vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 328652 / HA ZA 09-0255 Vonnis van 7 december 2011 in de zaak van mr. [curator], in haar hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennootschappen [BV 1] en [BV 2], eiseres kantoorhoudende te Rijswijk, advocaat : mr. J.I. van Vlijmen, tegen 1. de besloten vennootschap [gedaagde 1 BV], gedaagde 1 gevestigd te [P 1], niet verschenen, vordering ingetrokken ter rolzitting van 11 mei 2011, 2. de besloten vennootschap [gedaagde 2 BV], gedaagde 2 gevestigd te [P 1] tot haar faillissement van 4 augustus 2009, advocaat eerst mr. T.E. van der Bent, vordering ingetrokken ter rolzitting van 7 april 2010, 3. de besloten vennootschap [gedaagde 3 BV], gedaagde 3 gevestigd te [P 2 ], 4. de heer [gedaagde 4], gedaagde 4 wonende te [P 2 ], advocaat : eerst mr. T.E. van der Bent, daarna mr. D. Beljon. De rechtbank zal de resterende procespartijen hierna aanduiden als enerzijds de curator en anderzijds [gedaagde 3 BV] en [gedaagde 4]. De procedure 1.1 De rechtbank heeft voor het wijzen van dit vonnis kennis genomen van de navolgende processtukken, waaruit ook het procesverloop blijkt: - de dagvaardingen van 21 en 24 november 2008 met producties 1 t/m 29; - de ter eerste rolzitting van 21 januari 2009 ingediende 30 beslagstukken; - de incidentele conclusie tot vrijwaring van 1 april 2009; - de akte tot referte in het incident van 15 april 2009; - het vonnis in het incident van 20 mei 2009; - de conclusie van antwoord van mr. Van der Bent van 1 juli 2009; - het exploot van oproeping en hervatting van 16 juli 2010; - het tussenvonnis van 27 oktober 2010, de beschikking van 10 december 2010 en het instructieformulier van 14 december 2010 van de rechtbank; - de op 21 januari 2011 bij brief ontvangen akte met producties 30 t/m 36 van de curator; - de op 20 januari 2011 bij brief ontvangen akte met producties 1 t/m 31 van mr. Beljon; - de op 26 januari 2011 bij faxbrief ontvangen producties 32 en 33 en de op 1 februari 2011 bij brief ontvangen producties 34 t/m 50 van mr. Beljon; - het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 3 februari 2011; - de nadere conclusie van antwoord van mr. Beljon van 30 maart 2011; - de conclusie van repliek met producties 36 t/m 44 van 11 mei 2011; - de conclusie van dupliek van 6 juli 2011. 1.2 Ter rolzitting van 20 juli 2011 is vonnis gevraagd en bepaald. De feiten 2.1 Leden van de familie [X] waren kort gezegd van maart 1996 tot juli 2006 (indirect) aandeelhouders en directeuren van de besloten vennootschappen [X Beheer BV], [BV 1] (hierna ook kortweg genoemd "[BV 1]"), [BV 3], en tot haar faillissement op 3 mei 2005 [BV 4]. Al deze [X]- vennootschappen waren gevestigd in het tot juli 2006 aan de heer [X] in eigendom toebehorende bedrijfspand aan de [adres]. 2.2 In februari 2006 heeft mr. [curator 2] als curator in het faillissement van [BV 4] voornoemd met goedkeuring van de R-C aan [BV 1] verkocht de goodwill voor € 7.500,- en de bedrijfsmiddelen voor een getaxeerde liquidatiewaarde van € 11.250,- plus BTW. De familie [X] wenste eind 2005 / begin 2006 de resterende [X]-ondernemingen en het bedrijfspand te verkopen aan de toenmalige bedrijfsleider de heer [Y]. Als financiers voor deze voorgenomen transacties werden al snel gevonden vennootschappen van de heren [Z] en [gedaagde 4]. 2.3 Op of omstreeks 22 juni 2006 heeft in dat kader gedaagde 3 [gedaagde 3 BV], waarvan gedaagde 4 [gedaagde 4] directeur en grootaandeelhouder (hierna "DGA") is, het bedrijfspand aan de [adres] van de heer [X] gekocht en overgenomen voor € 900.000,- kosten koper. Vervolgens heeft [gedaagde 3 BV] dat bedrijfspand een dag later doorverkocht en overgedragen aan de heer [W] voor € 1.400.000,- kosten koper. In datzelfde kader heeft [X Beheer BV] op 30 juni 2006 al haar aandelen in [BV 3] voor € 1,- verkocht en overgedragen aan [gedaagde 1 BV] (gedaagde 1), en heeft mevrouw [X] op 30 juni 2006 al haar aandelen in [BV 1] voor € 1,- verkocht en overgedragen aan [gedaagde 1 BV]. Directeur van [gedaagde 1 BV] was sinds 2 juni 2006 de heer [Y]. Aandeelhouders van [gedaagde 1 BV] waren sinds juni 2006 voor 30% de heer [Y], voor 20% [Holding BV 5] met als DGA de heer [Z], en voor 50% [gedaagde 3 BV] met als DGA zoals al vermeld de heer [gedaagde 4]. 2.4 De in juni 2006 op de doorverkoop van het bedrijfspand gemaakte winst van exclusief kosten € 500.000,- heeft [gedaagde 3 BV] vervolgens door vele deelbetalingen geïnvesteerd in [gedaagde 1 BV] en/of in haar nieuwe dochterondernemingen [BV 1] en [BV 3]. Deze laatste vennootschap huurde van de nieuwe eigenaar [W] per 1 juli 2006 het bedrijfspand, en kwam in dat kader ook met [W] overeen dat zij op haar kosten een interne verbouwing en renovatie van het bedrijfspand zou laten uitvoeren voor € 250.000,-. [BV 3] is door een statutenwijziging per 7 september 2006 genaamd [BV 2], zoals ook al aangekondigd in de notulen van de aandeelhoudersvergadering van [gedaagde 1 BV] van 1 augustus 2006. 2.5 Blijkens de notulen van de aandeelhoudersvergadering van [gedaagde 1 BV] van 10 september 2007 is [Y] per die datum wegens slechte bedrijfsresultaten en disfunctioneren ontslagen als algemeen directeur van [gedaagde 1 BV] en haar twee voornoemde dochtervennootschappen, en is [gedaagde 4] per die datum benoemd tot interim-directeur met beperkte verantwoordelijkheid en beperkte taken. [Y] heeft zich vervolgens per 1 augustus 2007 bij de Kamer van Koophandel laten uitschrijven als bestuurder van [gedaagde 1 BV] en op haar beurt [gedaagde 1 BV] als bestuurster van [BV 1] en [BV 2], sinds welke datum deze drie vennootschappen geen formele bestuurder meer hadden. 2.6 Deze rechtbank heeft op 28 november 2007 de besloten vennootschap [BV 1] failliet verklaard, met benoeming van eiseres mr. [curator] tot curator. Deze rechtbank heeft vervolgens op 20 mei 2008 de besloten vennootschap [BV 2] failliet verklaard, met benoeming van eiseres mr. [curator] als curator. De curator heeft in beide faillissementen geen activa aangetroffen, met uitzondering van de tegoeden op twee bankrekeningen en de in het bedrijfspand achtergelaten en daarna tegen liquidatiewaarde verkochte projectverlichting. De bij haar ingeleverde administraties van de beide vennootschappen beschouwt de curator als incompleet. 2.7 Na meerdere gelegde conservatoire beslagen en na een garantstelling curatoren van het Ministerie van Justitie is de curator deze bodemprocedure bij inleidende dagvaardingen van 21 en 24 november 2008 gestart tegen gedaagde 1 [gedaagde 1 BV], gedaagde 3 [gedaagde 3 BV], gedaagde 4 [gedaagde 4] en gedaagde 2 [gedaagde 2 BV]. Laatstgenoemde vennootschap was van januari 2008 tot juli 2008 genaamd [BV 6], had als DGA wederom [gedaagde 4] en was ook gevestigd aan de [adres]. 2.8 Tijdens deze bodemprocedure heeft deze rechtbank op 4 augustus 2009 ook [gedaagde 2 BV] en diens dochtervennootschap [BV 7] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. [curator] tot curator in beide faillissementen. Ook in deze faillissementen heeft de curator niet of nauwelijks activa en administratie aangetroffen. Per 1 juli 2009 heeft de eigenaar en verhuurder [W] het bedrijfspand aan de [adres] zo veel als mogelijk doen ontruimen. De geschillen 3.1 De curator heeft bij repliek van 11 mei 2011 haar oorspronkelijke en omvangrijke vorderingen zoals ingesteld bij de inleidende dagvaardingen van 21 en 24 november 2008 gewijzigd en ingeperkt, zoals al besproken ter comparitie van 3 februari 2011. Ter rolzitting van 7 april 2010 had de curator haar tegen de op 4 augustus 2009 gefailleerde gedaagde 2 [gedaagde 2 BV] gerichte vorderingen al ingetrokken, zulks