RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht, afdeling 4, meervoudige kamer Procedurenummer: AWB 11/1084 VPB Uitspraakdatum: 30 december 2011 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X] B.V. te [Z], eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder. I PROCESVERLOOP 1.1 Verweerder heeft aan eiseres een afwijzende beschikking gegeven op de voet van artikel 15, achtste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb). 1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 september 2010 de beschikking gehandhaafd. 1.3 Eiseres heeft daartegen bij brief van 12 oktober 2010, ontvangen bij de rechtbank Haarlem op 14 oktober 2010, beroep ingesteld. Per brief van 11 november 2010, bij de rechtbank Haarlem ontvangen op 12 november 2010, heeft eiseres het beroep gemotiveerd. De rechtbank Haarlem heeft het beroepschrift met de motivering van het beroep en de bijlagen doorgestuurd naar deze rechtbank, waar het op 2 februari 2011 is binnengekomen. 1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 1.5 Per faxbericht van 10 juni 2011 heeft verweerder een pleitnota ingediend. Per faxberichten van 15 juni 2011 heeft eiseres een pleitnota ingediend en verweerder een aanvulling op zijn pleitnota. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 juni 2011. Namens eiseres is [A] verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [B], [C] en [D]. II OVERWEGINGEN Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast. 2.1 Eiseres is opgericht naar Nederlands recht, is feitelijk in Nederland gevestigd en fungeert als houdstermaatschappij van een aantal dochter- en kleindochtermaatschappijen. 2.2 Via een in Spanje gevestigde vennootschap houdt eiseres middellijk alle aandelen van [E] B.V. Eiseres bezit 100% van de aandelen in de Spaanse vennootschap. Via twee in Griekenland gevestigde vennootschappen houdt zij middellijk 99,38% van de aandelen in [F] B.V. In de ene Griekse maatschappij bezit zij 100% van de aandelen. Via deze Griekse maatschappij bezit eiseres 9,43% van de aandelen in [F B.V.], via de andere Griekse dochtermaatschappij 89,95%. [E B.V.] en [F B.V.] zijn naar Nederlands recht opgericht en feitelijk in Nederland gevestigd. 2.3 Per brief van 11 december 2008 hebben eiseres, [E B.V.] en [F B.V.] bij verweerder het verzoek ingediend om voor de heffing van vennootschapsbelasting te worden aangemerkt als een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet Vpb. Bij de onderhavige beschikking heeft verweerder het verzoek afgewezen. Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerder de beschikking bij de bestreden uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Geschil 2.4 In geschil is of verweerder het verzoek tot vorming van een fiscale eenheid terecht heeft geweigerd. Meer specifiek is in geschil of de Nederlandse wet- en regelgeving betreffende de fiscale eenheid in strijd is met de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken. 2.5 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot wijziging van de beschikking en tot toewijzing van het verzoek tot de vorming van een fiscale eenheid van eiseres met [E B.V.] en [F B.V.]. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil 2.6.0 Voorzover daarover onduidelijkheid mocht bestaan merkt de rechtbank op dat het beroep geacht wordt te zijn ingesteld namens alle vennootschappen waarop het afgewezen verzoek fiscale eenheid betrekking heeft. 2.6.1 Artikel 15, eerste lid, Wet Vpb eist voor de inwilliging van een verzoek tot het vormen van een fiscale eenheid dat de moedermaatschappij de juridische en economische eigendom bezit van ten minste 95% van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van de dochtermaatschappij. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel, wordt onder 'bezit' mede verstaan een middellijk bezit van aandelen, mits deze onmiddellijk worden gehouden door één of meer belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken. Ingevolge het derde lid, onderdeel c, van genoemd artikel dient de belastingplichtige in Nederland te zijn gevestigd om deel uit te kunnen maken van de fiscale eenheid. 2.7.1 Vast staat dat eiseres middellijk 100% van de aandelen in [E B.V.] bezit. Het belang van eiseres in [E B.V.] wordt gehouden via een in Spanje gevestigde 100% dochtervennootschap. Deze in Spanje gevestigde vennootschap heeft geen vaste inrichting in Nederland en kan geen deel uitmaken van een fiscale eenheid met eiseres als moedermaatschappij (HvJ EG 25 februari 2010, C-337/08, X Holding BV, BNB 2010/166; hierna: X Holding). 2.7.2 Vast staat verder dat eiseres middellijk 99,38% van de aandelen in [F B.V.] bezit. Het belang van eiseres in [F B.V.] wordt gehouden door twee Griekse vennootschappen die geen van beiden een vaste inrichting in Nederland hebben en geen deel kunnen uitmaken van een fiscale eenheid (zie 2.7.1) 2.8 Eiseres neemt het standpunt in dat de bij een middellijk bezit van aandelen gestelde voorwaarde dat de tussenhoudster deel moet uitmaken van de fiscale eenheid en derhalve ingevolge het artikel 15, derde lid, onderdeel c, Wet Vpb in Nederland gevestigd moet zijn, in strijd is met de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU. Immers, niet binnen de EU gevestigde vennootschappen zonder vaste inrichting in Nederland, zoals in dit geval de Spaanse en Griekse tussenhoudsters, kunnen geen deel uitmaken van een fiscale eenheid en daarom kunnen ook de in Nederland