beschikking RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht zaaknummer / rekestnummer: 416921 / HA RK 12-180 Beschikking van 26 juli 2012 in de zaak van [verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster, advocaat mr. [naam advocaat te plaats A], tegen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende, verschenen in persoon. Partijen worden hierna aangeduid met '[verzoekster]' en '[belanghebbende]'. 1.De procedure 1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit: - het op 10 april 2012 ingekomen verzoekschrift, - de brieven van mr. [verzoekster] van 9 en 17 juli 2012, - de brieven van [belanghebbende] van 18 juni 2012 en 11 juli 2012. 1.2.De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juli 2012. Verschenen zijn: - [verzoekster], vergezeld van de heer [D], - [belanghebbende]. 2.De feiten 2.1.Partijen zijn sinds 23 september 2009 ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van een kantoorpand, staande en gelegen aan de [A-straat te plaats A] (verder te noemen 'het pand'). Tot dat moment waren zij samen met een of meer anderen eigenaar van het pand. Het pand is tot 1 oktober 2010 verhuurd geweest aan de advocatenmaatschap [A] Advocaten, welke maatschap werd gevormd door partijen samen. Na ontbinding van die maatschap hebben partijen het pand nog tot 24 januari 2011 gezamenlijk gebruikt. De twee door partijen benaderde makelaarskantoren, Van 't Hof Makelaardij en Basis Bedrijfshuisvesting, taxeren de verkoopwaarde van het pand op respectievelijk ongeveer € 250.000,- en € 350.000,--. Beide makelaarskantoren hebben geadviseerd het pand zowel in de verkoop als in de verhuur in de markt te zetten. 2.2.[verzoekster] en [belanghebbende] hebben bij dagvaarding van 12 maart 2007 een procedure tegen mr. [B] (hierna: [B]) aanhangig gemaakt waarin zij -samengevat weergegeven- vorderden dat [B] werd veroordeeld tot levering van zijn aandeel in het pand aan [verzoekster] en [belanghebbende]. In die procedure is op 25 juli 2007 een vonnis in een incident gewezen, van welk vonnis [verzoekster] (slechts) de eerste pagina in het geding heeft gebracht. Op 21 november 2007 is in die procedure een vonnis gewezen in een door [B] opgeworpen incident tot onbevoegdheid. De rechtbank overwoog daarin: "2.3De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat dit primaire betoog van mr. [B] faalt. Immers, de "oude maatschapsovereenkomst" uit 1985 bepaalt in art. 3 niet dat de eigendom van het (of een toekomstig) kantoorpand door de vennoten wordt ingebracht (maar daarentegen wel het in te brengen huurrecht, gebruik en genot van de destijds nog gebezigde kantoorruimte). Ook is een "nadere overeenkomst" in de zin van art. 15 uit de overeenkomst uit 1985 onvoldoende gesteld of gebleken. De notariële akte van verdeling uit 1998 (dat is 13 jaar later) bepaalt evenals de geproduceerde kadastrale inschrijvingen met zoveel woorden dat de eigendom van het kantoorpand aan de [A-straat te plaats A] berust bij de drie advocaten gezamenlijk in privé. Dat die eigendomsverkrijging in privé in 1998 plaatsvond "ten behoeve van de door hen voortgezette maatschap", doet daar niet aan af. Onvoldoende gesteld of gebleken is immers dat ook ten aanzien van die voortgezette maatschap en het daarin eventueel ondergebrachte kantoorpand voor geschillen specifiek tussen partijen arbitrage - en zo ja, welke arbitrage - zou zijn overeengekomen. Ook de geproduceerde adviezen en jaarstukken van de vroegere huisaccountant Meijer kunnen niet leiden tot de juridische conclusie, dat partijen arbitrage ten aanzien van geschillen over de verdeling van het kantoorpand zijn overeengekomen." 2.3.Bij tussenvonnis van 27 augustus 2008 overwoog de rechtbank in de procedure tussen [verzoekster] en [belanghebbende] enerzijds en [B] anderzijds: "4.4.Dit verweer faalt. In artikel 3:178 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen.(...)." 2.4.In de jaarrekening 2004 van de maatschap [B] advocaten, waarvan partijen destijds deel uitmaakten, is onder meer opgenomen: "Het kantoorpand is achtergebleven in de oude maatschap die vanaf 1 januari 2003 Maatschap Praktijkpand [C] heet". Kennelijk is er over 2004 voor de maatschap Praktijkpand [C] een afzonderlijke jaarrekening opgemaakt. 2.5.De in de vorige overweging geciteerde zinsnede is ook opgenomen in de jaarrekening 2003 van de maatschap [B] Advocaten, terwijl het pand in de jaarrekening 2002 was opgenomen onder de activa van de toenmalige advocatenmaatschap. 2.6.In een algemene toelichting op de jaarstukken van de Maatschap Praktijkpand [C] (voor de rechtbank is niet duidelijk op welk jaar dit betrekking heeft) is opgenomen: "De maatschap heeft ten doel voor het gemeenschappelijke rekening exploiteren van het kantoorpand aan de [A-straat te plaats A]." 2.7.De Belastingdienst heeft op 11 mei 2012 een beschikking omzetbelasting toegezonden aan de "maatschap praktijkpand [C]". 2.8.Op briefpapier van de "Maatschap Praktijkpand [C]" is met een factuur gedateerd 7 september 2010 aan de maatschap [A] Advocaten de huur over de maanden juli, augustus en september 2010 in rekening gebracht. Op de factuur is opgenomen dat de betaling dient plaats te vinden op het bankrekeningnummer ten name van Maatschap Praktijkpand [C]. 