met instemming van de rechtbank omdat deze curator als eiseres ook tot curator van deze verschenen gedaagde 2 [gedaagde 2 BV] is benoemd. Bij repliek van 11 mei 2011 heeft de curator ook haar tegen de niet verschenen gedaagde 1 [gedaagde 1 BV] ingestelde vordering ingetrokken, omdat aan de curator inmiddels was gebleken dat de Kamer van Koophandel de inschrijving van [gedaagde 1 BV] wegens staking van de bedrijfsactiviteiten al per 30 juni 2008 ambtshalve had doorgehaald en dat de Kamer van Koophandel de vennootschap [gedaagde 1 BV] daarna bij het Ministerie van Justitie heeft voorgedragen voor ontbinding. 3.2 Ter beoordeling van de rechtbank resteren na de eiswijziging bij repliek van 11 mei 2011 dan ook nog de navolgende hoofdvorderingen van de curator tegen gedaagde 3 [gedaagde 3 BV] en gedaagde 4 [gedaagde 4], met nevenvorderingen: - ten eerste een verklaring voor recht dat [gedaagde 4] "vanaf 1 juni 2006, dan wel 1 augustus 2007 (na het vertrek van [Y]) feitelijk leidinggevende is van [BV 1] en [BV 2], dat hij zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld, en dat de rechtbank [gedaagde 4] zal veroordelen tot betaling van het gehele deficit in de faillissementen van [BV 1] en [BV 2] (...), nader op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet, en tot betaling van een voorschot van € 100.000,- in het faillissement van [BV 1] (...) en een voorschot van € 500.000,- in het faillissement van [BV 2] (...)"; - ten tweede een verklaring voor recht dat [gedaagde 4] "onrechtmatig jegens de gezamenlijke crediteuren van [BV 1] en [BV 2] heeft gehandeld als gevolg waarvan deze crediteuren schade hebben geleden ter hoogte van het deficit in het faillissement van [BV 1] en [BV 2], althans een zodanige schade als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren (...), met veroordeling van [gedaagde 4] tot betaling van deze schade p.m."; - subsidiair ten derde een verklaring voor recht dat "[gedaagde 3 BV] paulianeus heeft gehandeld en de gezamenlijke crediteuren van [BV 1] en [BV 2] heeft benadeeld als gevolg waarvan deze crediteuren schade hebben geleden ter hoogte van het deficit in het faillissement van [BV 1] en [BV 2], althans een zodanige schade als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren (...), met veroordeling van [gedaagde 3 BV] tot betaling van deze schade p.m.". 3.3 De curator heeft haar hiervoor in rov. 3.2 vermelde hoofdvorderingen onder ten eerste gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde 4] in de zin van art. 2:248 BW. De vorderingen onder ten tweede zijn gebaseerd op onrechtmatige daad van [gedaagde 4] (art. 6:162 BW), en de subsidiaire hoofdvorderingen onder ten derde jegens [gedaagde 3 BV] zijn gebaseerd op de faillissementspauliana als bedoeld in de wetsartikelen 42 en verder Fw. Tegen deze vorderingen hebben [gedaagde 4] en [gedaagde 3 BV] gemotiveerd verweer gevoerd. De in dit verband relevante stellingen en verweren komen hierna bij de beoordeling door de rechtbank aan de orde. De beoordeling van de primaire hoofdvorderingen onder ten eerste: kennelijk onbehoorlijk bestuur door [gedaagde 4] (art. 2:248 BW) ? 4.1 In het licht van de hiervoor in rov. 3.2 onder ten eerste weergegeven hoofdvorderingen van de curator tegen [gedaagde 4], zal de rechtbank eerst het geschilpunt van partijen beoordelen of [gedaagde 4] wel of niet feitelijk beleidsbepaler van de beide gefailleerde vennootschappen [BV 1] en [BV 2] is geweest in de zin van art. 2:248 lid 7 BW, en zo ja, in welke periode. De curator is kort gezegd primair van mening dat mede-aandeelhouder en financier [gedaagde 4] met terzijdestelling van de formele directeur [Y] vanaf de overname per 1 juli 2006 feitelijk het beleid heeft bepaald van de beide failliete vennootschappen, en subsidiair vanaf de formele uitschrijving van [Y] als bestuurder per 1 augustus 2007. [gedaagde 4] is echter van mening dat algemeen directeur [Y] vanaf 1 juli 2006 tot 10 september 2007 bestuurder en feitelijk beleidsbepaler was, en dat [gedaagde 4] zelf na het ontslag van [Y] per 10 september 2007 slechts de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen om met beperkte bevoegdheden te onderzoeken of en hoe beide vennootschappen en hun crediteuren nog te redden waren na het volgens [gedaagde 4] door directeur [Y] van juli 2006 tot september 2007 gevoerde wanbeleid. 