RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Zittinghoudende te Amsterdam zaaknummer: AWB 12/10072 V-nr: [nummers] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen: [eiseres 1], geboren op [1984,] eiseres, alsmede: [eiseres 2], geboren op [2006], [eiseres 3], geboren op [2008], allen van Afghaanse nationaliteit, hierna te noemen: eisers, gemachtigde: mr. L.M. Straver, advocaat te Utrecht, en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder, gemachtigde: mr. M. Garabitian, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Procesverloop Eiseres heeft op 3 maart 2011 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 ingediend. Bij besluit van 11 maart 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 3 mei 2011 is het besluit van verweerder vernietigd (AWB 11/8616). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze uitspraak bij uitspraak van 15 juli 2011 bevestigd. Bij besluit van 27 februari 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 3 maart 2011 opnieuw afgewezen. Tegelijkertijd heeft verweerder ambtshalve aan eiseres uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000, van 27 februari 2012 tot en met 27 februari 2013. Op 23 maart 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2012. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen 1. Eiseres heeft in eerste instantie als relaas naar voren gebracht dat zij als Hazara, sjiiet en alleenstaande vrouw in een kwetsbare positie verkeert en daarom niet kan terugkeren naar Afghanistan. Tijdens de zitting in de beroepsprocedure tegen het besluit van 11 maart 2011 en in het aanvullend gehoor op 29 september 2011, dat plaatsvond na de vernietiging van dat besluit door de rechtbank, heeft eiseres nog het volgende naar voren gebracht. Toen eiseres verloofd was met haar man, kwam ze erachter dat haar man eigenlijk verliefd was op een andere vrouw, [A], een Pashtun. Haar man had de ouders van [A] eerder om haar hand gevraagd, maar zij hadden geweigerd. Op de trouwdag van eiseres en haar man werd haar man aangevallen door de familie van [A]. Een neef werd neergestoken. Daarna is eiseres een keer op straat aangevallen door [A], zij heeft eiseres toen bedreigd. De man van eiseres is ook meerdere malen lastig gevallen door [A] en haar familie. Eiseres is op jonge leeftijd met haar familie naar Iran gevlucht vanuit Afghanistan. Ze is bang om naar Afghanistan terug te keren, omdat de Taliban aan de macht zijn. Eiseres is vrouw, Hazara en sjiiet. Eiseres vreest voor haar leven en dat van haar twee jonge dochters. Eiseres heeft tot ze vluchtte in Iran gewoond. De man van eiseres ondervond voorts problemen in Iran vanwege de sportschool die hij bezat. 2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. 3.1 Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder f, van voormeld artikel wordt mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. 3.2 Volgens het beleid van verweerder moet, indien zich een van de gevallen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 voordoet, van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht uitgaan. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mogen in het relaas dan geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. 4. Verweerder stelt zich, samengevat weergegeven, op het volgende standpunt. De aanvraag wordt afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw. Eiseres heeft toerekenbaar geen documenten ter staving van haar reisroute overgelegd. Eiseres heeft een door haar gebruikt paspoort en vliegticket in Frankrijk aan de reisagent afgestaan. Nu eiseres op dat moment al in een Europese lidstaat was, alwaar zij de bescherming van de autoriteiten kon inroepen, is dat toerekenbaar. Gelet hierop moet van het relaas van eiseres positieve overtuigingskracht uitgaan, om alsnog geloofwaardig te worden geacht. 5.1 Eiseres voert aan dat verweerder haar niet het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft kunnen tegenwerpen. In het eerste afwijzende besluit van 11 maart 2011 heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag immers gebaseerd op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, en niet tevens op artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Dit is ook vastgesteld door de rechtbank, zoals blijkt uit de zittingsaantekeningen van de zitting in Zwolle. Nu, gelet op de eerdere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 3 mei 2011, in rechte vaststaat dat artikel 31, eerste lid, werd tegengeworpen en er geen sprake is van wijziging van omstandigheden op het punt van de reisdocumenten, kan thans niet alsnog artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiseres worden tegengeworpen. Subsidiair stelt eiseres dat verweerder beter moet motiveren waarom dat artikellid nu wel wordt tegengeworpen, bij ongewijzigde omstandigheden. 5.2 De rechtbank stelt vast dat verweerder in het eerste besluit van 11 maart 2011 de onderhavige aanvraag van eiseres heeft afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. In haar uitspraak van 3 mei 2011, waarin de rechtbank het besluit van 11 maart 2011 heeft vernietigd, heeft de rechtbank over voormeld besluit in rechtsoverweging 2.3 het volgende overwogen: “Bij het onderzoek naar de aanvraag heeft verweerder aan de omstandigheid dat (thans) eiseres ter staving van haar aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen geen consequenties verbonden. Verweerder gaat van de geloofwaardigheid van de door eiseres gestelde feiten uit. Ter zitting is dit door verweerder bevestigd. Voor zover eiseres betoogd heeft dat het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 ten onrechte aan haar is tegengeworpen, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit inhoudelijk te beoordelen.” Ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt, dat het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank, waarbij de rechtbank een eerder besluit heeft vernietigd, tot gevolg heeft dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit op de aanvraag beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Slechts nova kunnen in dat geval een hernieuwde beoordeling van een eerder verworpen beroepsgrond rechtvaardigen. Nu uit bovengenoemd citaat blijkt dat de rechtbank in haar uitspraak van 3 mei 2011 over de door eiseres aangevoerde gronden over artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven, staat die jurisprudentie er dus niet aan in de weg dat verweerder in het thans bestreden besluit voormeld artikel aan eiseres tegenwerpt, zonder dat verweerder hoeft te motiveren dat er sprake is van nova. Voorts verzet zich naar het oordeel van de rechtbank ook geen andere rechtsregel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur hiertegen. De beroepsgrond dat verweerder voormeld artikellid in het bestreden besluit niet aan eiseres mocht tegenwerpen, dan wel beter moet motiveren waarom het nu alsnog wordt tegengeworpen, faalt daarom. 5.3 Eiseres voert verder aan dat verweerder het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet heeft kunnen tegenwerpen, omdat het ontbreken van reisdocumenten eiseres niet te verwijten valt. Zij heeft haar volledige medewerking gegeven aan het vaststellen van de reisroute en geprobeerd zoveel mogelijk details over de reisroute te geven. De hele reis werd door een reisagent geregeld, die haar man had ingeschakeld. Daarom kan zij er ook niet meer over verklaren. Omdat ze ongeletterd is, kon ze ook geen borden met plaatsnamen lezen. Bovendien is eiseres getraumatiseerd doordat ze haar man en zoontje tijdens de reis is kwijtgeraakt. Verder stelt verweerder ten onrechte dat eiseres aan de reisagent weerstand had moeten kunnen bieden. Rekening moet worden gehouden met het feit dat eiseres een Afghaanse vrouw is, die onvrijwillig niet meer begeleid werd door haar man. Verweerder houdt geen rekening met de Afghaanse cultuur en de positie die eiseres altijd in de samenleving toebedeeld kreeg. 5.4 De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Niet is in geschil dat eiseres het door haar tijdens (een deel van) de reis gebruikte paspoort en vliegticket in Frankrijk aan de reisagent heeft afgestaan. De rechtbank overweegt dat op grond van hoofdstuk C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 als uitgangspunt geldt dat wanneer een vreemdeling zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan, dit aan de vreemdeling is toe te rekenen. Alleen als aannemelijk is dat de afgifte onder dwang is gebeurd, wordt het afgeven van de documenten niet aan de vreemdeling toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de afgifte van de documenten aan de reisagent toerekenbaar is. Niet is gebleken dat sprake was van dwang. De omstandigheid dat eiseres als Afghaanse vrouw op dat moment zonder haar man reisde en zij het vanuit haar cultuur wellicht niet gewoon was zelf beslissingen te nemen, is onvoldoende om te kunnen spreken van dwang. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat eiseres haar man en zoon tijdens de reis is kwijtgeraakt en dat voor haar traumatiserend is geweest. Het betoog van eisers dat ze zoveel mogelijk details over de reisroute heeft gegeven slaagt, wat daar ook van zij, niet. Volgens jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2008, LJN: BC9690) is met het afleggen van consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis op zich nog niet aannemelijk gemaakt dat het afgeven van reisdocumenten aan de reisagent de vreemdeling niet kan worden toegerekend; daarvan is pas sprake indien de documenten onder dwang zijn afgegeven. Gelet op het voorgaande heeft verweerder dus in redelijkheid het toetsingskader van de positieve overtuigingskracht kunnen toepassen. 6. Verweerder acht geloofwaardig dat eiseres tot de Hazara bevolkingsgroep behoort, dat zij sjiiet is en dat zij gehuwd is. Ook worden de verklaringen van eiseres over de sportschool in Iran van haar echtgenoot geloofwaardig geacht. De gestelde problemen met [A] en haar familie in Iran worden echter niet geloofwaardig geacht. Er gaat geen positieve overtuigingskracht uit van de verklaringen van eiseres hierover. Het is opmerkelijk dat eiseres niet in haar eerste en nader gehoor al heeft verklaard over deze problemen, terwijl deze problemen juist de reden zouden zijn geweest voor eiseres en haar echtgenoot om weg te gaan. Verder heeft de echtgenoot van eiseres in zijn relaas ook enkele niet geloofwaardige verklaringen afgelegd over de problemen met de familie van [A]. 7.1 Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de culturele en medische aspecten, die bepalend zijn geweest voor het niet al tijdens het nader gehoor in de AA-procedure kunnen vertellen over de voor eiseres zeer schaamtevolle kwestie. Ten onrechte wordt niet ingegaan op het overgelegde artikel van [C] en [D] in de A&MR 2011, nummer 9, over zwijgen als psychologische overlevingsstrategie. Bij eiseres is ook een posttraumatische stressstoornis vastgesteld. Eiseres heeft in beroep onder meer een brief van het Gelreziekenhuis te Apeldoorn van 7 maart 2012 en een brief van klinisch psycholoog/psychotherapeut P.A. Croese van 27 juni 2012 overgelegd. Verder heeft eiseres de problemen met [A] in eerste instantie niet verteld, omdat zij haar man en zoon was kwijtgeraakt en zij op dat moment dus een alleenstaande vrouw was. De problemen met [A] hadden vooral met haar man te maken. Verweerder heeft ten onrechte het relaas ten aanzien van [A] niet geloofwaardig geacht omdat eiseres het te laat naar voren zou hebben gebracht. 7.2 De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 24 februari 2011, voorafgaand aan het eerste gehoor op 3 maart 2011, door MediFirst een onderzoek heeft laten uitvoeren naar de vraag of eiseres gehoord kon worden en of er medische beperkingen waren op grond van medische problematiek die van invloed konden zijn op het horen. Zoals verweerder ook heeft gesteld, kon eiseres volgens het advies van MediFirst worden gehoord en was geen sprake van medische problematiek die van invloed kon zijn op de verklaringen van eiseres. De rechtbank zal de door eiseres in beroep overgelegde verklaringen van het Team POP-poli van het Gelreziekenhuis van 7 maart 2012 en van klinisch psycholoog/psychotherapeut P.A. Croese van 27 juni 2012 op basis van artikel 83 van de Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze verklaringen onvoldoende zijn voor de conclusie dat eiseres op grond van medisch(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.