Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch Sector Bestuursrecht -------------------------------- Uitspraak -------------------------------- Awb 00/6891 VV Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen A, h.o.d.n. „C", te B, gemachtigde mr. M.F.J. Martens, advocaat te Rosmalen, en de burgemeester van de gemeente Oss, verweerder. I. PROCESVERLOOP Bij besluit van 2 oktober 2000 heeft verweerder krachtens artikel 13b van de Opiumwet, met ingang van 3 oktober 2000 de sluiting voor onbepaalde tijd bevolen van coffeeshop "'C" aan de […]straat […] te B. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij schrijven van 4 oktober 2000 bezwaar gemaakt bij verweerder op nader aan te voeren gronden. Bij schrijven van eveneens 4 oktober 2000 heeft verzoeker de president verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, inhoudende de schorsing van het bestreden besluit. Bij brief van 26 oktober 2000 heeft verweerder de aanvullende gronden van het verzoek ingediend. Bij schrijven van gelijke datum is het bezwaar voorzien van nadere gronden. Het verzoek is op 2 november 2000 behandeld ter zitting, alwaar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S.G.A. Philipse, werkzaam bij verweerders gemeente. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium met zich brengt dat een beoordeling van het geschil in de bodemprocedure wordt gegeven, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure. De president zal beoordelen of er aanleiding bestaat het besluit van 2 oktober 2000 te schorsen totdat hierover in bezwaar is beslist. Bij deze beoordeling gaat de president uit van de navolgende feiten. Verzoeker exploiteert sinds zes jaar de coffeeshop "C" aan de […]straat […] te B. Op 5 februari 1999 heeft de politie geconstateerd dat aan een persoon van 16 jaar de toegang tot de coffeeshop is verleend, waarbij niet naar de leeftijd is geïnformeerd noch om een legitimatiebewijs is gevraagd. Aan deze persoon is vervolgens een hoeveelheid softdrugs verkocht. Verweerder heeft in dat verband verzoeker op 17 juni 1999 - onder verwijzing naar de Notitie Coffeeshopbeleid Oss - gewaarschuwd dat hij bij verdere overtreding van een of meer van de geldende gedoogvoorwaarden genoodzaakt zal zijn om op grond van artikel 13b van de Opiumwet tot tijdelijke dan wel tot definitieve sluiting van de coffeeshop over te gaan. Op zondag 3 september 2000 heeft in het pand […]straat […] een schietpartij plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit incident heeft verweerder, met instemming van verzoeker in het belang van de openbare orde en veiligheid en teneinde een nader onderzoek in te kunnen stellen, bij besluit van 5 september 2000 "C" voor bepaalde tijd - van 5 september 2000 tot en met 2 oktober 2000 - gesloten. De districtschef Maasland van de politie Brabant-Noord heeft verweerder op 22 september 2000 geadviseerd tot definitieve sluiting van de coffeeshop over te gaan. Verweerder heeft dit advies overgenomen en verzoeker bij brief van 28 september 2000 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om het gedogen van de coffeeshop definitief te beëindigen. Op 29 september 2000 is verzoeker gehoord. Bij het thans ter beoordeling staande besluit van 2 oktober 2000 heeft verweerder de coffeeshop met ingang van 3 oktober 2000 gesloten voor onbepaalde duur. Hierna is de procedure zoals weergegeven onder de rubriek Procesverloop gevolgd. Verweerder heeft zijn besluit tot sluiting van de coffeeshop gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet. Daarbij heeft verweerder tevens rekening gehouden met het beleid zoals verwoord in de Notitie Coffeeshopbeleid Oss. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, welke bepaling bij Wet van 18 maart 1999, Stb. 167 op 21 april 1999 in werking is getreden, is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. In de Notitie Coffeeshopbeleid Oss, vastgesteld door de raad op 28 februari 1997, is het gedoogbeleid van de gemeente Oss ten aanzien van coffeeshops vastgelegd. Oss volgt het landelijk gedoogbeleid van het Openbaar Ministerie, het zogeheten A.H.O.J.G.