RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE Zittingplaats Roermond Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 10 / 29220 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2011 in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. I.K. Kolev), en [verweerder], verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 juli 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te verlenen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei
(700)en de meeste presidentskandidaten (..), de leiders van de democratische oppositie (..) , en een groot aantal activisten, journalisten, leraren, en studenten, die veroordelingen tot wel 15 jaar gevangenisstraf kunnen verwachten. (..) .Het Europees Parlement veroordeelt alle repressie en vraagt de [naam][naam] autoriteiten met klem om onmiddellijk alle vormen van pesterij, intimidatie of bedreiging tegen maatschappelijke activisten te stakenen dus onder meer een eind te maken aan de invallen, huiszoekingen en inbeslagname van materiaal in particuliere woningen, gebouwen van onafhankelijke media en kantoren van maatschappelijke organisaties, als ook het wegsturen van opposanten van universiteiten en werkomgeving. Het Europees Parlement veroordeelt de blokkering van een aantal belangrijke internetwebsides, onder meer van netwerkkanalen en websites van de oppositie, op de dag van de verkiezingen in [naam]”. (..). Daarnaast is in de door eiser overgelegde algemene informatie eveneens sprake van een zeer slechte situatie op het gebied van mensenrechten, vinden er willekeurige arrestaties plaats vaak vanwege politieke redenen en/of het uiten van kritiek op het regime, is er sprake van corruptie en omkoping in het gerechtelijk circuit, kregen oppositionele activisten inderdaad lange gevangenisstraffen en zijn de omstandigheden in de gevangenissen bijzonder slecht In het licht van het vorenstaande valt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nadere motivering in te zien waarom, zoals verweerder dat heeft gesteld, de door eiser verrichte oppositieactiviteiten in Nederland geen aanleiding geven om te concluderen dat eiser te vrezen heeft voor vervolging en/of een behandeling in strijd het bepaalde in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
- Het voorgaande brengt met zich dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
- De rechtbank zal verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze worden vastgesteld op € 874,= (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,=, wegingsfactor 1). Nu niet is gebleken dat aan de gemachtigde van eiser een toevoeging is verstrekt, zal het bedrag van de proceskosten aan eiser worden vergoed. Derhalve dient het bedrag aan eiser te worden vergoed.
- De rechtbank bepaalt voorts dat aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 150, dient te worden vergoed. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,= (wegens kosten van rechtsbijstand), te betalen aan eiser; bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 150, volledig vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.W. Gubbels-Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december
- w.g. mr. P.C.W. Gubbels-Willems, griffier w.g. mr. F.H. Machiels, rechter Voor eensluidend afschrift: de griffier, Afschrift verzonden aan partijen op: 21 december
- Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.