RECHTBANK 's-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 12 / 17691 uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 november 2012 in de zaak tussen [eiseres] geboren op [geboortedatum], van Eritrese nationaliteit, eiseres, (gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat te Amsterdam), en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder, (gemachtigde: mr. M.H. Belevska, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage). Procesverloop Bij besluit van 9 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen omdat Noorwegen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft 19 juli 2012 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli
- Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen indien de vreemdeling op grond van een verdragsverplichting tussen Nederland en een ander land zal worden overgedragen aan dat land van eerder verblijf, terwijl dat land partij is bij het Vluchtelingenverdrag, het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Anti-Folterverdrag), dan wel zich anderszins heeft verplicht artikel 33 Vluchtelingenverdrag, artikel 3 EVRM en artikel 3 Anti-Folterverdrag, na te leven.
- Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder op 2 december 2011 de Noorse autoriteiten heeft verzocht eiseres terug te nemen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening). Bij de correcties en aanvullingen naar aanleiding van het Dublingehoor van 5 januari 2012 heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat de Dublinverordening niet op verzoekster van toepassing is, aangezien eiseres reeds door Noorwegen als vluchteling is erkend, hetgeen zij heeft onderbouwd met het door haar overgelegde Noorse verblijfsdocument. In het voornemen heeft verweerder vervolgens aangegeven dat de Noorse autoriteiten zullen worden verzocht eiseres terug te nemen op grond van het Verdrag van Straatsburg. Vervolgens heeft verweerder op 20 januari 2012 de Noorse autoriteiten verzocht eiseres terug te nemen, dit maal op grond van artikel 4 van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239; hierna: het Verdrag van Straatsburg). Bij schrijven van 2 maart 2012 hebben de Noorse autoriteiten toegezegd eiseres op grond van artikel 4 van het Verdrag van Straatsburg terug te nemen. Op 17 maart 2012 is de geldigheidsduur van het door Noorwegen aan eiseres verstrekte reisdocument verstreken.
- Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, aangezien eiseres in Noorwegen is erkend als vluchteling en dat land heeft toegezegd dat het eiseres op grond van artikel 4 van het Verdrag van Straatsburg zal terugnemen.
- Eiseres voert allereerst aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen aangezien niet duidelijk is waarop verweerder de verantwoordelijkheid van Noorwegen baseert. 4.1 De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In het voornemen is vermeld dat de Noorse autoriteiten zullen worden verzocht eiseres terug te nemen op grond van het Verdrag van Straatsburg. In de vierde alinea op pagina 2 van het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de autoriteiten van Noorwegen hebben bericht dat zij verzoekster op grond van de Overeenkomst tussen Nederland en Noorwegen zullen terugnemen. In de achtste en negende alinea op pagina 2 van het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de gemachtigde van eiseres niet gevolgd kan worden in het standpunt dat een beroep op het Verdrag van Straatsburg enkel kan geschieden op aandrang van de vluchteling zelf. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat verweerder de verantwoordelijkheid van Noorwegen heeft gebaseerd op het Verdrag van Straatsburg.
- Eiseres heeft voorts aangevoerd dat het Verdrag van Straatsburg niet geldt tussen lidstaten onderling, zoals bij de Dublinverordening het geval is, maar slechts door vluchtelingen kan worden ingeroepen. In het Verdrag van Straatsburg is geen grondslag opgenomen op grond waarvan verweerder eiseres kan terug sturen naar Noorwegen. Het verdrag is geen overeenkomst tot overname noch een overeenkomst met betrekking tot de verdeling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van asielverzoeken tussen Europese lidstaten. Verder volgt uit de toelichting op artikel 4 van het Verdrag van Straatsburg in het Explanatory Report on the European Agreement on Transfer of Refugees van de Raad van Europa (hierna: Explanatory report) (http://conventions.coe.int/Treaty/en/Reports/Html/107.htm) dat, zo Nederland al een beroep kan doen op het Verdrag van Straatsburg, dit alleen kan op aandrang van eiseres. Eiseres heeft voorts verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle van 20 maart 2012 (Awb 12/5988, 12/6004 en 12/6006). 5.1 Ingevolge het eerste lid van artikel 2 van het Verdrag van Straatsburg wordt de verantwoordelijkheid geacht te zijn overgedragen na een periode van twee jaar van feitelijk en ononderbroken verblijf in de tweede Staat met toestemming van de autoriteiten van deze Staat of eerder, indien de tweede Staat de vluchteling heeft toegestaan om hetzij permanent, hetzij voor een langere tijdsduur dan de geldigheidsduur van het reisdocument, op zijn grondgebied te verblijven. Deze periode van twee jaar begint op de datum waarop de vluchteling op het grondgebied van de tweede Staat wordt toegelaten of, indien deze datum niet kan worden vastgesteld, op de datum waarop de vluchteling zich heeft gemeld bij de autoriteiten van de tweede Staat. Het tweede lid van artikel 2 geeft een nadere uitleg van de berekening van de periode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Ingevolge het derde lid van artikel 2 wordt de verantwoordelijkheid eveneens geacht te zijn overgedragen wanneer, ingevolge artikel 4, de wedertoelating van de vluchteling tot de eerste Staat niet meer kan worden gevraagd. 5.