RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/8420 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2011 in de zaak tussen Mijbupark B.V., te Noordwijkerhout, eiseres (gemachtigde: mr. D.G. Lasschuit), en het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, verweerder. (gemachtigde mr. R. Lever) I PROCESVERLOOP Bij besluit van 18 januari 2011, verzonden op 9 februari 2011, heeft verweerder besloten handhavend op te treden tegen het illegale gebruik van de dienstwoning aan de [a-straat] 41 te [plaats]. Bij brief van 6 oktober 2011, ingekomen bij de rechtbank op 7 oktober 2011, heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het door de bewoners van de dienstwoning tegen dit besluit gemaakte bezwaar. Op 28 april 2011 is een hoorzitting gehouden door de Commissie voor de behandeling van Bezwaar- en Beroepschriften. Op verzoek van de rechtbank om aan te geven of het juist is dat de termijn waarbinnen een beslissing op bezwaar dient te worden genomen is overschreden, heeft verweerder bij brief van 18 oktober 2011 gereageerd. Eiseres heeft hierop bij brief van 19 oktober 2011 een reactie ingediend. II OVERWEGINGEN
- Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt beslist binnen zes weken of, indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van die wet is ingesteld, binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijkgesteld. Een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. In het derde lid van dat artikel is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. 2.1 De rechtbank overweegt dat blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Onderdeel D, betreffende wijziging van artikel 7:14) een bezwaarschrift als een aanvraag in de zin van de Awb wordt aangemerkt (Parl. Gesch. Awb I, blz. 282). 2.2 Uit artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb blijkt dat alleen aan de aanvrager een dwangsom kan worden verbeurd en dat alleen de aanvrager het bestuursorgaan in gebreke kan stellen. 2.3 De rechtbank stelt vast dat eiseres in dit geval niet de aanvrager is, aangezien zij geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen verweerders besluit van 18 januari
- Eiseres kan dan ook niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden aangemerkt bij het gestelde uitblijven van een beslissing op bezwaar. 2.4 De rechtbank acht geen onderzoek ter zitting noodzakelijk en zal met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. 2.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III BESLISSING De Rechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.P.M. Meskers, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers. RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij aan de rechtbank verzoeken omtrent het verzet te worden gehoord. Afschrift verzonden op: