RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Groningen Sector bestuursrecht Vreemdelingenkamer Zaaknummer: AWB 12/21210 Uitspraak in de zaak tussen: [naam], geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, V-nummer: [nummer], eiser, gemachtigde: mr. L.M. Ligtvoet- van Tuijn, en DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL, (Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND)), te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr. M.A. Vonk. Procesverlooop Op 25 november 2008 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) ingediend. Bij besluit van 10 april 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen onder de overweging dat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bij uitspraak van 15 februari 2010 (AWB 09/13796) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, het daartegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is door verweerder op 26 februari 2010 verzet gedaan. Bij uitspraak in verzet van 22 april 2010 (AWB 09/13796) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, het verzet gegrond verklaard, waarmee de eerdere uitspraak van 15 februari 2010 is vervallen. Uit het aan deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, door verweerder toegezonden procesdossier ten name van eiser blijkt niet van verdere behandeling, door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van het tegen het besluit van 10 april 2009 ingestelde beroep. In elk geval blijkt uit het dossier dat verweerder, op enig moment, de behandeling van de asielaanvraag van eiser aan zich getrokken heeft. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 12 juni 2012 de asielaanvraag van eiser van 25 november 2008 wederom afgewezen, ditmaal op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Het besluit van 12 juni 2012 (hierna: het bestreden besluit) is het onderwerp van het thans aanhangige geschil. Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 3 juli 2012 beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn ingediend op 10 juli 2012. Op 24 september 2012 heeft eiser nog een stuk ingezonden dat per abuis niet was meegezonden bij de gronden van beroep van 10 juli 2012. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 1 oktober 2012. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2012. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Rechtsoverwegingen 1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c en d, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv) wordt onder beëdigde tolk en beëdigde vertaler verstaan: degene die als zodanig is ingeschreven in het register. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wbtv is er een register voor beëdigde tolken en vertalers en bevat het register ten aanzien van iedere ingeschreven tolk of vertaler in elk geval de aanduiding of betrokkene tolk of vertaler is. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv maakt de IND uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Ingevolge het derde lid van artikel 28, voor zover thans van belang, kan in afwijking van het eerste lid van dit artikel gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is of van een vertaler die geen beëdigde vertaler is, indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Ingevolge het vierde lid van artikel 28, voor zover thans van belang, wordt, indien van het eerste lid van dit artikel wordt afgeweken, dit met redenen omkleed schriftelijk vastgesteld. 2. In het rapport dat is opgemaakt van het nader gehoor van eiser op 17 mei 2012 is vermeld dat gebruik is gemaakt van een tolk Sorani, te weten "Dhr. H.M. Barzendji". Tussen partijen is niet in geschil dat deze tolk een niet beëdigde tolk is. 3. Bij brief van 18 mei 2011 heeft verweerder aan de toenmalige gemachtigde van eiser bericht dat zijn dossier voor behandeling is overgedragen aan de unit 1F van de IND. De reden voor deze overdracht is, aldus verweerder in de brief van 18 mei 2011, dat er naar aanleiding van de verklaringen van eiser aanwijzingen bestaan dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op zijn asielaanvraag van toepassing is en de unit 1F zich met de behandeling van dergelijke dossiers bezighoudt. 