RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Utrecht Sector bestuursrecht Vreemdelingenkamer zaaknummer: AWB 12/5621 en 12/5893 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], gemachtigde: mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder, gemachtigde: S. Faddach. Procesverloop Bij besluit van 6 februari 2012 (hierna: het terugkeerbesluit) heeft verweerder aan eiser het besluit opgelegd dat hij de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten. Het besluit omvat tevens een inreisverbod voor de periode van twee jaar. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2012. Eiser, niet verschenen, is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, nu het beroepschrift niet eisers naam bevat. 2. De rechtbank overweegt dat een beroepschrift, op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover thans van belang, de naam van de indiener dient te bevatten. Op grond van artikel 6:6 van de Awb, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 3. Op grond van artikel 5, vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) heeft een ieder wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht voorziening te vragen bij het gerecht, opdat dit spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is. 4. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 mei 2004, LJN: AR4780, heeft de ABRvS overwogen dat naar de tekst en strekking van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, mede bezien in het licht van artikel 5, vierde lid, van het EVRM, op een kennisgeving van de minister, als bedoeld in voormelde wettelijke bepalingen, het bepaalde in artikel 6:5, aanhef en eerste lid, van de Awb niet van toepassing is. 5. Eiser moet worden aangemerkt als indiener van het beroepschrift in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dat geschrift moet derhalve op grond van die bepaling de naam van de indiener bevatten. Eiser is in de processtukken anoniem en door verweerder aangeduid als 'NNPl009M1202082000'. De rechtbank stelt vast echter dat eiser thans in vreemdelingenbewaring zit sinds 6 februari 2012. Uit de systematiek van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) volgt dat aan de maatregel van bewaring een terugkeerbesluit ten grondslag moet liggen. In dit geval ligt aan de maatregel van bewaring dus het nu in geding zijnde terugkeerbesluit ten grondslag. Indien in het geschil dat nu voorligt in rechte wordt geoordeeld dat verweerder eiser ten onrechte geen vertrektermijn heeft gegund, leidt dat in beginsel tot opheffing van zijn inbewaringstelling. Gelet op deze samenhang dient de rechtbank zowel over de bewaringstelling van eiser als over dit geschil spoedig te beslissen. Gelet op de samenhang van het terugkeerbesluit met artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), is de rechtbank dan ook van oordeel dat, mede bezien in het licht van artikel 5, vierde lid, van het EVRM, op eisers beroepschrift, het bepaalde in artikel 6:5, aanhef en eerste lid, van de Awb niet van toepassing is en dat eisers beroep ontvankelijk is. 6. Eiser heeft aangevoerd dat het terugkeerbesluit en het daarin vervatte inreisverbod onbevoegd is genomen. Daartoe stelt hij dat de hulpofficier van justitie die het terugkeerbesluit heeft ondertekend niet bevoegd is namens de minister voor Immigratie, Integratie en asiel het terugkeerbesluit te nemen. 7. De rechtbank stelt vast dat uit de artikelen 62a en 66a van de Vw, in samenhang met de artikelen 6.4 en 6.5. van het VV, blijkt dat het terugkeerbesluit bevoegd is genomen en het inreisverbod bevoegd is opgelegd door de hulpofficier van justitie/inspecteur van de politie. De beroepsgrond slaagt niet. 8. Eiser voert vervolgens aan dat niet kan worden ingezien dat is gehandeld in lijn met artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Daarbij acht eiser van belang dat niet is gebleken dat het risico op onderduiken als bedoeld in artikel 7, vierde lid, en artikel 3, zevende lid, van de Terugkeerrichtlijn is omgezet in wetgeving. Voorts werkt hij volgens hem thans wel mee aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, nu hij tijdens vertrekgesprekken zijn naam en geboortedatum heeft opgegeven. 9. De Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd in de Vw (Staatsblad 2011, 663) en het Vb (Staatsblad 2011, 664). De gewijzigde bepalingen zijn per 31 december 2011 in werking getreden. 10. Ter zitting is gebleken dat niet langer in geschil is dat artikel 62, tweede lid, van de Vw en artikel 6.1, eerste lid, van het Vb gelezen in samenhang met artikel 5.1b van het Vb een voldoende nationaalrechtelijke basis voor de implementatie van artikel 3, zevende lid, van de Terugkeerrichtlijn gelezen in samenhang met artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. 11. Verweerder heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat ten aanzien van eiser het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, omdat hij:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.