← Nederland

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY4915

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 12/18305 uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 november 2012 in de zaak tussen [naam eiser], geboren op [geboortedatum], van Sri Lankaanse nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. J.Th.A. Bos, advocaat te Utrecht), en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, (gemachtigde: S.Q. Sandifort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage). Procesverloop Bij besluit van 2 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover thans van belang, een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor een periode van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november

  1. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. 1.1 Eiser is op onbekende datum in Nederland aangekomen. Hij heeft op 17 augustus 2011 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en eiser opgedragen om Nederland binnen vier weken te verlaten. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, heeft het hiertegen ingestelde beroep bij uitspraak van 8 september 2011 (AWB 11/27711) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) heeft het hiertegen gerichte hoger beroep bij uitspraak van 4 november 2011 (nr. 201110058/1/V2) ongegrond verklaard. 1.2 Op 26 mei 2012 heeft eiser opnieuw een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij eerdergenoemd besluit van 2 juni 2012 afgewezen, en tegen eiser - als vermeld - een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor een periode van twee jaar uitgevaardigd. Eiser heeft tegen dit besluit afzonderlijk beroep ingesteld voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van de asielaanvraag. Deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft dit beroep bij uitspraak van 19 juni 2012 (AWB 12/18005) ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het hiertegen ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 15 oktober 2012 ongegrond verklaard.
  3. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2012 (LJN: BW9111) heeft verweerder daartoe gesteld dat het, in verband met de concentratie van rechtsmiddelen, slechts mogelijk is één keer beroep in te stellen tegen eenzelfde besluit en niet afzonderlijk beroep in te stellen tegen verschillende onderdelen van een besluit, zoals eiser in dit geval heeft gedaan. 2.1 De rechtbank volgt dit betoog niet. Het bestreden besluit is een meeromvattende beschikking, waarbij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen en tegen eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod is uitgevaardigd. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat binnen de beroepstermijn afzonderlijk beroep wordt ingesteld tegen deze afzonderlijke deelbesluiten. In het onderhavige geval zijn de gronden van eiser tegen het terugkeerbesluit en het opgelegde inreisverbod ook niet betrokken bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag, waardoor evenmin gesteld kan worden dat geen sprake is van procesbelang. Het beroep van verweerder op de genoemde uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2012 gaat niet op. In die zaak was het inreisverbod niet vervat in het besluit over de verblijfsvergunning en het daarin opgenomen terugkeerbesluit, maar bij separaat besluit uitgevaardigd en lag de vraag voor of tegen dat separate besluit eerst bezwaar moet worden gemaakt of dat daartegen rechtstreeks beroep openstaat. Deze situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor.
  4. Eiser heeft aangevoerd dat in de eerdere asielprocedure reeds een terugkeerbesluit was uitgevaardigd, zodat het niet nodig was in het bestreden besluit opnieuw een terugkeerbesluit uit te vaardigen. 3.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in het bestreden besluit terecht een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd, omdat eiser door het indienen van de opvolgende aanvraag op 26 mei 2012 opnieuw rechtmatig verblijf heeft gekregen. 3.2 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 12 april 2012 (LJN: BW3971) en 6 september 2012 (LJN: BX7457)), brengt de omstandigheid dat een vreemdeling bij de afwijzing van een asielaanvraag reeds een terugkeerbesluit heeft ontvangen, dat hem daarbij een vertrektermijn is gegund en dat hij Nederland niet binnen die termijn uit eigen beweging heeft verlaten, niet met zich dat verweerder bij de afwijzing van een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel niet opnieuw een terugkeerbesluit, met een daarbij behorende vertrektermijn, hoeft uit te vaardigen. Daartoe heeft de Afdeling redengevend geacht dat uit Richtlijn 2008/115/EG van de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn), in het bijzonder artikel 3, vierde lid, volgt dat met het uitvaardigen van een terugkeerbesluit niet alleen een terugkeerverplichting binnen een daartoe, overeenkomstig artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn, gestelde termijn wordt opgelegd, doch in de eerste plaats, vóórdat het opleggen van die terugkeerplichting kan worden overgegaan, wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard. Hieruit volgt dat verweerder bij de afwijzing van de op 26 mei 2012 door eiser ingediende aanvraag was gehouden opnieuw vast te stellen dat het rechtmatig verblijf, dat hij in afwachting van de beslissing op die aanvraag had, was geëindigd. De beroepsgrond faalt.
  5. Eiser heeft verder aangevoerd dat het inreisverbod standaard, zonder belangenafweging, is gegeven. 4.1 Verweerder heeft op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om te concluderen dat hij de belangen van eiser onvoldoende heeft meegewogen, nu eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die nopen tot afzien van het uitvaardigen van het inreisverbod dan wel tot verkorting van de duur ervan. 4.2 De rechtbank stelt vast dat eiser het standpunt van verweerder, dat het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, niet heeft bestreden. Reeds daarom heeft verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw op goede gronden een inreisverbod tegen eiser uitgevaardigd. 4.3 Voor zover eiser heeft beoogd aan te voeren dat verweerder ten onrechte standaard aan dit inreisverbod de duur van twee jaar heeft verbonden, faalt dit. In de uitspraak van 15 juni 2012 (LJN: BW9112) heeft de Afdeling geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de benadering van verweerder, waarbij – behoudens het geval dat zich omstandigheden als bedoeld in het tweede tot en met zesde lid van artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) dan wel bijzondere individuele omstandigheden voordoen – een duur van twee jaar aan het inreisverbod wordt verbonden, in strijd is met de tekst of strekking van de Terugkeerrichtlijn. 4.4 Gelet op het vorenstaande kan de beroepsgrond niet slagen.
  6. Het beroep is ongegrond.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van E. Heemsbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november
  8. griffier rechter afschrift verzonden aan partijen op: Coll: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.