Arrondissementsrechtbank te 's-HertogenboschMeervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Uitspraak AWB 98/4446 AWB 98/5470 Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 juncto artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen 1. de gemeente Veldhoven en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veldhoven, eisers, gemachtigde mr. Y.A.A.G. de Vries, alsmede 2. [eiseres] ( [eiseres] ), gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres, gemachtigde mr. B.M.J. Wagemakers, en de Staatssecretaris van Defensie, zetelende te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde mr. C.M. Bitter, alsmede de stichting Stichting Vliegveld Welschap (SVW), gevestigd te Eindhoven, derde-belanghebbende, gemachtigde mr. W.G.B. van de Ven. I. PROCESVERLOOP In januari 1993 is aan de gezagvoerders van, kort gezegd, zware burgerluchtvaartuigen een ontheffing ingevolge de Luchtvaartwet (LVW) verleend om het ten behoeve van de militaire luchtvaart aangewezen "luchtvaartterrein Eindhoven" in weerwil van die aanwijzing mede te gebruiken voor de burgerluchtvaart. Bij brief van 19 maart 1997 is verweerder namens SVW verzocht om deze ontheffing zodanig te wijzigen dat ruimer gebruik van het luchtvaartterrein door zware burgerluchtvaartuigen mogelijk wordt. Verweerder heeft daarop een ontwerp-besluit opgesteld. Daarvan is mededeling gedaan door terinzagelegging, gedurende vier weken vanaf 24 november 1997, en door kennisgeving in de Staatscourant, het Eindhovens Dagblad en het huis-aan- huisblad Groot Eindhoven. Tevens is het ontwerp-besluit bij schrijven van 26 november 1997 aan onder meer het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veldhoven en [eiseres] gezonden. Bij schrijven van respectievelijk 18 en 17 december 1997 zijn namens eisers sub 1 en 2 bedenkingen tegen dit ontwerp-besluit ingebracht. Bij brief van 04 juni 1998 is namens eisers sub 1 vervolgens beroep bij deze rechtbank ingesteld tegen het uitblijven van een (definitief) besluit op de aanvraag van SVW. Bij schrijven van gelijke datum is de president van deze rechtbank namens eisers sub 1 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat verweerder wordt verplicht zo spoedig mogelijk een besluit te nemen. Op 12 juni 1998 heeft verweerder alsnog een (definitief) besluit op de aanvraag van SVW genomen. Namens eisers sub 1 is daarop bij schrijven van 02 juli 1998 een aanvullend beroepschrift ingediend met het verzoek om het beroep, gelet op artikel 6:20 Awb, thans aan te merken als te zijn gericht tegen het besluit van 12 juni 1998. Per gelijke datum is voorts het verzoek van eisers sub 1 om een voorlopige voorziening aangevuld en in dier voege gewijzigd, dat verzocht is het besluit van 12 juni 1998 te schorsen totdat op het bij de rechtbank ingestelde beroep is beslist. Bij brief van 14 juli 1998 heeft ook eiseres sub 2 beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juni 1998. Per gelijke datum heeft ook zij de president van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening, inhoudende schorsing van genoemd besluit. Nadat verweerder de relevante stukken aan de rechtbank heeft gezonden, zijn beide verzoeken om een voorlopige voorziening gevoegd behandeld ter zitting van 07 augustus 1998, waar alle opgemelde partijen bij hun gemachtigde zijn verschenen. Na hun standpunten te hebben toegelicht, hebben alle partijen, op voorstel van de president, de rechtbank toestemming verleend om in de bodemzaken zonder nadere zitting in meervoudige kamer uitspraak te doen. Vervolgens hebben eisers sub 1 en 2 ter zitting ingestemd met de aanhouding van hun verzoek om een voorlopige voorziening tot aan de datum van uitspraak in de bodemzaken. Conform gedane toezeggingen ter zitting van 07 augustus 1998 zijn zowel van de zijde van SVW als van verweerder nog enkele rapporten met betrekking tot het onderhavige geschil overgelegd. Gelet op de door verweerder meegezonden toelichting op de overgelegde rapporten heeft de rechtbank zowel eisers sub 1 en 2 als SVW nog in de gelegenheid gesteld te reageren. Genoemde partijen hebben daarop ieder een schriftelijke reactie ingezonden, waarop verweerder en SVW, met toestemming van de rechtbank, nog een laatste schriftelijke toelichting op hun standpunten hebben gegeven. Na kennisneming van alle nader ingediende stukken hebben alle partijen tenslotte aan de rechtbank te kennen gegeven hun eerder ter zitting gegeven toestemming, om zonder nadere zitting uitspraak te doen in de bodemzaken, te handhaven. II. OVERWEGINGEN II.1 Ingevolge artikel 18, eerste lid LVW juncto artikel 24, tweede lid LVW, voor zover hier van belang, kan Onze Minister ambtshalve of op schriftelijk verzoek luchtvaartterreinen aanwijzen, waarbij de bestemming van het luchtvaartterrein kan worden beperkt tot het gebruik door bepaalde vormen van luchtvaart. Ingevolge artikel 27 LVW kan Onze Minister een aanwijzing te allen tijde wijzigen. Artikel 33 LVW luidt, voor zover hier van belang als volgt: "1. Het is de exploitant van een luchtvaartterrein verboden een luchtvaartterrein te gebruiken of te doen of te laten gebruiken: a. in strijd met de bepalingen en voorschriften bij de aanwijzing gesteld; b. [...] c. [...] 