VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 12/2373 AW uitspraak ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker], te [plaats], tegen de vice-president van de Raad van State, verweerder. Procesverloop Verzoeker is op 15 maart 2012 door [A], unithoofd van unit [a], van de Ruimtelijke-ordeningskamer binnen de directie Bestuursrechtspraak van de Raad van State mondeling medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden zal gaan uitoefenen bij unit [b] van de Algemene kamer van de Raad van State. Verzoeker heeft hiertegen bij brief van 20 maart 2012 bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij bij brief van 20 maart 2012 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft de gevolgen van zijn mededeling van 15 maart 2012 opgeschort tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoek is op 3 april 2012 ter zitting behandeld. Verzoeker is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C]. Overwegingen 1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. 2 Verzoeker is sinds [datum] 1979 in dienst bij de Raad van State. Hij is met ingang van [datum] 2000 aangesteld in de functie van medewerker administratie bij de directie Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verzoeker zal in de periode 1 juli 2012 tot 1 oktober 2012 gebruik gaan maken van de Levensloopregeling Rijk. 3 Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 22 maart 2012 toegelicht dat de directie Bestuursrechtspraak thans is verdeeld in drie kamers: de Ruimtelijke-ordeningskamer, de Vreemdelingenkamer en de Algemene kamer. Verzoeker is op 15 maart 2012 door zijn unithoofd, [A], en later door de directeur Bestuurs-rechtspraak, [D], en de adjunct-directeur Bestuursrechtspraak, [B], medegedeeld dat hij zijn functie zal gaan uitoefenen in de Algemene kamer. Volgens verweerder zal verzoeker dezelfde werkzaamheden blijven uitoefenen binnen de directie Bestuursrechtspraak, alleen binnen de Algemene kamer en in een andere unit, in plaats van in de Ruimtelijke-ordeningskamer. Tijdens een gesprek op 19 maart 2012 tussen verzoeker en de directeur en de adjunct-directeur is verzoeker medegedeeld dat de overgang op 28 maart 2012 zal plaatsvinden. Verweerde stelt zich primair op het standpunt dat de beslissing om verzoeker zijn functie in een andere kamer en in een andere unit binnen dezelfde directie te laten uitoefenen niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb of als een hiermee gelijk te stellen handeling jegens een ambtenaar in de zin van artikel 8:1, tweede lid, van de Awb. Verzoeker is aangesteld bij de directie Bestuursrechtspraak en heeft geen aanstelling voor een bepaalde kamer of unit en hij blijft dezelfde functie vervullen. Hij is derhalve niet rechtstreeks in een rechtspositioneel belang getroffen. Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat, door de ontwikkelingen met betrekking tot de instroom van nieuwe zaken bij de Afdeling, de nood hoger is bij de administratie in de Algemene kamer dan in de Ruimtelijke-ordeningskamer. Bezien is waar het personeel zo efficiënt mogelijk kan worden ingezet en gekozen is voor het schuiven met personele capaciteit. Verzoeker is ruim elf jaar werkzaam in de Ruimtelijke-ordeningskamer. Na een dergelijke periode past het in het beleid, zoals neergelegd in de Nota beleid Interne mobiliteit van 14 september 2005 (hierna: de Nota), om van werkomgeving te veranderen. Verzoeker werkt fulltime en is inhoudelijk goed in zijn werk. Hij kan derhalve goed worden gebruikt in de Algemene kamer. Bovendien wordt tegemoetgekomen aan de klacht van verzoeker dat hij in zijn huidige werkomgeving te weinig werk heeft. Verzoeker heeft eerder gewerkt met de leidinggevende van zijn nieuwe unit en de onderlinge zakelijke relatie was goed. Er zijn twee medewerkers administratie, onder wie verzoeker, die in dezelfde vorm gebruik maken van de Levensloopregeling Rijk, te weten door drie achtereenvolgende maanden per jaar levensloopverlof op te nemen. Deze medewerkers werken momenteel allebei in dezelfde unit in de Ruimtelijke-ordeningskamer. In totaal zijn binnen die unit vijf medewerkers werkzaam. Indien twee van de vijf medewerkers gedurende langere tijd afwezig zijn, legt dat een druk op de medewerkers en het werk in die ene unit. Uit bedrijfsvoeringsoogpunt is het derhalve in het belang van de directie om het benutten van levensloop breder binnen de directie te kunnen spreiden. Ten slotte stelt verweerder dat vooralsnog geen termijn is verbonden aan de plaatsing in de Algemene kamer. Dit is afhankelijk van de ontwikkelingen in de instroom van zaken en mogelijke effecten van de beoogde griffierechtenverhogingen. De directie wil daarover met verzoeker in gesprek blijven. Voorgesteld is om eerst te kijken hoe het gaat en na bijvoorbeeld een half jaar een eerste evaluatie op te maken. In beginsel zal de termijn worden aangehouden die in het mobiliteitsbeleid is opgenomen. 4 Verzoeker kan zich niet vinden in de beslissing van verweerder. Hij is erg tevreden op de afdeling en in de unit waar hij werkzaam is ([Ruimtelijke-ordeningskamer a]) en verricht zijn werkzaamheden zeer gemotiveerd en tot volle tevredenheid van verweerder. Verzoeker geeft aan dat hij binnen de Ruimtelijke-ordeningskamer reeds drie keer is verplaatst. Verzoeker stelt dat het ontvangend unithoofd, [E], toen hij nog unithoofd was van verzoeker, bij een van voornoemde verplaatsingen heeft aangegeven blij te zijn van verzoeker te zijn verlost. Verzoeker heeft het ontvangend unithoofd aangegeven niet te willen worden verplaatst naar de betreffende unit ([Algemene kamer b]). Hij heeft al ruim vijf jaar op de ontvangende afdeling gewerkt. Bovendien heeft hij geen affiniteit met de collega's aldaar. De directie heeft een andere medewerker gevraagd naar de ontvangende unit te gaan, maar deze medewerker is niet op dit verzoek ingegaan. Hieruit volgt dat meer medewerkers voor de betreffende functie in aanmerking komen, dat deze medewerkers worden gevraagd voor deze functie en dat zij kunnen weigeren. Verzoeker wijst er ten slotte op dat hij door de Levensloopregeling en verlof slechts vier maanden werkzaamheden kan verrichten. 5 De voorzieningenrechter overweegt met betrekking tot de vraag welk karakter de op 15 maart 2012 gedane mondelinge mededeling heeft als volgt. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 8:1, tweede lid, van de Awb wordt met een besluit gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 8:1, tweede lid, van de Awb, blijkens de toelichting op dit artikellid (Zie ook Awb, Kluwer, tekst en commentaar, zevende druk) waarborgt dat ambtenaren ook beroep kunnen instellen tegen onder meer mondelinge beslissingen en feitelijke handelingen die hen in hun belang als ambtenaar rechtstreeks raken. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad, zie onder meer de uitspraak van 11 november 1993, LJN AK5633, waarin volgens wordt verwezen naar de uitspraak van 18 februari 1993, LJN AN3141) valt onder het begrip "samenstel van werkzaamheden" waarmee de Raad het begrip "betrekking" definieert, ook de betekenis hebbende omstandigheden waaronder die werkzaamheden moeten worden verricht. Als zodanige omstandigheden zijn in ieder geval aan te merken de plaats waar het werk moet worden verricht, de organisatie of instelling waarvan dat samenstel van werkzaamheden deel uitmaakt alsmede tot welk onderdeel van die organisatie of instelling die betrekking behoort. Voorts wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 15 juni 2005, LJN AU
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.