4. Vervolgens heeft verweerder op 12 oktober 2011 met eiser een zogenoemd 1F-gehoor gehouden. Diezelfde dag is op enig moment, op verzoek van eiser, het 1F-gehoor afgebroken. In het rapport dat is opgemaakt van dit 1F-gehoor is vermeld dat gebruik is gemaakt van een tolk Sorani, te weten "de heer Al Hamawandi". Tussen partijen is niet in geschil dat deze tolk een niet beëdigde tolk is. 5. Het 1F-gehoor van eiser is voortgezet op 14 februari 2012. Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens dit tweede deel van het 1F-gehoor wél gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk. 6. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd wat er de reden van is dat hij tijdens de gehoren (uit de context leidt de rechtbank af dat verweerder hier doelt op zowel het op 17 mei 2011 als het op 12 oktober 2011 met eiser gehouden gehoor) gebruik heeft gemaakt van een niet beëdigde tolk. In het verweerschrift van 1 oktober 2012 heeft verweerder die in het bestreden besluit gegeven motivering voor wat het op 17 mei 2011 gehouden gehoor betreft nog nader toegelicht. Stellingen van eiser in beroep, voor zover thans van belang 7. Eiser stelt dat uit de uitspraak van 31 januari 2012 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) (zaaknr. 201111416/1/V2, LJN: BV2899) volgt dat het beroep gegrond is omdat verweerder tijdens het nader gehoor en het eerste deel van het 1F-gehoor gebruik heeft gemaakt van een niet beëdigde tolk en verweerder heeft nagelaten deze afwijkingen van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv tijdig schriftelijk te motiveren. Eiser wijst er op dat verweerder pas in het bestreden besluit een motivering voor deze afwijkingen heeft gegeven. Volgens eiser is dat te laat. Bovendien is die in het bestreden besluit gegeven motivering in de visie van eiser onvoldoende. Eiser stelt dat hij bovendien is geschaad door het gebruik van niet beëdigde tolken. Daarbij wijst eiser er op dat er overduidelijk misverstanden zijn ontstaan door foute vertalingen door de tolk van wie verweerder tijdens het nader gehoor op 17 mei 2011 gebruik heeft gemaakt. Zo heeft de tolk, zo stelt eiser, tijdens het nader gehoor vaak "Asaish" vertaald waar eiser heeft gezegd "Kurdistan Strategic Studies Center" of "KSSC". Verhandelde ter zitting 8.1. Namens eiser is nog naar voren gebracht dat de tolk van wie gebruik is gemaakt tijdens op 17 mei 2011 gehouden nader gehoor, de heer Barzendji, niet alleen niet beëdigd is, maar zelfs niet op de uitwijklijst staat. 8.2. Voorts is namens eiser, ter nadere onderbouwing van de stelling dat er misverstanden zijn ontstaan door foute vertalingen door de tolk, nog uitdrukkelijk verwezen naar het antwoord van eiser, opgenomen onder "Opmerking rapporteur: de heer [naam] overlegt een op zijn naam gesteld pasje van het Kurdistan Strategic Studies Center. (..) Wat wilt u met dit pasje aantonen?", op pagina 5 van het rapport van het op 17 mei 2011 met eiser gehouden nader gehoor. Daar is als antwoord van eiser vermeld: "Dat is mijn werkpas van Asaish. (..)" Evident is dat, zo stelt eiser, hij daar niet heeft gezegd dat het zijn werkpas van Asaish is, maar dat hij daar heeft gezegd dat het zijn werkpas van het KSSC is. 9.1. De gemachtigde van verweerder heeft aangegeven dat hij, bij de voorbereiding van de zitting, nader heeft uitgezocht, wie de tolk "de heer Al Hamawandi" is, van wie tijdens het op 12 oktober 2011 met eiser gehouden 1F-gehoor gebruik is gemaakt. Daarbij is hem gebleken dat de IND gebruik maakt van twee tolken, die beiden Al Hamawandi heten. De ene tolk Al Hamawandi, zo heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht, is een beëdigde tolk en de andere tolk Al Hamawandi is een niet beëdigde tolk, maar wél een beëdigde vertaler. Door de IND was de beëdigde tolk Al Hamawandi gereserveerd voor het op 12 oktober 2011 te houden 1F-gehoor van eiser. De beëdigde tolk Al Hamawandi heeft evenwel afgezegd. De IND heeft toen gebruik gemaakt van de niet beëdigde tolk Al Hamawandi, die dus wél een beëdigde vertaler is, aldus de gemachtigde van verweerder. 9.2. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat de rechtspraak van de Afdeling, die is ingezet met de door eiser aangehaalde Afdelingsuitspraak van 31 januari 2012, in de visie van verweerder ruimte laat voor het op een later moment schriftelijk vastleggen van de reden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.