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid van het Verdrag van Straatsburg wordt, zolang er geen overdracht van verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 2, eerste en tweede lid, de vluchteling te allen tijde opnieuw toegelaten tot het grondgebied van de eerste Staat, zelfs nadat de geldigheidsduur van het reisdocument is verstreken. In dit laatste geval geschiedt de wedertoelating op de enkele aanvrage van de tweede Staat, mits deze aanvrage wordt ingediend binnen zes maanden nadat de geldigheidsduur van het reisdocument is verstreken. In het tweede lid van artikel 4 is bepaald dat, indien de autoriteiten van de tweede Staat niet weten waar de vluchteling zich bevindt en derhalve niet de in het eerste lid bedoelde aanvrage kunnen indienen binnen zes maanden nadat de geldigheidsduur van het reisdocument is verstreken, deze aanvrage moet worden ingediend binnen zes maanden nadat de tweede Staat kennis heeft gekregen van de verblijfplaats van de vluchteling, doch uiterlijk twee jaar nadat de geldigheidsduur van het reisdocument is verstreken. 5.3 In het door eiseres aangehaalde Explanatory Report is in de toelichting op artikel 4, eerste lid, van het Verdrag van Straatsburg onder punt 29 het volgende vermeld: Under this provision the second State is able to request the first State - at the refugee's instance, should the occasion arise - to readmit the refugee after the expiry of his travel document, provided the request is submitted within six months following the expiry of that document. This provision may be applied, for example, to a refugee who has allowed his travel document to expire and neglected to apply for its renewal; in such a case the second State may request the first State to readmit the refugee before transfer of responsibility takes place. At the same time, it follows expressly from Article 2, paragraph 3, of the Agreement that if the second State does not request readmission within that time, responsibility is transferred. 5.4 Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van de situatie als bedoeld in het artikel 2 van het Verdrag van Straatsburg. 5.5 De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het Verdrag van Straatsburg geen gelding heeft tussen staten onderling en op de bepalingen van dat verdrag alleen door vluchtelingen een beroep kan worden gedaan. Zo is in artikel 4, eerste en tweede lid, van het Verdrag van Straatsburg uitdrukkelijk voorzien in een bevoegdheid van de tweede staat om aan de eerste staat een verzoek om wedertoelating van de vluchteling in te dienen. Voorts blijkt uit de toelichting in het Explanatory Report onder punt 9 dat met het Verdrag van Straatsburg is beoogd een evenwicht te bereiken tussen de belangen van de vluchteling en de belangen van de eerste en tweede staat. 5.6 De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar standpunt dat uit de toelichting op artikel 4, eerste lid, van het Verdrag van Straatsburg volgt dat de tweede staat, in dit geval Nederland, bij de eerste staat, in dit geval Noorwegen, slechts een verzoek tot wedertoelating kan indienen op verzoek van de vluchteling, in dit geval eiseres. De rechtbank leest artikel 4, eerste lid, tweede volzin, van het Verdrag van Straatsburg aldus dat in de situatie waarin de geldigheidsduur van het reisdocument van de vluchteling is verstreken, alleen de tweede staat bij de eerste staat een verzoek om wedertoelating van de vluchteling kan indienen, mits dit binnen zes maanden na verstrijken van de geldigheidsduur van het reisdocument geschiedt. De zinsnede in de toelichting op artikel 4, eerste lid “at the refugee's instance, should the occasion arise”, leest de rechtbank als “in voorkomend geval op verzoek van de vluchteling” en doet aan het vorenstaande dan ook niet af. De rechtbank is voorts van oordeel dat artikel 4, eerste lid, eerste volzin, van het Verdrag van Straatsburg niet los gezien kan worden van de tweede volzin van dit artikel. Dat brengt de rechtbank, en in zoverre anders dan de voorzieningenrechter in de door eiseres aangehaalde uitspraak, tot het oordeel dat artikel 4, eerste lid, niet uitsluit dat, in de situatie dat de geldigheidsduur van het reisdocument van de vluchteling nog niet is verstreken, ook de tweede staat – naast de vluchteling - zich met een verzoek tot wedertoelating tot de eerste staat kan wenden. 5.7 Niet in geschil is dat eiseres door Noorwegen als vluchteling is erkend, dat Noorwegen heeft toegezegd om eiseres op grond van artikel 4 van het Verdrag van Straatsburg weer toe te laten en dat eiseres op grond van die toezegging aan Noorwegen zal worden overgedragen. Verweerder heeft daarom de aanvraag van eiseres terecht op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, afgewezen.
- Eiseres heeft, tenslotte, aangevoerd, dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de eenheid van het gezin, in welk verband zij verwijst naar artikel 8 van het EVRM, richtlijn 2003/86/EG, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en het Vluchtelingenverdrag. 6.1 In navolging van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 3 juli 2009 in zaak nr. 200808981/1/V2 en die van 8 oktober 2010 in zaak nr. 201001728/1/V3; www.raadvanstate.nl) is de rechtbank van oordeel dat de strikte scheiding tussen asiel en regulier die voortvloeit uit de systematiek van de Vw, ertoe leidt dat de toepassing van artikel 8 van het EVRM, wat betreft de eerbiediging van het familie- en gezinsleven - behoudens in het kader van een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, Vw, dient plaats te vinden in de procedure omtrent een reguliere verblijfsvergunning. Hetzelfde geldt met betrekking tot het met artikel 8 EVRM corresponderende artikel 7 van het Handvest. Tenslotte staan de bepalingen van richtlijn 2003/86/EG en het Vluchtelingenverdrag aan deze strikte scheiding tussen asiel en regulier niet in de weg. Daarom slaagt ook deze beroepsgrond niet.
- Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechter, in aanwezigheid van J. van Roode, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november
- griffier rechter afschrift verzonden aan partijen op: Coll: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.