4.2 De rechtbank is van oordeel dat na de gemotiveerde en met meerdere bewijsstukken onderbouwde betwisting door [gedaagde 4] (zie diens nadere conclusie van antwoord, randnummers 20 t/m 30) de curator haar stellingen op dit geschilpunt onvoldoende concreet heeft onderbouwd. In feite is de stelling van de curator dat [gedaagde 4] al vanaf juli 2006 feitelijk het beleid van de twee gefailleerde vennootschappen bepaalde slechts gebaseerd op de door belanghebbende [Y] bij de R-C afgelegde verklaring (productie 10 van de curator), en ontbreken overige steekhoudende bewijsstukken van de curator uit andere bron dan [Y] tegenover de vele andersluidende bewijsstukken van [gedaagde 4]. Die vele andersluidende bewijsstukken van of genoemd door [gedaagde 4] zijn onder meer de door [gedaagde 4] bij de R-C afgelegde verklaring (productie 11 bij dagvaarding), het door [Z] en [Y] gemaakte businessplan van 20 maart 2006 waaruit op bijna alle 26 bladzijden blijkt dat het van aanvang af de bedoeling was dat na de overname [Y] directeur en feitelijk leidinggever zou zijn (productie 16 van [gedaagde 4]), de uitvoerige brief van 4 juni 2006 van [Y] zelf aan [Z] en [gedaagde 4] over het na de overname te voeren beleid waaruit ook geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat [Y] en niemand anders het beleid van de vennootschappen zal gaan bepalen (productie 18 van [gedaagde 4]), de email van [Z] aan [Y] van 31 augustus 2007 waaruit blijkt dat volgens [Z] [Y] als directeur tot die datum ook feitelijk het beleid heeft bepaald (productie 24 van [gedaagde 4]), en de notulen van de vergadering van aandeelhouders van 10 september 2007 waaruit volgt dat [Y] als algemeen directeur tot dan het beleid bepaalde maar daarin had gefaald volgens de aandeelhouders (productie 9 van de curator). Bij gebreke van een voldoende concreet en terzake dienend bewijsaanbod van het tegendeel van de curator, is de rechtbank gelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden van oordeel dat formeel directeur [Y] ook feitelijk beleidsbepaler was van beide vennootschappen in de eerste periode vanaf 1 juli 2006 tot 10 september 2007. [gedaagde 4] fungeerde in die eerste periode blijkbaar slechts als indirect financier en aandeelhouder, en naar eigen zeggen gelet op zijn expertise ook als begeleider van de verbouwing van het bedrijfspand p[ kosten van [BV 2]. 4.3 Anders ligt dat naar het oordeel van de rechtbank in de tweede periode vanaf 10 september 2007. Uit de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 10 september 2007 en uit de stellingen van [gedaagde 4] zelf (zie zijn nadere conclusie van antwoord randnummers 31 t/m 37 en zijn dupliek randnummers 13 t/m 21) concludeert de rechtbank dat [gedaagde 4] als interim-directeur na het vertrek en ontslag van [Y] en bij gebreke van een andere beleidsbepaler vanaf 10 september 2007 tot de data van beide faillissementen heeft gefungeerd als feitelijk beleidsbepaler van beide vennootschappen. Daaraan doet niet af dat hij naar eigen zeggen slechts beperkte bevoegdheden en taken had. In die hoedanigheid van feitelijk beleidsbepaler en voor die periode loopt [gedaagde 4] - anders dan hij blijkbaar meent - wel degelijk het risico van bestuurdersaansprakelijkheid als door de wetgever bedoeld in art 2:248 BW, waarop de curator haar vorderingen heeft gebaseerd. 