beschikking RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rekestnummer: 414505 / HA RK 12-123 Beschikking van 6 juli 2012 in de zaak van [verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster, advocaat mr. H.A.M. van den Berg-Van den Berg te Rotterdam, tegen 1.[verweerder sub 1], wonende te [woonplaats], 2.de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Apeldoorn, verweerders, advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn. Verzoekster wordt hierna "[verzoekster]" genoemd. Verweerders worden hierna afzonderlijk "[verweerder sub 1]" en "Achmea" genoemd en gezamenlijk "verweerders". 1.De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 5 maart 2012, met vijf producties; - het verweerschrift, met vier producties; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 mei 2012. 1.1.Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald. 2.De feiten 2.1.[verzoekster] is sedert 1997 zelfstandig onderneemster en werkte als interim-manager/consultant finance. In verband daarmee heeft zij in 1997 bij De Goudse Verzekering Maatschappij (hierna: "De Goudse") een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: "AOV") afgesloten op basis van een bij de aanvang van de AOV overeengekomen verzekerde jaarrente. 2.2.[verzoekster] is op 21 maart 2009 als bestuurder van een motor in aanrijding gekomen met [verweerder sub 1], die op een fiets reed (hierna: "het ongeval"). Ten gevolge van het ongeval heeft [verzoekster] blijvende lichamelijke schade en mogelijk blijvend psychisch letsel opgelopen. Sedert het ongeval is [verzoekster] volledig arbeidsongeschikt voor haar eigen functie van interim-manager. 2.3.Sinds het ongeval beschouwt De Goudse [verzoekster] als volledig (80-100%) arbeidsongeschikt en keer zij conform artikel 3 van de polisvoorwaarden behorende bij de AOV in maandelijkse termijnen de verzekerde uitkering van 100% aan [verzoekster] uit. 2.4.Achmea, de particuliere aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder sub 1], heeft voor 75% aansprakelijkheid erkend voor de schade die [verzoekster] ten gevolge van het ongeval heeft geleden. [verzoekster] heeft ingestemd met een eigen schuld percentage van 25%. 3.Het geschil 3.1.[verzoekster] verzoekt - zakelijk weergegeven en na aanvulling van het verzoek ter zitting - bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: "Rv"): i.voor recht te verklaren dat de AOV een sommenverzekering is, zoals bedoeld in artikel 7:964 BW); ii.primair: voor recht te verklaren dat de uitkeringspenningen uit hoofde van de AOV niet (ex artikel 6:100 BW) als voordeel dienen te worden toegerekend c.q. niet in mindering dienen te worden gebracht bij de vaststelling van het verlies aan arbeidsvermogen van [verzoekster]; iii.subsidiair, voor het geval verrekening is toegestaan: voor recht te verklaren dat 25% van de uitkeringspenningen uit hoofde van de AOV niet (ex artikel 6:100 BW) als voordeel mogen worden verrekend; iv.begroting van de proceskosten en hoofdelijke veroordeling van verweerders tot betaling daarvan. 3.2.[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat de tussen haar en De Goudse gesloten AOV een sommenverzekering is, zodat op grond van de geldende jurisprudentie in het onderhavige geval geen plaats is voor verrekening van de uitkeringspenningen uit hoofde van de AOV met de schadepost verlies aan arbeidsvermogen, waar [verweerder sub 1] aansprakelijk voor is. Het verzoek richt zich tevens jegens Achmea omdat zij Achmea op grond van de directe actie van artikel 7:942 BW tot vergoeding van haar geleden schade aanspreekt. Subsidiair, voor het geval verrekening van het genoten voordeel, is [verzoekster] van oordeel dat in verband met het eigen schuld percentage 25% van de uitkeringspenningen niet als voordeel mag worden verrekend. 