gevestigde kleindochtervennootschappen [E B.V.] en [F B.V.] geen deel uitmaken van een fiscale eenheid met eiseres. In dit verband beroept eiseres zich onder meer op het arrest HvJ EG 27 november 2008, C-418/07; Société Papillon (hierna: Papillon). In dat arrest is geoordeeld dat de vrijheid van vestiging zich verzet tegen de wettelijke regeling van een lidstaat uit hoofde waarvan een regeling voor belastingheffing naar het groepsinkomen wordt toegepast op een in die lidstaat ingezeten moedervennootschap die eveneens in die lidstaat ingezeten dochter- en kleindochtervennootschappen houdt, terwijl toepassing van die regeling voor een dergelijke moedervennootschap is uitgesloten wanneer haar ingezeten kleindochtervennootschap via een in een andere lidstaat ingezeten dochtervennootschap wordt gehouden. Toegang tot het recht van de EU 2.9 De rechtbank is van oordeel dat voor eiseres, nu haar belang bij de Nederlandse kleindochtermaatschappijen wordt gehouden via buitenlandse dochtermaatschappijen, een beroep open staat op het VWEU, meer in het bijzonder de vrijheid van vestiging. Er is immers geen sprake van een louter interne aangelegenheid. Voor een succesvol beroep van eiseres op het Europese recht moet eerst worden vastgesteld of sprake is van een met het VWEU strijdige discriminatie. Daartoe moet worden onderzocht of een communautaire, grensoverschrijdende situatie vergelijkbaar is met een zuiver interne, Nederlandse situatie, daarbij rekening houdend met de door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doeleinden (punt 27 Papillon en punt 22 X Holding). Grensoverschrijdende en interne situatie 2.10 De wettelijke regeling inzake de fiscale eenheid heeft tot doel om tot een bepaalde groep behorende vennootschappen voor de heffing van vennootschapsbelasting te behandelen als één belastingplichtige. Dit wordt bereikt door de vennootschappen als het ware samen te voegen, zodat de werkzaamheden en het vermogen van de gevoegde vennootschappen geacht worden deel uit te maken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij. Hierdoor worden het vermogen en de resultaten (winsten en verliezen) van de in de fiscale eenheid opgenomen vennootschappen geconsolideerd op het niveau van de moedervennootschap en blijven transacties binnen deze groep van vennootschappen fiscaal neutraal. De wetgever gaat hierbij uit van volledige consolidatie met betrekking tot de vennootschappen die op verzoek van de betrokken belastingplichtigen in de fiscale eenheid zijn gevoegd. 2.11 Het standpunt van eiseres luidt, kort gezegd, dat voor het vormen van een fiscale eenheid tussen een in Nederland gevestigde moedermaatschappij en haar eveneens in Nederland gevestigde kleindochtermaatschappij het niet mag uitmaken of de tussenhoudster al dan niet in Nederland is gevestigd. In reactie hierop heeft verweerder betoogd dat eiseres voorbij gaat aan het feit dat, ingeval de tussenhoudster weliswaar in Nederland is gevestigd, maar deze niet wordt gevoegd in de fiscale eenheid, het evenmin mogelijk is om met de kleindochtermaatschappij een fiscale eenheid te vormen. De rechtbank gaat voorbij aan dit verweer nu de keuze om de tussenhoudster in die situatie niet in de fiscale eenheid te voegen een keuze is van de moedervennootschap, terwijl eiseres met in het buitenland gevestigde dochtermaatschappijen zonder meer die keuze wordt onthouden. De voorwaarde van artikel 15, tweede lid, Wet Vpb, dat de tussenhoudster deel moet uitmaken van de fiscale eenheid, werkt daarom in het nadeel van eiseres met buitenlandse tussenhoudsters nu een keuzemogelijkheid ontbreekt. 2.12 Gelet op de doelstelling van de bepalingen van de fiscale eenheid is de rechtbank van oordeel dat de situatie waarin een in Nederland gevestigde moedermaatschappij een fiscale eenheid wil vormen met haar eveneens in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap via een in Nederland gevestigde dochtervennootschap objectief vergelijkbaar is met de situatie waarin diezelfde moedermaatschappij deze fiscale eenheid tracht te bereiken met een door een buitenlandse dochtervennootschap gehouden in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap. Dit heeft tot gevolg dat artikel 15, tweede lid, in verbinding met het derde lid, onderdeel c, Wet Vpb leidt tot een ongelijke behandeling op grond van de plaats waar de zetel van de tussenhoudster zich bevindt. Dit levert een beperking op die in beginsel ingevolge de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging verboden is (vergelijk punt 24 X Holding). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ook in de zaak die heeft geleid tot Papillon sprake was van een regeling die als voorwaarde voor consolidatie tussen de in Frankrijk gevestigde moedervennootschap en de eveneens in Frankrijk gevestigde kleindochtermaatschappij stelde dat ook de in Frankrijk gevestigde tussenhoudster werd opgenomen in het Franse 'integration fiscal'. 2.13 Een beperking van de vrijheid van vestiging is slechts toelaatbaar wanneer deze gerechtvaardigd is vanwege dwingende redenen van algemeen belang. Daarenboven moet in een dergelijk geval de beperking geschikt zijn om het aldus nagestreefde doel te verwezenlijken en mag zij niet verder gaan dan voor het bereiken van dat doel noodzakelijk is (Papillon punt 33 en X Holding punten 25 en 26). Kortom, er moet sprake zijn van (een) rechtvaardigingsgrond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.