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet, indien Onze Minister ontheffing heeft verleend." Artikel 34 LVW luidt, voorzover hier van belang, als volgt: "1. Het is de gezagvoerder en de eigenaar, houder of bezitter van een luchtvaartuig verboden een luchtvaartterrein te gebruiken: a. in strijd met de bepalingen en voorschriften bij de aanwijzing gesteld; b. [...] 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet, indien en voorzover Onze Minister ontheffing heeft verleend, dan wel voorzover een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 33, tweede lid." II.2 Uit de overgelegde stukken is onder meer het volgende gebleken: Bij beschikking van 31 mei 1960 (Stcrt 1960, 112) van de Minister van Defensie is een aantal nader aangegeven terreinen onder de benaming "lucht-vaartterrein Eindhoven" aangewezen als luchtvaartterrein voor de militaire luchtvaart. Deze aanwijzing is in verband met de uitbreiding van het terrein gewijzigd bij beschikking van verweerder van 05 mei 1978 (Stcrt. 1978, 122). Deze beschikking is door de Kroon bij Koninklijk Besluit (KB) van 06 september 1979, nr 45 (Stcrt. 1979, 179) - beschikkende op 1577 ingestelde beroepen - gehandhaafd onder toevoeging van een nadere bepaling. Uit de overwegingen bij genoemde wijzigingsbeschikking kan worden opgemaakt dat door verweerder indertijd reeds werd beoogd om medegebruik van het luchtvaartterrein door burgerluchtvaartuigen toe te staan. Hoewel aanvankelijk het voornemen bestond om luchtvaartterrein Eindhoven mede aan te wijzen ten behoeve van de burgerluchtvaart, heeft verweerder daar uiteindelijk van afgezien, gelet op de gebleken noodzaak tot voortgezet gebruik door de militaire luchtvaart. Blijkens voornoemd KB bestonden bij de Kroon echter geen bezwaren tegen het regelen van het geplande civiele gebruik middels het verlenen van een medegebruiksbeschikking in de vorm van een ontheffing. Mede in verband daarmee heeft de Kroon een bepaling aan de wijzigingsbeschikking toegevoegd, inhoudende dat de geluidsbelasting nabij het luchtvaartterrein de grens van 35 Kosteneenheden (Ke), zoals aangegeven op de aan de beschikking gehechte kaart, niet mag overschrijden. Deze 35 Ke-contour is gebaseerd op een prognose van 4.475 militaire sorties en 18.050 civiele vliegbewegingen bij het luchtvaartterrein in 1985. De eerste medegebruiksbeschikking, ondertekend door verweerder en de Minister van Verkeer en Waterstaat (V&W) dateert van 1982 (Stcrt. 237). Bij deze beschikking is aan SVW, ten behoeve van de exploitatie van een burger-areaal op het luchtvaartterrein, voor onbepaalde duur ontheffing verleend van het in artikel 31, eerste lid, LVW neergelegde verbod om, kort gezegd, gebouwen en roerende zaken op het terrein op te richten of te hebben. Voorts is daarbij aan de gezagvoerders van burgerluchtvaartuigen met een maximale lengte van 39 meter en een maximale LCN-waarde van 45 (hierna: lichte vliegtuigen), die gebruik maken van de tussenkomst, de diensten en de faciliteiten van SVW, voor onbepaalde duur onthef- fing verleend van het bepaalde in artikel 34, lid 1 onder a LVW. Aan de laatste ontheffing is onder meer de beperking gesteld, dat de voor het luchtvaartterrein vastgestelde of vast te stellen grenswaarde voor de maximaal toegelaten geluidsbelasting niet mag worden overschreden. In aanvulling op voornoemde beschikking hebben verweerder en de Minister van V&W in 1987 tevens voor de duur van drie jaren een ont-heffing verleend van artikel 34, lid 1 onder a LVW aan de gezagvoerders van burger-luchtvaartui-gen met een maximale lengte van 61 meter een maximale rompbreedte van 7 meter (hierna: zware vliegtuigen). Blijkens artikel 2 van deze beschikking gold de onthef-fing voor maximaal 264 vliegbewe-gingen per jaar. Na afloop van genoemde ter-mijn is in 1989 een soortgelijke onthef-fing verleend, opnieuw voor de duur van drie jaren, waarna in 1993 (Stcrt. 