3.3.Verweerders voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4.De beoordeling Behandeling van de zaak in een deelgeschilprocedure 4.1.In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure ex artikel 1019w-1019cc Rv. 4.2.Verweerders erkennen dat onderhavige verzoeken in een deelgeschilprocedure aan de orde kunnen komen. Zij betogen echter dat de in het verzoekschrift aan de orde gestelde rechtsvragen en de in rechte te verstrekken antwoorden daarop, een groot belang hebben, niet alleen voor de onderhavige zaak maar ook voor andere letselschadezaken waarin de vraag naar verrekening van uitkeringen uit hoofde van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen een rol speelt. Volgens verweerders is sprake van een principiële zaak met een dossieroverschrijdend karakter. Dat leidt er volgens verweerders toe dat - ongeacht de beslissing op het verzoek - een der partijen zal doorprocederen teneinde een uitspraak van het gerechtshof te verkrijgen. Volgens verweerders lenen de rechtsvragen die aan de orde zijn zich meer voor behandeling in een bodemprocedure. 4.3.De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschil. Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt in het geheel niet dat beperkingen worden gesteld aan de in een deelgeschil aan de orde te stellen rechtsvragen, of dat bij de beoordeling van de vraag of een zaak zich leent voor een deelgeschil rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van de uitspraak voor andere geschillen. De door verweerders geuite vrees dat naar aanleiding van de beslissing in deelgeschil zal worden doorgeprocedeerd, is blijkens de Parlementaire Geschiedenis evenmin een omstandigheid die een rol van betekenis speelt bij de beoordeling van de vraag of een zaak zich leent voor behandeling in deelgeschil. De rechtbank komt aldus toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. AOV: schade- of sommenverzekering 4.4.Partijen verschillen van mening over de vraag of de AOV een schade- of een sommenverzekering is. Omdat dit onderscheid gevolgen heeft voor de mogelijkheden van verrekening alsmede voor de omvang van de verrekening, zal de rechtbank eerst beoordelen of de AOV een schade- of een sommenverzekering is. 4.5.De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 3 oktober 2008 (LJN: BD5828) onder verwijzing naar de Parlementaire Geschiedenis bij artikel 7:925 lid 2 BW tot uitgangspunt heeft genomen dat een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering in het algemeen een sommenverzekering is. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee het onder het oude verzekeringsrecht gewezen arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2003 (LJN: AF6203) achterhaald. Doorslaggevend voor het onderscheid tussen een schade- en een sommenverzekering bij de arbeidsongeschiktheidsverzekering is of het inkomen zowel bij de totstandkoming van de verzekering als bij het bepalen van de hoogte van de uitkering een rol heeft gespeeld, in welk geval er een koppeling bestaat tussen de daadwerkelijk geleden schade en de hoogte van de uitkering. Is dit het geval, dan is sprake van een schadeverzekering. Indien het inkomen echter uitsluitend bij de totstandkoming van de verzekering een rol speelt, en nadien niet meer, noch bij de eventuele aanpassing van de verzekerde jaarschades, noch bij de vaststelling van de hoogte van de daadwerkelijk te verlenen uitkering, is sprake van een sommenverzekering. Het doel waarmee de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt gesloten is derhalve niet maatgevend. 4.6.De rechtbank zal dan ook beoordelen of ná het sluiten van de AOV het daadwerkelijk door [verzoekster] genoten inkomen nog een rol van betekenis heeft gespeeld bij het bepalen van de hoogte van de uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. In de polisvoorwaarden ontbreken bepalingen die de hoogte van de bij arbeidsongeschiktheid te ontvangen uitkering afhankelijk maken van het inkomen dat [verzoekster] op dat moment geniet. Zo was [verzoekster] na het sluiten van de AOV, zoals zij onbestreden heeft gesteld en ook uit de polisvoorwaarden blijkt, niet gehouden om De Goudse te voorzien van inkomensgegevens en bepalen de polisvoorwaarden evenmin dat op de hoogte van de uitkering een correctie kan worden toegepast wanneer de uitkering hoger is dan het daadwerkelijk genoten inkomen. 