4.4 Het tweede te beoordelen geschilpunt is vervolgens de vraag of [gedaagde 4] in die tweede periode zijn taak als bestuurder / feitelijk beleidsbepaler kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van art. 2:248 BW, zoals de curator stelt maar [gedaagde 4] betwist. Het gaat de curator daarbij om de schending van de verplichtingen uit de wetsartikelen 2:10 BW en 2:394 BW door [gedaagde 4]. Naar het oordeel van de rechtbank staat als enerzijds voldoende gesteld en anderzijds onvoldoende betwist vast dat in beide vennootschappen een onvoldoende administratie in de zin van art. 2:10 BW werd gevoerd en dat van beide vennootschappen de jaarrekeningen zoals gesteld door de curator te laat of niet zijn gedeponeerd. [gedaagde 4] had het vanaf in ieder geval 10 september 2007 als feitelijk beleidsbepaler en interim-directeur in zijn macht om deze twee door de wetgever in art. 2:248 BW lid 2 vooropgestelde formele verzuimen van aanvankelijk directeur [Y] en de voor de beide vennootschappen op declaratiebasis figurerende externe accountant [Z] nog zo veel mogelijk te doen herstellen, hetgeen [gedaagde 4] echter heeft nagelaten. 4.5 Dit nalaten van [gedaagde 4] kwalificeert de rechtbank als kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde 4] vanaf 10 september 2007 tot de beide faillissementsdata van 28 november 2007 en 20 mei 2008. Op grond van art. 2:248 BW wordt weerlegbaar vermoed dat dit formeel onweerlegbare kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde 4] een belangrijke oorzaak van de beide faillissementen is geweest. 4.6 Ter beoordeling ligt nu ten derde voor of na het voorgaande [gedaagde 4] op grond van art. 2:248 BW al dan niet moet worden veroordeeld tot betaling van - zoals gevorderd maar betwist - de gehele faillissementstekorten nader op te maken bij staat en tot betaling van voorschotten van € 100.000,- en € 500.000,-. In dat verband heeft [gedaagde 4] - zoals hij op hoofdlijnen al verklaarde ter comparitie - bij de nadere conclusie van antwoord van zijn ter comparitie nieuw gestelde advocaat mr. Beljon in de alinea's 59 t/m 63 gemotiveerd betoogd dat de beide faillissementen geheel andere oorzaken hebben gehad dan het formeel kennelijk onbehoorlijk bestuur door [gedaagde 4] wegens schending van de formele wetsartikelen 2:10 BW en 2:394 BW in de periode vanaf 10 september 2007 tot de beide faillissementsdata 28 november 2007 en 20 mei 2008. Zo wijst [gedaagde 4] in zijn nadere conclusie van antwoord in de randnummers 59 t/m 63 als hoofdoorzaken van beide faillissementen gemotiveerd en concreet onderbouwd met de inhoud van productie 23 op - samengevat - het door directeur en beleidsbepaler [Y] volstrekt niet behalen van de voorgespiegelde en benodigde omzetten in combinatie met de verscherpte concurrentie, op de verslechterde markt, op het niet aanslaan van de te dure marketingactiviteiten van [Y], op de snelle veranderingen op fototechnisch gebied en op het overigens onbehoorlijk handelen van [Y]. Dit terwijl juist [gedaagde 4] in de periode vanaf 10 september 2007 heeft getracht om nog te redden wat er te redden viel, maar daarin uiteindelijk niet is geslaagd mede door de acties van de banken en door de gelegde conservatoire beslagen van de curator en van een vennootschap van [Z], aldus [gedaagde 4]. 4.7 De rechtbank moet concluderen dat de curator vervolgens bij repliek in haar randnummer 2.14 deze gemotiveerde stellingen van [gedaagde 4] over de andere hoofdoorzaken van de faillissementen onvoldoende concreet heeft weerlegd, zoals ook [gedaagde 4] nog uitgebreid nader heeft betoogd bij zijn dupliek in de randnummers 13 t/m 31. Gelet op deze procedurele stand van zaken komt de rechtbank tot het oordeel dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.