25) ook deze aanvullende ontheffing voor zware vliegbewegingen - met een maximum van 264 - uiteindelijk voor onbe-paalde duur is verleend. Met het thans bestreden besluit wordt het maximale aantal zware civiele vliegbewegingen voor het jaar 1998 verruimd tot 936. Anders dan bij voornoemde beschikkingen is daartoe ditmaal een ontheffing verleend aan SVW, als exploitant van het tot het luchtvaartterrein behorende burgerareaal. Ontheffing is verleend van het gestelde in artikel 33, eerste lid, LVW, in aanvulling op de ontheffing van 1982 voor lichte vliegtuigen en onder intrekking van de aanvullende ontheffing van 1993. II.3 De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit bevoegdelijk is genomen. Dienaangaande wordt het volgende overwogen. Artikel 1, aanhef en onder l, LVW bepaalt dat voor de toepassing van de LVW wordt verstaan onder "Onze Minister": voor wat de burgerluchtvaart en de algemene verkeersveiligheid in de lucht betreft: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; voor wat de militaire luchtvaart betreft: Onze Minister van Defensie. Anders dan de eerdere medegebruiksbeschikkingen, die zijn genomen en ondertekend door zowel verweerder als de Minister van V&W, respectievelijk de op grond van delegatie bevoegde Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst, is de in het geding zijnde ontheffing alleen door verweerder verleend. Uit het aangehaalde onderdeel van artikel 1 LVW volgt echter dat tot het verlenen van ontheffingen die (mede) de burgerluchtvaart betreffen - zowel op grond van artikel 33 als 34 LVW - de Minister van V&W (mede) bevoegd moet worden geacht. Hoewel met verweerder kan worden gesteld dat een besluit om civiel medegebruik van een militair vliegveld toe te staan in de eerste plaats aan Defensie-belangen raakt, is de rechtbank van oordeel dat een dergelijk besluit, gelet op de tekst en strekking van de LVW, niet met voorbijgaan aan de Minister van V&W kan worden genomen. Voor dit oordeel kan steun worden gevonden in de Memorie van Toelichting op de LVW (Kamerstukken 4168, nr. 3, p. 11) waarin onder meer het volgende is overwogen: "Is het niet de bedoeling dat een militair luchtvaartterrein mede voor openbaar burgerlijk luchtverkeer wordt aangewezen doch b.v. dat burgerlijke luchtvaartuigen slechts incidenteel van het militaire luchtvaartterrein gebruik zullen maken, dan zal ten behoeve van zodanige luchtvaartuigen ontheffing moeten worden verleend [...] teneinde het militaire luchtvaartterrein buiten de grenzen van de aanwijzing te gebruiken. Zodanige ontheffing zal zowel door de Minister van Oorlog of van Marine als door de Minister van Verkeer en Waterstaat moeten worden gegeven. Het betreft hier immers een militair terrein, doch tevens een burgerlijk luchtvaartuig [...] terwijl laatstgenoemde o.m. moet beoordelen of het gebruik van dit terrein door het burgerlijke luchtvaartuig op grond van de voor de burgerlijke luchtvaart geldende veiligheidseisen kan worden toegestaan." Voor de stelling van verweerder, dat de Minister van V&W weliswaar bij een dergelijke ontheffingverlening moet worden betrokken, doch het betreffende besluit niet hoeft te ondertekenen, zijn in de LVW geen aanknopingspunten te vinden. Gelet op de door de wetgever beoogde mede-verantwoordelijkheid van de Minister van V&W voor besluiten als hier in geding, acht de rechtbank het onvoldoende dat "in overleg met de Minister van V&W" zou zijn beschikt, zoals in het bestreden besluit is vermeld. Overigens treft verweerders verwijzing in dit verband naar de Aanwijzingen voor de regelgeving reeds daarom geen doel, omdat deze aanwijzingen slechts betrekking hebben op algemeen verbindende voorschriften, interne regelingen en beleidsregels en niet op besluiten als de onderhavige. Gelet op het voorgaande was verweerder slechts bevoegd om samen met de Minister van V&W te beslissen op het verzoek tot wijziging van de ontheffing. Nu verweerder het bestreden besluit alleen heeft genomen, dient dit besluit te worden vernietigd wegens schending van het bepaalde in artikel 33, tweede lid, LVW. II.4 Aangezien een eventueel nieuw te nemen besluit met betrekking tot de onderhavige materie mede door verweerder zal moeten worden genomen, acht de rechtbank het van belang om de in het geding zijnde ontheffing ook inhoudelijk te beoordelen. De verschillende inhoudelijke grieven van eisers concentreren zich hoofdzakelijk rondom twee thema's, namelijk enerzijds het ontbreken van een aanwijzing conform de LVW van het luchtvaartterrein Eindhoven als (mede) bestemd voor de burgerluchtvaart en anderzijds het ontbreken van een conform de LVW voor dat luchtvaartterrein vastgestelde geluidszone. Een en ander brengt volgens eisers met zich dat de onderhavige ontheffing niet had mogen worden verleend.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.