-beleid. Het maximaal aantal in Oss te gedogen coffeeshops is vastgesteld op twee. In zijn algemeenheid wordt in deze Notitie gesteld dat coffeeshops vanwege hun aard niet in een woonstraat passen en daar dan ook niet acceptabel zijn. Ook dient er een redelijke afstand te zijn tot onderwijsinstellingen. De (onderhavige) coffeeshop in de […]straat is gevestigd op een lokatie die te dicht bij een school ligt. De bestaande coffeeshops zullen op de huidige lokaties vooralsnog worden gedoogd. Het streven zal wel zijn om deze coffeeshops op vrijwillige basis naar lokaties te verplaatsen die wel aan de voorwaarden voldoen. Naast beperkingen van het aantal coffeeshops en de vestigingslokatie dienen, met het oog op de bescherming van het woon- en leefklimaat en dus het voorkomen van overlast, voorwaarden en beperkingen te worden gesteld aan de dagelijkse exploitatie van een coffeeshops. Exploitanten van de coffeeshops dienen zich aan de in de Notitie aangegeven voorwaarden en beperkingen te houden. Onder meer dient in de huisregels een legitimatie-plicht te worden opgenomen ter verificatie van de leeftijd van bezoekers en dient te worden bepaald dat handel in goederen of waren door derden niet is toegestaan. In de Notitie is aangegeven dat bij overtreding van de regels de burgemeester, na raadpleging van het college en de commissie voor Algemene, Bestuurlijke en Politiezaken, een procedure tot sluiting van de coffeeshop zal starten. In de Notitie wordt tenslotte gesteld dat in geval van tussentijdse vrijwillige of gedwongen (tijdelijke) sluiting heropening van de coffeeshops op de huidige lokaties niet meer zal worden gedoogd. Verzoeker stelt zich allereerst op het standpunt dat het bestreden besluit van 2 oktober 2000 op formele gronden voor vernietiging in aanmerking komt, zodat reeds hierom schorsing van dit besluit op zijn plaats is. In dat verband heeft verzoeker betoogd dat verweerder zijn bevoegdheid krachtens artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van de coffeeshop heeft gebruikt voor een ander doel, namelijk de handhaving van de openbare orde, dan waarvoor deze bevoegdheid is gegeven, namelijk het bevorderen van de volksgezondheid. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat de Notitie Coffeeshopbeleid Oss, gelet op het bepaalde in artikel 122 van de Gemeentewet, met de invoering van artikel 13b van de Opiumwet van rechtswege is komen te vervallen. Dienaangaande overweegt de president als volgt. Artikel 13b van de Opiumwet biedt verweerder een zelfstandige bestuursdwangbevoegdheid om de verbodsbepalingen van de Opiumwet te handhaven. Dit artikel, ook wel bekend als de 'Damoclesregeling', stelt verweerder in staat om op te treden tegen coffeeshops die in strijd handelen met de gedoogcriteria van het Openbaar Ministerie dan wel de aanvullende gemeentelijke voorwaarden, ook wanneer geen sprake is van overlast.Artikel 13b van de Opiumwet bepaalt niet in welk belang de burgemeester bevoegd is met bestuursdwang, in de praktijk veelal neerkomend op sluiting van de inrichting, op te treden. Niet relevant derhalve is of door de overtreding van verbodsbepalingen in de Opiumwet de openbare orde in geding is. De overtreding als zodanig biedt verweerder reeds voldoende basis om tot sluiting over te gaan. Derhalve moet worden vastgesteld dat de wetgever met invoering van voornoemd artikel in de Opiumwet een bestuursdwangbevoegdheid heeft verleend aan een bestuursorgaan dat verder in het kader van die wet geen enkele uitvoerende of regelgevende bevoegdheid heeft. Naar voorlopig oordeel van de president kan dan ook niet worden volgehouden dat verweerder zijn op grond van artikel 13b van de Opiumwet toekomende bevoegdheid tot sluiting heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven. Ten aanzien van verzoekers stelling dat verweerder het in de Notitie Coffeeshopbeleid Oss verwoorde beleid niet kon toepassen nu dit vanwege de werking van artikel 122 van de Gemeentewet met invoering artikel 13b van de Opiumwet van rechtswege is komen te vervallen, wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 148 van de Gemeentewet kan de raad van verweerders gemeente beleidsregels vaststellen waarmee verweerder bij de uitoefening van zijn bevoegdheid rekening dient te houden. In het onderhavige geval biedt de door de raad op 27 februari 1997 vastgestelde Notitie Coffeeshopbeleid Oss een kader waarbinnen verweerder zijn krachtens artikel 13b van de Opiumwet toekomende bevoegdheid uitoefent. Anders dan verzoeker onder verwijzing naar de werking van artikel 122 van de Gemeentewet heeft betoogd, is de president van oordeel dat met de invoering van artikel 13b van de Opiumwet de Notitie Coffeeshopbeleid Oss niet van rechtswege is komen te vervallen. Artikel 122 van de Gemeentewet ziet immers op gemeentelijke verordeningen in wier onderwerp door een wet wordt voorzien, doch niet op beleidsregels, zoals voornoemde Notitie kan worden gekwalificeerd. Aldus heeft verweerder naar voorlopig oordeel van de president het bestreden besluit kunnen baseren op voornoemd beleid. Dit beleid kan voorts niet als kennelijk onredelijk of anderszins onaanvaardbaar worden beschouwd. Het voorgaande leidt de president tot de conclusie dat artikel 13b van de Opiumwet en de Notitie Coffeeshopbeleid Oss een genoegzame grondslag bieden voor het bestreden besluit van 2 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.