hebben gehad met de FIOD en uiteindelijk door de FIOD zijn aangespoord om aangifte te doen. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het ervoor gehouden moet worden dat de FIOD zelf de hand heeft gehad in het onrechtmatige opsporingsonderzoek en in zoverre is aan te merken als witwasser dan wel facilitator van het strafbare c.q. onrechtmatige handelen van [ex-vennoot]. De resultaten van zodanig onrechtmatig overheidshandelen dienen op grond van artikel 359a Sv van het bewijs te worden uitgesloten. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat er een zodanig rechtstreeks verband tussen de onrechtmatige gedragingen van mr. [ex-vennoot] en het uiteindelijke opsporingsonderzoek bestaat, dat ook het door de FIOD verzamelde materiaal niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Meer subsidiair dient een en ander tot strafvermindering te leiden. De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld zij dat volgens de Hoge Raad21 een opsporingsonderzoek ingesteld op grond van een redelijk vermoeden van schuld dat wordt ontleend aan stukken die de aangever uit misdrijf heeft verkregen, niet meebrengt dat het vervolgens vergaarde bewijsmateriaal niet tot het bewijs mag worden gebezigd; het enkele gebruik daarvan kan onder die omstandigheden niet leiden tot schending van beginselen van een behoorlijke procesorde of tot veronachtzaming van de rechten van de verdediging. Kortom, wanneer een overheidsorgaan (in onderhavige zaak de FIOD) het bewijs (door mr. [ex-vennoot]) bij wijze van spreken op een presenteerblaadje krijgt aangereikt, ook al weet het overheidsorgaan dat het bewijs op onoirbare wijze is verkregen, dan betekent dit nog niet dat dit materiaal reeds om die reden niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Deze zogenoemde 'silver platter' doctrine, waaraan de verdediging in haar pleidooi zelf ook refereert, kan - zo heeft de Hoge Raad22 in een ander arrest geoordeeld - echter alleen gelden wanneer de overheid geen bemoeienis heeft gehad met het door de burger vergaarde bewijs. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de gedragingen van mr. [ex-vennoot] die hebben geleid tot de verzameling van bewijs, indien en voor zover die civielrechtelijk dan wel strafrechtelijk onoirbaar zijn geweest, niet valt in te zien dat deze gedragingen zijn toe te rekenen aan de FIOD en dat deze gedragingen mitsdien ook niet aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend. Immers, mr. [ex-vennoot] is in eerste instantie zelf naar de belastingdienst gegaan. Vervolgens heeft de FIOD - in verband met hetgeen hij aan de belastingdienst heeft verklaard en de stukken die hij daar heeft overgelegd - aanleiding gezien mr. [ex-vennoot] uit te nodigen om nader te worden gehoord, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek. Op grond van hetgeen de verdediging ter onderbouwing van het verweer heeft aangevoerd en uit hetgeen uit het dossier met betrekking tot het verloop van het onderzoek is gebleken, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden, laat staan komen vast te staan, dat mr. [ex-vennoot] onder regie van de FIOD onoirbare onderzoeksactiviteiten tot bewijsvergaring heeft ontplooid dan wel dat de FIOD daarin een sturende en/of faciliterende rol heeft gespeeld. De enkele omstandigheid dat de FIOD gesprekken met mr. [ex-vennoot] zou hebben gevoerd en mr. [ex-vennoot] zou hebben verzocht aangifte te doen, maakt dit niet anders. Nu niet is gebleken dat de FIOD of enig ander overheidsorgaan op enigerlei wijze betrokken is geweest bij onoirbaar strafrechtelijk of civielrechtelijk handelen of op enige andere wijze onrechtmatig gedrag van mr. [ex-vennoot] heeft geïnitieerd of gefaciliteerd, kan de omstandigheid dat een deel van het bewijsmateriaal wellicht door onoirbaar handelen van mr. [ex-vennoot] als particulier is verkregen, niet in de weg staan aan het gebruik van dat bewijsmateriaal in deze strafzaak. Overweging en tussenconclusie van de rechtbank Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte en medeverdachten privé-uitgaven hebben gedaan welke als bedrijfskosten van [maatschap] zijn weggeboekt. Verdachten lieten deze uitgaven noteren op een zogenoemde rekening-courant, kennelijk om bij te houden of te kunnen beoordelen of alle maten ongeveer hetzelfde bedrag als privékosten hadden genomen. Ten aanzien van feit 1: Het al dan niet samen met anderen feitelijk leiding geven aan (A) het door de maatschap [maatschap] al dan niet samen met anderen valselijk opmaken of doen opmaken van geschriften, met name facturen en/of (B) het door die maatschap verwerken van valse of vervalste boekingen; De rechtbank zal de in tenlastelegging genoemde bonnen/facturen hieronder één voor één bespreken. Daarbij is de nummering van de tenlastelegging aangehouden: 1. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen23: Een bon (D-198)24 op naam van [bedrijf 1], gedateerd 1 februari 2003, gericht aan [maatschap] totaal € 624,50 (inclusief € 99,71 btw). Op de factuur is als omschrijving een Sony flat tv vermeld. Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 524,79. In de toelichting door mr. Verbruggen25 staat opgenomen over de uitgave "boekingsdatum 4.2.2003 [bedrijf 1] ten bedrage van € 524,79" dat deze tv door "[Z]" werd gebruikt voor privédoeleinden en ten onrechte ten laste is gebracht van de winst van [maatschap]. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse bon in die zin dat de bon is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Z] zelf de afnemer van de tv was en niet [maatschap]. 2. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen26: een factuur (D-86-
- c)27 met nummer 1274 op naam van [bedrijf 2] gedateerd 10 juli 2003 gericht aan [maatschap] t.a.v. de heer [medeverdachte Z] totaal € 3062,47 (btw € 488,97). Op de factuur is als omschrijving vermeld: "Hierbij ontvangt u een factuur voor de onlangs uitgevoerde werkzaamheden". Na vordering is van de heer [eigenaar], eigenaar van [bedrijf 2], onder meer een kopie van de factuur 1274, gedateerd 10 juli 2003 ontvangen28. Bij deze kopie factuur29 genummerd 1274 is tevens een kopie lijst overgelegd waarop uren en materialen behorende bij factuur 1274 zijn vermeld. Op de kopie lijst is het volgende vermeld: "Uren en materialen factuur 1274, Isolatieglas boven de keukendeur, Schilderij ophangstrip, Lekkage badkamer, Schoorsteen lekkage herstellen".30 Op een kopie bankafschrift van [bedrijf 2]31, gedateerd 16-07-2003 is te lezen dat een bedrag van € 3062,47 is overgemaakt vanaf rekeningnummer [nummer] van [maatschap], met vermelding "1274". In de toelichting door mr. Verbruggen32 staat opgenomen over de uitgave "boekingsdatum 10.7.2003, [bedrijf 2]-kast" dat dit een tv-kast betreft ten bedrage van € 2574,- en dat deze door [Z] privé is gebruikt en daarmee ten onrechte ten laste van de winst van [maatschap] gebracht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Z] zelf de afnemer van de verrichte dienst was en niet [maatschap]. 3. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen33: een factuur (D-199) met nummer 135303 34 op naam van [bedrijf 3]. gedateerd 3 oktober 2003 gericht aan [maatschap] totaal € 3240,00 (btw € 517,31). Op de factuur is als omschrijving Amphion Xenon luidsprekers opgenomen. In de administratie van [maatschap] is de aankoop voornoemde audioapparatuur geboekt onder grootboekrekening "Investeringen." Bij onderzoek naar bescheiden35 van [bedrijf 3] is een factuur aangetroffen aan [maatschap] gedateerd 03.10.03 met nummer 135303 ten bedrage van € 3240,-. ". In de toelichting door mr. Verbruggen36 staat opgenomen over de uitgave "boekingsdatum 3.10.2003' dat dit audioapparatuur betrof die was aangekocht door [verdachte] ten bedrage van € 2722,69. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl verdachte zelf de afnemer van de luidsprekers was en niet [maatschap]. 4. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen37: een factuur (D-234)38 op naam van [bedrijf 4], gedateerd 31 oktober 2003 gericht aan [maatschap], De heer [verdachte], totaal € 1571,75 (btw € 250,95). In de omschrijving staat 'Nomos blad'. Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 1320,80. In de toelichting door mr. Verbruggen39 staat opgenomen over de uitgave "boekingsdatum 31.10.2003"dat deze tafel is gekocht door [verdachte] en thuis is gebruikt voor zowel zakelijke als privédoeleinden en voorts dat het bedrag van € 1320,80 ten onrechte ten laste is gebracht van de winst van [maatschap]. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl verdachte zelf de afnemer van de tafel was en niet [maatschap]. 5. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen: een factuur (D-081 A) 40 op naam van [bedrijf 2] gedateerd 5 februari 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. de heer [medeverdachte Z], totaal € 2270,52 (btw € 362,52). Op de factuur is als omschrijving "materialen en arbeidsuren" opgenomen. Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 1908,-. Na vordering is van de heer [eigenaar], eigenaar van [bedrijf 2] een kopiefactuur ontvangen van [bedrijf 2]41 gericht aan [maatschap], [postadres] Den Haag, t.a.v. de heer [medeverdachte Z], gedateerd 05-02-2004 en genummerd 2004-004, betreffende "diverse werkzaamheden volgens bijlage" en een factuurbedrag, inclusief BTW, € 2270,52. Voorts is van [eigenaar] een bijlage bij deze factuur ontvangen, zijnde een lijst42 met uren en materialen. Op de lijst staan, onder meer, de omschrijvingen: "TV/Video/DVD aansluiten en telefoon in slaapkamer, overzicht konijnenhok en ren". Verbalisanten hebben na onderzoek geconcludeerd dat genoemde factuur in de administratie van [maatschap] identiek is aan die van de aangetroffen factuur in de administratie van [bedrijf 2], met dien verstande dat de bijlage bij deze factuur ontbrak in de administratie van [maatschap]43. [eigenaar bedrijf 2] heeft desgevraagd als getuige verklaard44 dat factuur D-081 ziet op privé werkzaamheden voor medeverdachte [medeverdachte Z], een en ander conform hetgeen staat vermeld op de in zijn administratie aangetroffen bijlage bij deze factuur. Voorts heeft hij verklaard dat hij vrijwel altijd de facturen van de verrichte werkzaamheden bij [medeverdachte Z] thuis, op zijn verzoek, naar het kantoor van [maatschap] stuurde. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Z] zelf de afnemer van de verrichte dienst was en niet [maatschap]. 6. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen45:een factuur46 (D-205) op naam van [bedrijf 5]. gedateerd 3 maart 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. de heer [verdachte] totaal € 277,27 (btw € 44,27) met als omschrijving "De door ons uitgevoerde werkzaamheden volgens offerte 2004.009 zijn voltooid". Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 233,-. Op de rekening-courant47 staat onder Volgnummer 18 in de kolom [initialen verdachte] " 03-03-04, [bedrijf 5] Loodgieter 233,00". Hoewel mr. Verbruggen in zijn toelichting met betrekking tot dit boekstuk heeft aangeven dat verdachte zich niet kan herinneren op welke werkzaamheden deze factuur betrekking heeft blijkt uit correspondentie48 betreffende offerte 2004.009 dat het om werkzaamheden aan het adres [adres verdachte] ging. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl verdachte zelf de afnemer van de verrichte dienst was en niet [maatschap]. Het adres waar de werkzaamheden zijn uitgevoerd is immers niet het kantooradres van [maatschap]. Nu dit adres ook overigens geen relatie met het kantoor lijkt te hebben, verdachte zich het niet kan herinneren en in ogenschouw nemend het karakter en de bedoeling van de genoemde rekening-courant, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het hier een valse factuur betreft. 7. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen49: een factuur met nummer 16396 50 (D-134 A) op naam van [bedrijf 6] gedateerd 22 maart 2004 gericht aan [maatschap] totaal € 3165,40 (btw € 505,40) met als omschrijving "Leveren en monteren thermostaat". Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 2660,-. Op de rekening-courant51 staat onder volgnummer 4 in de kolom [Y] "22-3-2004, rep cv" een bedrag van € 2660,-. In de toelichting door mr. Verbruggen52 staat opgenomen over boekingstuk 4 dat dit een factuur betreft met als opschrift reparatie CV, die zag op de vervanging van een CV installatie in de privéwoning van [Y]. Gesteld wordt dat deze kosten niet zakelijk waren en ten onrechte zijn opgenomen in de administratie van [maatschap]. Bij onderzoek53 naar bescheiden bij de [bedrijf 6] is een factuur nu met nummer 1633754, maar met hetzelfde kenmerk, aangetroffen die is aangepast, in die zin dat het huisadres van [medeverdachte Y] van de factuur is doorgekrast en is veranderd in het vestigingsadres van het kantoor van [maatschap] in die tijd, [adres] te Den Haag met als omschrijving "het aanpassen van de cv-installatie". Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Y] zelf de afnemer van de verrichte dienst was en niet [maatschap]. 8. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen55: een rekening56 (D/009-1 A) op naam van [bedrijf 7] gedateerd 6 april 2004 gericht aan [maatschap] totaal € 123,75 (btw euro 19,76) (bijlage D/009-1 A) met als omschrijving "Softclub stoelkussen, crème". Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 103,99. Op de rekening-courant57 staat onder volgnummer 23 in de kolom [Y] " 06-04-04, [bedrijf 7] BV" een bedrag van € 103,99. In de toelichting door mr. Verbruggen58 staat opgenomen over boekingstuk 23 dat dit een rekening betreft van de aanschaf van [bedrijf 7]-kussens door [Y]. Gesteld wordt dat deze uitgave moet worden gekwalificeerd als een prïvé-uitgave. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse rekening in die zin dat de rekening is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Y] zelf de afnemer van de geleverde kussens was en niet [maatschap]. 9. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen59: een rekening met nummer 314918 60 (D/003-1 A) op naam van [bedrijf 7] gedateerd 1 april 2004 gericht aan [maatschap], mevrouw [mevrouw A] totaal euro 626,75 (btw euro 100,07) met de omschrijving "Bubbleclub fauteuil, lichtgeel". Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 526,68. Op de rekening-courant61 staat onder volgnummer 6 in de kolom [Y] " 15-04-04, [bedrijf 7], stoelen" voor een bedrag van € 526,68. In de toelichting door mr. Verbruggen62 staat opgenomen over boekingstuk 6 dat deze uitgaven betrekking hebben op de aanschaf van stoelen. Gesteld wordt dat deze stoelen zijn te beschouwen als privé-uitgaven van [Y] en als zodanig geboekt hadden moeten worden. [directeur], directeur van [bedrijf 7] BV heeft als getuige63 met betrekking tot deze transactie verklaard dat deze order per telefoon is binnengekomen. Het betreft twee Bubble Club fauteuils, met als factuuradres [maatschap] aan de [adres] in Den Haag en als afleveradres mevrouw [medeverdachte Y], [woonadres Y]. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse rekening in die zin dat de rekening is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Y] zelf de afnemer van de geleverde stoelen was en niet [maatschap]. 10. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen64: een rekening65 (D/006-1 A) op naam van [bedrijf 7] gedateerd 19 april 2004 gericht aan [maatschap], mevrouw [mevrouw A] totaal € 768,51 (btw € 122,70) met de omschrijving "Bubble club fauteuil, lichtgeel, geleverd 2, Softclub stoelkussen, crème, geleverd 2". Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 645,81. Op de rekening-courant66 staat onder volgnummer 16 in de kolom [Y] "19-04-04, [bedrijf 7], stoelen" een bedrag van € 645,81. In de toelichting door mr. Verbruggen67 staat opgenomen over boekingstuk 16 dat deze kosten zien op de aanschaf van stoelen door [Y]. Gesteld wordt dat deze kosten dienen te worden gekwalificeerd als privé-uitgaven. [directeur], directeur van [bedrijf 7] BV heeft als getuige68 met betrekking tot deze transactie verklaard dat deze stoelen onder dezelfde condities zijn geleverd als de vorige en afgeleverd op de [woonadres Y]. Voorts heeft hij verklaard dat de stoelen ook zijn betaald door [maatschap] met weer hetzelfde rekeningnnummer. Hierbij refereert hij in zijn verhoor aan hetgeen hij heeft verklaard over de levering van de stoelen zoals hiervoor opgenomen onder 9 betreffende D/003-1-A. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse rekening in die zin dat de rekening is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Y] zelf de afnemer van de geleverde stoelen en kussens was en niet [maatschap]. Verweer m.b.t. feit 1 A onder 9 en 10 Onrechtmatige opsporingsmethode door gebruik van Google Earth Dit verweer ziet op de onder 1 (A,) genoemde facturen onder 9 en 10, te weten: 9. een rekening van [bedrijf 7], gedateerd 1 april 2004, gericht aan [maatschap], mevrouw [mevrouw A] totaal € 626,75 (btw € 100,07) (bijlage D/003-l A) en 10. een rekening van [bedrijf 7], gedateerd 19 april 2004, gericht aan [maatschap], mevrouw [mevrouw A] totaal € 768,51 (btw € 122,70) (bijlage D/006-1 A) De verdenking luidt dat medeverdachte [medeverdachte Y] bij [bedrijf 7] twee gele Bubble Club fauteuils heeft besteld en deze heeft laten factureren op naam van [maatschap] en het adres van [maatschap], maar feitelijk heeft laten afleveren op haar privéadres. Uit het dossier blijkt dat bij het onderzoek naar deze facturen onder meer de internetsite "Google Earth" is geraadpleegd. Geverbaliseerd69 is hoe via Google Earth het privéadres van medeverdachte [medeverdachte Y] is opgezocht en hoe vervolgens is ingezoomd op de tuin van [medeverdachte Y], waarin verbalisante twee gele stoelen zag staan die volgens haar grote gelijkenis vertonen met de door [medeverdachte Y] gekochte stoelen. Van deze inzoomactie is een fotoafdruk70 gemaakt welke aan het dossier is toegevoegd. Volgens de verdediging is het via Google Earth inzoomen op een private plaats een onrechtmatige opsporingsmethode. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging vooropgesteld dat de woning en tuin van [medeverdachte Y] plaatsen zijn waar betrokkenen een 'reasonable expectation of privacy' in de zin van artikel 8 EVRM mogen hebben. Het via Google Earth inzoomen op een private plaats is geen in de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB) voorziene opsporingsmethode. Uitgangspunt van de BOB- wetgever is geweest dat opsporingsmethoden die inbreuk maken op de privacy een specifieke grondslag in de wet behoeven en dus niet kunnen worden gebaseerd op algemene taakstellende bepalingen als artikel 2 Politiewet 1993 of artikel 141 Sv. Tenslotte is nog aangevoerd dat het via Google Earth inzoomen op een private locatie niet als een lichte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan worden beschouwd. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer moet worden verworpen en heeft daartoe aangevoerd dat het 'surveilleren op de digitale snelweg' geen onrechtmatige opsporingsmethode is. Volgens de officier van justitie biedt artikel 141 Sv, artikel 2 Politiewet dan wel artikel 3 Wet bijzondere opsporingsdiensten voldoende grondslag voor deze vorm van surveilleren. Hoewel de rechtbank de resultaten verkregen via de door de verdediging betwiste opsporingsmethode, te weten het gebruik van Google Earth, niet zal gebruiken voor het bewijs, overweegt de rechtbank ten overvloede als volgt. De politietaak ter strafrechtrechtelijke handhaving van de rechtsorde zoals deze in artikel 2 van de Politiewet is neergelegd, is door de jaren heen in de jurisprudentie gebruikt als grondslag voor strafrechtelijk politieoptreden. Met het Zwolsman-arrest71 heeft de Hoge Raad deze jurisprudentie aangescherpt in die zin dat de op artikel 2 Politiewet gebaseerde opsporingsmethode niet meer dan'een geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer' met zich mag brengen. In de rechtspraak over de reikwijdte van artikel 8 EVRM wordt als maatstaf aangehouden of er sprake is van een situatie waarin iemand 'redelijkerwijs mag verwachten onbevangen zichzelf te kunnen zijn'72 De verdediging heeft gesteld dat met de invoering van de Wet BOB op 1 februari 2000 de wetgever heeft beoogd dat het gebruik van bijzondere technische opsporingsmiddelen in de wet wordt gecodificeerd en altijd aan een toets door de officier van justitie en/of de rechter-commissaris moet worden onderworpen. Uit de huidige opzet van het Wetboek van Strafvordering en de jurisprudentie73 die is gewezen sedert het genoemde Zwolsman-arrest volgt weliswaar dat bijzondere opsporingsmethodieken die inbreuk maken op de rechten van de verdachte een bijzondere wettelijke basis in het Wetboek van Strafvordering behoeven, maar ook is na de invoering van de wet BOB onverkort blijven gelden dat de algemene taakomschrijving in artikel 2 Politiewet een toereikende wettelijke grondslag biedt voor opsporingsmethoden die slechts in beperkte mate inbreuk maken op het recht van een verdachte op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Doorslaggevend bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de inzet van dergelijke opsporingsmethoden is derhalve in welke mate de inzet van die middelen inbreuk maakt op de fundamentele rechten van de verdachte. De Hoge Raad74 heeft voorts geoordeeld dat voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van die inbreuk van belang is de duur en de intensiteit van de observaties en de plaats waar en de wijze waarop de observaties zijn verricht. Ook de ernst van de ten laste gelegde feiten dient te worden betrokken bij het oordeel of artikel 2 Politiewet een toereikende bevoegdheid schept75. De rechtbank ziet zich aldus gesteld voor de vraag welke betekenis het bepaalde in artikel 2 Politiewet heeft in de digitale wereld. Vooropgesteld zij dat het via Google Earth inzoomen op een of meer plaatsen niet kan worden aangemerkt als het gebruik van bijzondere technische opsporingsmiddelen, nu iedere burger bij het gebruik van het internet, zulks kan doen. In de memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel computercriminaliteit II76 heeft de Minister van Justitie in dit verband naar voren gebracht dat een opsporingsambtenaar op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 'als ieder ander kan rondkijken in de digitale wereld en kennis kan nemen van de voor een ieder raadpleegbare informatie. (...) Zoals de politie, al dan niet in burger, op straat mag surveilleren en rondkijken, zo mag een rechercheur vanachter zijn computer hetzelfde doen op internet. Een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is daarvoor niet nodig'. Daarbij wordt opgemerkt dat deze bevoegdheid om rond te kijken op een openbaar netwerk niet de bevoegdheid impliceert om stelselmatig voor de uitoefening van de politietaak gegevens van internet te downloaden en in een politieregister op te slaan. In de onderhavige zaak heeft de verbalisant via Google Earth, zijnde een voor iedereen op internet raadpleegbare informatiebron, ingezoomd op de tuin van medeverdachte [medeverdachte Y], hetgeen een momentopname in de vorm van een fotoafdruk van deze tuin heeft opgeleverd die aan het dossier is toegevoegd. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat - als het Zwolsmancriterium in dit verband al zou kunnen worden aangehaald77 - niet meer dan een beperkte inbreuk is gemaakt op het recht op de privacy van medeverdachte [medeverdachte Y], zodat artikel 2 Politiewet 1993 in dit geval een toereikende wettelijke grondslag bood om via Google Earth vast te stellen, of de desbetreffende stoelen zich inderdaad bevonden op het privéadres van [medeverdachte Y]. Wat er ook van zij, een en ander heeft geen gevolgen voor de strafzaken tegen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte Z] nu daarmee geen sprake kan zijn van een ongeoorloofde inbreuk op het recht op privéleven van die verdachten. 11. In de administratieve bescheiden welke door mr. [ex-vennoot] aan ambtenaren van de belastingdienst zijn overgelegd is onder meer, aangetroffen78: een factuur met nummer 2004/201593/158 79 (D/088-
- a)op naam van [bedrijf 8] gedateerd 12 juni 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. mevrouw [medeverdachte Y] totaal € 681,00 (btw € 108,73) met de omschrijving "Het leveren en monteren van twee rolgordijnen". Tijdens het onderzoek naar deze factuur bij [bedrijf 8]80 is door een medewerker van dit bedrijf aan verbalisanten een uitdraai detailinformatie81 van de onderhavige transactie uitgedraaid, waaruit blijkt dat op 7 juli 2004 een bedrag van € 681,- met omschrijving 2004/201593/158 door [maatschap] is betaald. Volgens verbalisanten is dit bedrag bij [maatschap] opgenomen in het grootboek 'investeringen'. Nadien heeft genoemde medewerker van [bedrijf 8] aan verbalisanten een zogenoemde maatneembon van betreffende rolgordijnen zoals vermeld op de factuur gemaild. Op deze maatneembon82 gedateerd 9 mei 2004, staan onder meer de volgende gegevens vermeld: "[medeverdachte Y] [maatschap] opmeten rolgordijnen, [woonadres Y] [telefoonnummer]". Bij de omschrijving op de maatneembon is onder meer geschreven "Kamer" met daarachter 3 verschillende maten en de omschrijving "SLK ouders" met daarachter 2 verschillende maten. Voorts staat een vijftal bedragen onder elkaar vermeld met een totaal telling van € 681. Onder aan de maatneembon is de volgende opmerking geschreven en omcirkeld: "[maatschap], [adres], tav mw [medeverdachte Y], Tel [nummer], [postcode]". Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Y] zelf de afneemster van de geleverde rolgordijnen was en niet [maatschap]. 12. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen83: een factuur met nummer 5030084 (D/029-
- a)op naam van [bedrijf 9] gedateerd 17 augustus 2004 gericht aan [maatschap] totaal € 2462,11 (btw € 393,11) met de omschrijving "Inbraaksignaleringssysteem + zender, datum 25 maart 2004". Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 2069,-. Op de rekening-courant85 staat onder volgnummer 38 in de kolom [initialen verdachte] "17-08-04, [bedrijf 9] Alarm" een bedrag van € 2069,-. In de toelichting door mr. Verbruggen86 staat opgenomen over boekingstuk 38 dat deze kosten zien op een aangelegd alarm bij de privéwoning van [verdachte]. In de administratie van [bedrijf 9] is een kopie factuur87 van [bedrijf 9] aan [verdachte], gedateerd 17-08-04 en genummerd 50300, betreffende een inbraaksignaleringssysteem en een zender. Het betreft een factuur met hetzelfde nummer als genoemde factuur D/029-a, maar met dit verschil dat niet [maatschap] de geadresseerde is, maar [verdachte]88. [directeur], directeur van [bedrijf 9] is in bijzijn van de heer [administrateur], administrateur bij de [bedrijf 9], als getuige gehoord89. Geconfronteerd met bovengenoemde twee facturen heeft [administrateur] hieromtrent verklaard dat de adressering van de factuur waarschijnlijk op telefonisch verzoek is aangepast van het adres van [verdachte] naar het adres van [maatschap]. Uit D/030 blijkt dat het onderhoudscontract en abonnementskosten voor de alarmcentrale werden gefactureerd aan [verdachte]. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de rekening is geadresseerd aan [maatschap], terwijl verdachte zelf de afnemer van de geleverde inbraakinstallatie was en niet [maatschap]. Mr. Verbruggen heeft in zijn toelichting gesteld dat de reden voor deze uitgave overwegend zakelijk was omdat verdachte in een inbraakgevoelige woning verbleef en regelmatig thuis aan het werk was. Gelet op het reeds eerder besproken karakter van de rekening-courant en het feit dat het onderhoudscontract op naam van verdachte stond is de rechtbank van oordeel dat het in casu om een valse factuur gaat in de zin zoals hiervoor is besproken. 13. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen90: een factuur91 (D/212) op naam van [bedrijf 10] gedateerd 21 augustus 2004 gericht aan [maatschap] totaal euro 305,00 (btw euro 48,70) met de omschrijving "Beocom 4 beige". Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 256,30. Op de rekening-courant92 staat onder volgnummer 37 in de kolom [initialen verdachte] " 21-08-04, [bedrijf 10] telefoon" een bedrag van € 256,30. In de toelichting door mr. Verbruggen93 staat opgenomen over boekingstuk 37 dat deze een door verdachte aangeschafte telefoon betreft. Deze telefoon is voor privédoeleinden gebruikt en had, zo wordt gesteld, derhalve niet ten laste van [maatschap] mogen komen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl verdachte zelf de afnemer van de geleverde telefoon was en niet [maatschap]. 14. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen94: een factuur met nummer 200414195 (D/035 B) op naam van [bedrijf 11] gedateerd 24 september 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. Mr. [medeverdachte Y] totaal € 1070,00 (btw € 170,84) met als omschrijving "Stoel geleverd". Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 899,16. Op de rekening-courant96 staat onder volgnummer 43 in de kolom [Y] "24-09-2004, [bedrijf 11]stoel, 899,16" met als bedrag € 899,16. In de toelichting door mr. Verbruggen97 staat opgenomen over boekingstuk 43 dat dit een door [Y] aangeschafte stoel is die voor privédoeleinden is gebruikt. Uit de orderbrief en de vrachtbrief/orderbon98 van een vervoersbedrijf komt naar voren dat als bestemming van de stoel, [adres medeverdachte Y] is vermeld, zijnde het huisadres van [medeverdachte Y]. In het grootboek van [maatschap] is dit geboekt op de rekening "investeringen"99. [eigenaresse], eigenaresse [bedrijf 11] heeft als getuige verklaard dat de onderhavige factuur is gericht aan [maatschap], maar dat de desbetreffende stoel is geleverd op het privéadres van [medeverdachte Y]. 100 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Y] zelf de afnemer van de geleverde stoel was en niet [maatschap]. 15. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen101: een factuur102 ( D/038)op naam van [bedrijf 11] gedateerd 5 november 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. Mr. [medeverdachte Y] totaal € 880,58 (btw € 140,60) met de omschrijving "Div. kantoorverlichting". Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 739,98. Op de rekening-courant103 staat onder volgnummer 45 in de kolom [Y] "05-11-02, Kantoorverlichting" een bedrag van € 739,98. In de toelichting door mr. Verbruggen104 staat opgenomen over boekingstuk 45 dat dit door [Y] aangeschafte interieurartikelen betreft ten behoeve van haar woning. [medeverdachte Y] meent zich te herinneren dat het om gordijnen ging. Gesteld wordt dat dit een uitgave is die ten onrechte zakelijk is geboekt. Uit onderzoek105 naar de leveringen door [bedrijf 11] aan [maatschap] blijkt dat hoewel op factuur D038A de omschrijving "Div. kantoorverlichting" staat vermeld, uit de onderliggende bescheiden, zoals een gordijnbon (orderbon) 106 van [bedrijf 11] naar voren komt dat het om gordijnen ging in de woning van [medeverdachte Y]. In het grootboek van [maatschap] is dit geboekt op de rekening investeringen als [bedrijf 11] verlichting. [eigenaresse], eigenaresse [bedrijf 11] heeft over de onderhavige factuur verklaard dat [medeverdachte Y] gordijnen heeft besteld hetgeen ook blijkt uit de orderbon. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Y] zelf de afnemer van de geleverde gordijnen was en niet [maatschap] en daarnaast de onjuiste omschrijving van de geleverde goederen op de factuur is opgenomen, te weten kantoorverlichting in plaats van gordijnen. 16. en 17.In de administratie van [maatschap] zijn aangetroffen107: * (ad 16) een factuur108 (D/227) op naam van [bedrijf 12] gedateerd 13 december 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v, de heer [verdachte] totaal € 2380,00 (btw € 380,00) met als omschrijving " 1x zwart/wit foto [titel], 40 x 50 barietafdruk in lijst met passepartout, Editie 3/15, genummerd en gesigneerd. Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 2000,-. Op de rekening-courant109 staat onder volgnummer 53 in de kolom [initialen verdachte] "13-12-04, [bedrijf 12]" een bedrag van € 2000,-. In de administratie van [maatschap] is voorts aangetroffen110: * (ad 17.) een factuur111 (D/226) op naam van [bedrijf 12] gedateerd 13 december 2004 gericht aan [maatschap], t.a.v. mevrouw [medeverdachte Y] totaal € 2.380,00 (btw € 380,00) met als omschrijving "1 x zwart/wit foto [titel], 1989, 50 x 60 cm, barietafdruk in lijst met passepartout, Editie 5/30, genummerd en gesigneerd. Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 2000,-. Op de rekening-courant112 staat onder volgnummer 53 in de kolom [Y] "13-12-04, [bedrijf 12]" een bedrag van € 2000,-. Door mr. Verbruggen is op boekstuk 53 geen toelichting gegeven. De rechtbank stelt op grond van vorenstaande vast dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte Y] kennelijk op dezelfde dag, bij dezelfde galerie een kunstwerk hebben gekocht en deze aankopen apart hebben laten factureren en hebben geplaatst op de zogenoemde rekening-courant, afgesplitst per persoon. Gelet op deze omstandigheden en hetgeen hiervoor reeds is overwogen over de kennelijke bedoeling van de rekening-courant is de rechtbank van oordeel dat het in casu om twee privé-uitgaven van verdachte en medeverdachte [medeverdachte Y] gaat. Daar komt bij dat, wanneer die aankopen ten behoeve van het kantoor waren gedaan de aanduiding van verdachte respectievelijk de medeverdachte niet begrijpelijk zouden zijn. Beide facturen worden door de rechtbank om die redenen als vals aangemerkt, aangezien de facturen zijn geadresseerd aan [maatschap] terwijl verdachte en medeverdachte [medeverdachte Y] de afnemers van de kunstwerken waren en niet [maatschap]. 18. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen113: een factuur (D/047-1 A)op naam van [bedrijf 11] gedateerd 31 maart 2005 gericht aan [maatschap], t.a.v. Mr. [medeverdachte Y] totaal euro 407,12 (btw euro 65,00) met als omschrijving "geleverde verlichting". Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 342,12. Op de rekening-courant114 staat onder volgnummer 64 in de kolom [Y] "31-03-05, [bedrijf 11] verlichting" een bedrag van € 342,12. In de toelichting door mr. Verbruggen115 staat opgenomen over boekingstuk 64 dat dit een privé-uitgave betreft van [Y]. Gesteld wordt dat de kosten van € 342,12 ten onrechte ten laste zijn gekomen van het resultaat van [maatschap]. Uit onderzoek116 naar de leveringen door [bedrijf 11] aan [maatschap] blijkt dat, hoewel op factuur D/047-1 A de omschrijving geleverde verlichting staat vermeld, uit de onderliggende bescheiden, zoals een gordijnbon (met omschrijving "6 mtr Saba 1-6244-261 en 1 embrasse), naar voren komt dat het gaat om gordijnen in de woning van [medeverdachte Y]. Op de gordijnbon is bovendien een briefje meegekopieerd waarop is vermeld: "Rekening sturen met omschrijving verlichting op de zaak ('verlichting op de zaak' is doorgehaald, red.), geleverde verlichting". [eigenaresse], eigenaresse [bedrijf 11] heeft over genoemde factuur en gordijnbon verklaard dat dit hetzelfde verhaal is (daarbij refererend aan factuur D/035, zie hierboven onder 15). [eigenaresse] bevestigt dat de verkeerde omschrijving op de factuur is terecht gekomen. 117 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Y] zelf de afnemer van de geleverde gordijnen was en niet [maatschap] en daarnaast de onjuiste omschrijving van de geleverde goederen op de factuur is opgenomen, te weten verlichting in plaats van gordijnen. 19. In de administratie van [maatschap] is aangetroffen118: een factuur met nummer 2005-012119 (D-83-
- c)op naam van [bedrijf 2] gedateerd 31 maart 2005 gericht aan [maatschap] T.a.v. de heer [medeverdachte Z] totaal € 4727,87 (btw € 754,87) met als omschrijving "Diverse onderhoudswerkzaamheden volgens afspraak". Het totaal bedrag zonder btw bedraagt derhalve € 3973,-. Op de rekening-courant120 staat onder volgnummer 67 in de kolom [Z] "31-03-05, [bedrijf 2]" een bedrag van € 3973,-. In de toelichting door mr. Verbruggen121 staat opgenomen over boekingstuk 67 dat dit een factuur betreft van aannemersbedrijf [bedrijf 2] en dat dit bedrag van € 3973 door [Z] ten onrechte ten laste is gebracht van het resultaat van [maatschap]. In het kader van een onderzoek122 naar de facturen van [bedrijf 2] aan [maatschap] is van [bedrijf 2] een kopiefactuur123, genummerd 2005-012 ontvangen alsmede een overzicht124 met gewerkte uren en gebruikt materiaal, en de naam Fam [Z] [woonplaats], behorende bij factuur genummerd 2005-012. Op dit overzicht is vermeld "Fam [Z] [woonplaats]" met een omschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden, waaronder aanbrengen beveiliging, verlichting. Voorts is geverbaliseerd dat dit overzicht van de werkzaamheden uren en materialen niet achter de factuur in de administratie van [maatschap] is aangetroffen. [eigenaar], eigenaar van [bedrijf 2], heeft desgevraagd als getuige verklaard125 dat hij verschillende werkzaamheden in en om de woning van [medeverdachte Z] heeft verricht aan en dat hij vrijwel alle facturen van de verrichte werkzaamheden bij [medeverdachte Z] thuis op zijn verzoek naar het kantoor van [maatschap] stuurde. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een valse factuur in die zin dat de factuur is geadresseerd aan [maatschap], terwijl medeverdachte [medeverdachte Z] zelf de afnemer