4.7.Voor het onderscheid is, gezien het voorgaande en in tegenstelling tot hetgeen verweerders betogen, niet relevant of in de polisvoorwaarden de gebruikelijke bepaling is opgenomen dat de verzekering ten doel heeft uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid (artikel 2 van de bij de AOV behorende polisvoorwaarden). De omvang van de AOV is in de polisvoorwaarden immers uitsluitend gekoppeld aan de mate van arbeidsongeschiktheid (artikel 16) en niet aan de hoogte van de inkomensderving. 4.8.Nu de AOV, gezien al het voorgaande, een sommenverzekering is, dient te worden beoordeeld of de uitkering uit hoofde van de AOV wel of niet in mindering mag komen op de aan [verzoekster] toekomende schadevergoeding. Wel of geen verrekening 4.9.Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2010 (LJN: BM7808) komt naar voren dat verrekening in het algemeen aan de orde kan zijn wanneer dezelfde schade wordt vergoed, als die waarvoor de partij die zich op de voordeelstoerekening beroept, aansprakelijk is. Terughoudendheid dient alleen te worden betracht in gevallen waarin schade is verzekerd, die rechtens of in de praktijk niet voor volledige vergoeding in aanmerking komt. 4.10.De rechtbank is van oordeel dat de uitkering uit hoofde van de AOV strekt tot vergoeding van inkomensschade. Zoals uit artikel 2 van de polisvoorwaarden blijkt, is het doel van de uitkering de vergoeding van derving van inkomen door [verzoekster] ten gevolge van haar arbeidsongeschiktheid. Derving van inkomen is schade die rechtens voor volledige vergoeding in aanmerking komt en derhalve geen componenten bevat die pleiten voor terughoudendheid in het kader van de verrekening. Bovendien is [verweerder sub 1] gehouden tot vergoeding van (75%) van de inkomensschade van [verzoekster], zodat de uitkering strekt tot vergoeding van dezelfde schade als die waarvoor [verweerder sub 1] aansprakelijk is en Achmea op grond van artikel 7:942 BW tot vergoeding gehouden is. Op grond van voornoemd arrest van de Hoge Raad dient de rechtbank voor iedere schadepost afzonderlijk te beoordelen of verrekening met het genoten voordeel redelijk is. In het onderhavige geval heeft de uitkering betrekking op de schadepost "verlies aan inkomen". 4.11.Nu aan de randvoorwaarden voor verrekening is voldaan, dient te worden beoordeeld of de onderhavige uitkering voor verrekening met de door [verweerder sub 1] en Achmea te vergoeden schade in aanmerking komt, waarbij de rechtbank eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad tot uitgangspunt neemt. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat in het onderhavige geval sprake is van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, terwijl in het door de Hoge Raad gewezen arrest een collectief afgesloten ongevallenverzekering aan de orde was, die een eenmalige uitkering bood ingeval van blijvende invaliditeit als gevolg van een ongeval. 4.12.De rechtbank is - anders dan [verzoekster] - van oordeel dat het in het onderhavige geval redelijk is om tot verrekening over te gaan. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat sprake is van een arbeidsongeschiktheidsverzekering die voorziet in een periodieke uitkering die strekt tot vergoeding van inkomensschade van [verzoekster], welke inkomensschade in het onderhavige geval ook daadwerkelijk door [verzoekster] is geleden. Tevens hecht de rechtbank belang aan het feit dat de wetgever bij de beantwoording van de vraag of verrekening op zijn plaats is als een factor van bijzonder gewicht heeft aangemerkt de mate waarin de betrokken sommenverzekering voorziet in een periodieke uitkering ter compensatie van inkomstenderving (zie concl. A-G Wuisman bij voornoemd arrest van de Hoge Raad, onder 2.2.3 en 2.2.4. en de aldaar genoemde Parlementaire Geschiedenis). 4.13.In het licht van het voorgaande leggen de door [verzoekster] aangevoerde en aan voornoemde uitspraak van de Hoge Raad ontleende omstandigheden dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.