RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: 417828 / KG ZA 12-424 Vonnis in kort geding van 16 mei 2012 in de zaak van [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, advocaat mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelende te 's-Gravenhage, gedaagde, advocaat mr. M.F.H. Hirsch Ballin te 's-Gravenhage.
- De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 9 mei 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.
- Bij vonnis van 13 oktober 2010 heeft de politierechter van de rechtbank Leeuwarden eiseres wegens - kort gezegd - verduistering veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken. In datzelfde vonnis is aan eiseres - ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] - een schadevergoedings-maatregel opgelegd van € 33.740,-, bij gebreke van betaling te vervangen door 203 dagen hechtenis. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. 1.
- De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: 'CJIB'). 1.
- Omdat betaling uitbleef heeft het CJIB een deurwaarder ingeschakeld. Nadat de deurwaarder aan het CJIB had meegedeeld dat eiseres geen verhaal bood, heeft het CJIB bij brief van 17 december 2011 een waarschuwing arrestatiebevel aan eiseres gezonden, waarbij aan eiseres een laatste mogelijkheid is geboden het openstaande bedrag van de schadevergoedingsmaatregel te voldoen. 1.
- Nadat betaling opnieuw uitbleef, is op 8 januari 2012 een arrestatiebevel uitgevaardigd, waarna op 11 januari 2012 is aangevangen met de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. 1.
- Nadat de heer [X.], de partner van eiseres, op 12 januari 2012 contact had opgenomen met het CJIB, heeft het CJIB bij brief van 13 januari 2012 hem het volgende meegedeeld: "Ik ben bij wijze van zeer hoge uitzondering bereid om uw vriendins betaling (van het totaalbedrag ad. € 40.506,00) in 36 maandelijkse termijnen van € 1125,17 toe te staan. De eerste termijn dient uiterlijk 13 februari 2012 (...) te zijn bijgeschreven. De vervaldatum van de overige 35 termijnen is telkens de 13-e van elke volgende maand. (...) Ik wijs u/uw vriendin er nadrukkelijk op dat bij niet, niet tijdige of niet volledige betaling van de termijnen de regeling vervalt. Het bedrag wordt dan ineens opeisbaar. Er zak dan direct weer een arrestatiebevel worden uitgevaardigd." 1.
- Op 13 januari 2012 is eiseres in vrijheid gesteld. 1.
- Op 5 maart 2012 heeft eiseres een bedrag van € 1.125,17 aan het CJIB voldaan. 1.
- Bij brief van 3 april 2012 heeft eiseres het CJIB verzocht om uitstel van betaling. In die brief schrijft zij dat zij aan het einde van die maand in staat is twee termijnen te betalen. 1.
- Bij brief van 9 april 2012 heeft de advocaat van eiseres verzocht om aanpassing van de betalingsregeling. In deze brief schrijft hij met overlegging van relevante financiële stukken dat eiseres met haar bruto-inkomen van € 1.584,- per maand niet in staat is het overeengekomen bedrag te voldoen en dat eiseres moet worden aangemerkt als een schrijnend geval in de zin van de door het CJIB gehanteerde beleidsregels. 1.
- Bij brief van 18 april 2012 heeft het CJIB de verzoeken van eiseres afgewezen en haar meegedeeld dat zij alsnog tot een week nadien de gelegenheid had de twee op dat moment openstaande termijnen te betalen, bij gebreke waarvan opnieuw een arrestatiebevel zal worden uitgevaardigd. 1.
- Bij ongedateerde brief heeft eiseres aan [benadeelde] verzocht akkoord te gaan met een betalingsregeling van € 750,- per maand. Deze brief is vooralsnog inhoudelijk onbeantwoord gebleven.
- Het geschil 2.
- Eiseres vordert, zakelijk weergegeven: I. gedaagde te verbieden de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen; II. gedaagde te verplichten een betalingsregeling met eiseres te treffen van € 750,- per maand, althans een ander in goede justitie te bepalen bedrag; III. gedaagde te veroordelen, voor het geval eiseres reeds in vervangende hechtenis is genomen, haar met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen; een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van gedaagde in de proceskosten. 2.
- Daartoe stelt eiseres het volgende. Eiseres is niet in staat de door het CJIB gevraagde € 1.125,- per maand te betalen. Het is in het belang van alle betrokkenen dat eiseres de gelegenheid krijgt om het openstaande bedrag in maandelijkse termijnen van € 750,- te voldoen. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis leidt ertoe dat eiseres haar juist verworven baan zal kwijtraken en dat zij voorlopig in het geheel niet in staat zal zijn de schadevergoedingsmaatregel te betalen. Het is buitengewoon wrang dat, juist nu eiseres haar leven een positieve wending heeft gegeven en zij de mogelijkheid heeft te betalen, haar die mogelijkheid meteen weer wordt ontnomen. Eiseres moet dan ook worden aangemerkt als een schrijnend geval, zodat met haar een betalingsregeling kan worden getroffen met een langere looptijd dan 36 maanden. Dit geldt temeer, nu [benadeelde] zich nog niet heeft uitgelaten over de door eiseres voorgestelde betalingsregeling. 2.
- Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
- De beoordeling van het geschil 3.
- Aangezien eiseres impliciet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat gedaagde onrechtmatig jegens haar handelt, is de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - bevoegd tot kennisneming van de vordering. Eiseres is in haar vordering ook ontvankelijk, nu haar voor hetgeen zij wil bereiken - een verbod op tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis - geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang meer ter dienste staat. 3.
- Bij de beoordeling van dit geschil staat voorop dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter - zoals in dit geval de aan eiseres opgelegde schadevergoedingsmaatregel -, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Op grond van artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient een schadevergoedingsmaatregel zo spoedig mogelijk ten uitvoer te worden gelegd. In lid 3 van dit artikel is bepaald dat het openbaar ministerie uitstel van betaling kan verlenen of betaling in termijnen kan toestaan. In opdracht van het openbaar ministerie, orgaan van de Staat, is het CJIB belast met de executie van - onder meer - schadevergoedingsmaatregelen. 3.
- De wijze waarop het CJIB een schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer legt, is thans neergelegd in de 'Aanwijzing executie' (Staatscourant 21 december 2010, 20473, met rectificatie op 11 januari 2011). In bijlage 3 is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan daarvan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen betalingsregeling treft, tenzij een daartoe strekkend verzoek op grond van bijzondere omstandigheden kan worden gehonoreerd. Bij de beoordeling van het verzoek geldt volgens bijlage 3 als uitgangspunt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De termijn waarbinnen volledige betaling moet zijn gerealiseerd is in beginsel maximaal 12 maanden. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd tot maximaal 36 maanden. Dit is echter alleen mogelijk indien binnen de afgesproken termijn betaling van de gehele vordering aannemelijk is. Slechts in uitzonderingsgevallen, waarbij sprake is van een schrijnende situatie, kan volgens bijlage 3 van de termijn van maximaal 36 maanden worden afgeweken. In dat geval wordt maatwerk geleverd in het individuele geval en moet bij het vaststellen van de maandelijkse termijnbedragen rekening worden gehouden met de draagkracht van veroordeelde/bestrafte. Verder bepaalt de Aanwijzing executie dat een arrestatiebevel wordt uitgevaardigd indien de inning en/of het verhaal met/zonder dwangbevel niet succesvol kan worden afgesloten. Het CJIB heeft dienaangaande een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding de bedoelde beslissingen van het CJIB in beginsel slechts marginaal kan toetsen. 3.
- Gesteld nog gebleken is dat het in de Aanwijzing executie verwoorde beleid onrechtmatig is. Onderzocht moet worden of dit beleid op juiste wijze is toegepast. 3.
- De in januari 2012 met eiseres getroffen betalingsregeling zou leiden tot voldoening van het gehele volgens de Staat openstaande bedrag (inclusief verhogingen) van € 40.506,- in 36 maanden. Voor de vervangende hechtenis is echter slechts de door de strafrechter opgelegde maatregel van € 33.740,- relevant. Bij nakoming van de door eiseres aangeboden betalingsregeling van € 750,- per maand zou dit bedrag in 45 maanden zijn voldaan, derhalve negen maanden langer dan de voor uitzonderinggevallen bepaalde termijn. Dit betekent dat gedaagde op grond van zijn beleid alleen een betalingsregeling met eiseres zou kunnen treffen indien haar situatie moet worden aangemerkt als een 'schrijnend' in de zin van de Aanwijzing executie. 3.
- Met gedaagde is de voorzieningenrechter van oordeel dat betalingsonmacht aan de zijde van eiseres onvoldoende is om haar situatie aan te merken als schrijnend. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig. De voorzieningenrechter acht het zeer te prijzen dat eiseres haar leven inmiddels een positieve wending heeft gegeven. Hoewel in dat licht bezien te betreuren is dat eiseres door de voorgenomen tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis haar recent verworven baan dreigt te verliezen, maakt dit deze wijze van tenuitvoerlegging nog niet onrechtmatig. Daar komt bij dat de voorzieningenrechter er niet van overtuigd is dat eiseres de door haar aangeboden betalingsregeling zal (kunnen) nakomen. Eiseres heeft immers erkend dat zij ook de door haar aangeboden regeling vooralsnog geen gestand heeft gedaan en zij heeft, desgevraagd, verklaard dat zij meer (omvangrijke) schulden heeft. 3.
- Slotsom van het voorgaande is dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat gedaagde onrechtmatig jegens eiseres dreigt te handelen. De vorderingen van eiseres worden dan ook afgewezen. 3.
- Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat hij ervan uitgaat dat, indien [benadeelde] akkoord mocht gaan met een door eiseres aangeboden betalingsregeling en deze naar behoren wordt nagekomen, het CJIB niet zal overgaan tot (verdere) executie van de vervangende hechtenis. 3.
- Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
- De beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het gevorderde af; - veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.391,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 575,- aan griffierecht; - verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 16 mei
- WJ