3.Het verzoek en het verweer 3.1.[verzoekster] verzoekt de rechtbank: - haar op grond van artikel 3:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te machtigen tot het te gelde maken van het pand en meer in het bijzonder haar te machtigen om alles te mogen doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van het pand; - te bepalen dat de beschikking in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van [belanghebbende] tot het in de verkoop geven van het pand bij een makelaar; - te bepalen dat de beschikking op grond van het bepaalde in artikel 3:300 jo. 3:301 BW in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en - notariële - levering van het pand noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [belanghebbende]; - te bepalen dat [belanghebbende] de proceskosten van de onderhavige procedure, waaronder verschuldigde griffierechten, integraal dient te voldoen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] haar verzoek aangevuld met het subsidiaire verzoek om, indien de rechtbank van oordeel mocht zijn dat er in casu sprake is van een maatschap, op grond van het bepaalde in artikel 7A:1684 BW die maatschap met onmiddellijke ingang te ontbinden wegens gewichtige redenen en daarbij tevens te beschikken conform het petitum van het verzoekschrift. Voor het geval de rechtbank het subsidiaire verzoek niet wil of kan toewijzen, heeft [verzoekster] meer subsidiair verzocht om de eindbeschikking aan te houden tot 2 september 2012 om haar in de gelegenheid te stellen ervoor te zorgen dat voor die datum bij [belanghebbende] een opzegging van de maatschap ligt, zodat alsdan sprake zal zijn van een ontbonden maatschap. 3.2.Ter onderbouwing van haar - primaire - verzoek voert [verzoekster] aan dat er geen sprake is van een maatschap, maar van een eenvoudige mede-eigendom van het pand. Zij verwijst daarbij naar eerdere uitspraken van deze rechtbank en naar een uitspraak van de kantonrechter Gouda. In die uitspraken is volgens haar telkens uitgegaan van eenvoudige mede-eigendom en niet van een maatschap. Voor zover er al sprake mocht zijn van een maatschap dan betreft dit volgens [verzoekster] een bijzondere maatschap als bedoeld in artikel 7A:1660 BW, die inmiddels rechtens is geëindigd omdat de exploitatie, de verkrijging van huurpenningen, in ieder geval per 1 oktober 2010 is beëindigd. Voorts voert [verzoekster] aan dat zij sinds 24 januari 2011 geen gebruik meer heeft gemaakt van het pand en [belanghebbende] per 1 april 2011 zijn advocatenpraktijk feitelijk heeft beëindigd, zodat niet meer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 7A:1660 BW. 3.3.[verzoekster] voert ten slotte aan dat het pand door weigerachtig gedrag van [belanghebbende] voor onbepaalde, langere tijd in het gemeenschappelijk eigendom van partijen zal blijven, terwijl zij niet genoodzaakt kan worden om tegen haar wil in een gemeenschap te blijven. Zij heeft er belang bij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypothecaire schuld te worden ontslagen. 3.4.[belanghebbende] voert gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4.De beoordeling 4.1.Een fotokopie van het verzoekschrift is door de griffier bij brief van 8 juni 2012 aan [belanghebbende] toegezonden met het verzoek aan te geven of hij tegen het verzoek verweer wenst te voeren, en zo ja, aan te geven op welke punten hij verweer wenst te voeren. [belanghebbende] heeft bij brief van 18 juni 2012 aan dit verzoek voldaan. Deze brief is niet, zoals door [verzoekster] is betoogd, een verweerschrift dat door een advocaat ingediend zou moeten worden, maar een reactie op het verzoek van de griffier. De rechtbank kan derhalve acht slaan op de inhoud van de brief van [belanghebbende], nog daargelaten dat het [belanghebbende] in ieder geval vrij stond ter zitting verweer te voeren, hetgeen hij ook heeft gedaan. 4.2.Het primaire verzoek is gebaseerd op artikel 3:174 BW. Dit artikel bepaalt dat machtiging kan worden verleend aan een deelgenoot waardoor deze bevoegd wordt tot het verrichten van handelingen waartoe hij anders uitsluitend tezamen met de andere deelgenoten bevoegd is. De deelgenoot wordt daarmee zelfstandig bevoegd jegens derden. Artikel 3:189 lid 1 BW bepaalt echter dat de bepalingen van titel 7 van boek 3 BW niet gelden voor - onder meer - een maatschap, zolang zij niet is ontbonden. Hieruit volgt dat artikel 3:174 BW niet van toepassing is op een maatschap. De rechtbank dient derhalve eerst te beoordelen of er sprake is van een niet ontbonden maatschap. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 4.3.Artikel 7A:1655 BW geeft aan wat onder een maatschap moet worden verstaan. Een maatschap is volgens dat artikel een overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstane voordeel met elkaar te delen. Bij beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een maatschap moet gekeken worden naar de feitelijke situatie en de daaruit af te leiden wil van partijen. Het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst sluit het bestaan van een maatschap niet uit. Van een overeenkomst tot maatschap kan sprake zijn indien is voldaan aan de volgende elementen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.