ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH Parketnummer: 01.055025.01 Uitspraakdatum: 13 november 2001 V E R K O R T V O N N I S Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats], in 1955, wonende te [woonplaats], [adres], thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Grave (unit A en B) te Grave. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 augustus 2001, 23 augustus 2001 en 30 oktober 2001. Op 12 juni 2001 heeft een onderzoek ter terechtzitting in een andere samenstelling plaatsgevonden. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 mei 2001. Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht. De omschrijving van de tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 30 oktober 2001 gewijzigd op de voet van het bepaalde in artikel 314a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Van deze vordering is eveneens een fotokopie aan dit vonnis gehecht. De geldigheid van de dagvaarding. De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen. De bevoegdheid van de rechtbank. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Voorzover het onder 2 tenlastegelegde betreft een feit dat (mede) in het buitenland, meer bepaald Hongarije, zou zijn gepleegd, geldt dat aan de vereisten van artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. Schorsing der vervolging. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. Vrijspraak. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, voor zover het betreft het bestanddeel "met voorbedachten rade", nader feitelijk omschreven als “na kalm beraad en rustig overleg”. Hij behoort daarvan te worden vrijgesproken. De rechtbank acht tevens niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd, zodat hij daarvan eveneens dient te worden vrijgesproken. De bewezenverklaring. De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het feit onder 1 primair heeft begaan, te weten: dat hij op 21 februari 2001 te Schaijk, gemeente Landerd, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen die [slachtoffer] in de benen en in het lichaam geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. Bewijsoverweging. De bewezenverklaring berust in het bijzonder op na te noemen, beknopt en zakelijk weer te geven, bewijsmiddelen. De paginanummers verwijzen naar de pagina aanduiding in het proces-verbaal van de Politieregio Brabant Noord District Recherche Leijgraaf, Onderzoeksteam “[naam onderzoeksteam]” inzake het zogeheten “delict 01”: * een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] (p. 195) onder meer inhoudende dat hij op 21 februari 2001 omstreeks 21.10 uur een kaal hoofd of iets in die richting in het gras langs de A50 ziet liggen. Hij belt het alarmnummer. * een proces-verbaal van bevindingen van de politie (p. 166 e.v.) onder meer inhoudende: Op 21 februari 2001 omstreeks 21.12 uur kregen twee verbalisanten van de meldkamer opdracht naar de A50 te gaan omdat daar een stoffelijk overschot zou liggen. Vervolgens hebben zij op 21 februari 2001 omstreeks 21.30 uur te Schaijk, gemeente Landerd op de snelweg A50, aan de rand van de zuidelijke rijbaan tussen hectometerpalen 21.1 en 21.0 het stoffelijk overschot van een man aangetroffen. * processen-verbaal van politie (p.204 en p. 1316) en bescheiden (p 173 en 174), betreffende de identificatie van de overledene als [slachtoffer], wonende aan de [adres slachtoffer] * het sectierapport d.d. 23 april 2001 van dr. R. Visser van het Nederlands Forensisch Instituut (p. 1225 e.v.) houdt in dat bij het slachtoffer vijf huidperforaties (doorschot doorheen de borst, doorschot door het linker bovenbeen en een inschot in het rechter bovenbeen) zijn geconstateerd. Deze vijf huidperforaties zijn veroorzaakt door maximaal drie kogels en minimaal 2 kogels. In het lichaam van het slachtoffer wordt 1 kogel aangetroffen. De schotrichting is vermoedelijk van achterwaarts naar voorwaarts. De letsels, met name die van de borst, verklaren het intreden van de dood zonder meer. Een andere of bijkomende doodsoorzaak is bij sectie en toxicologisch onderzoek niet gebleken. * een brief d.d. 15 oktober 2001 van dr. R. Visser voornoemd aan de rechter-commissaris houdt in dat het intreden van de dood van [slachtoffer] vooral is bepaald door een zg. verbloedingsshock. Met zekerheid kan worden gesteld dat het slachtoffer niet onmiddellijk aan de gevolgen van het bloedverlies moet zijn overleden en dat aangenomen kan worden dat hij nog enige afstand op eigen kracht heeft kunnen overbruggen. Naar schatting zal hij (na door de borst te zijn geschoten) nog meerdere minuten tot ongeveer een kwartier hebben geleefd. * een proces-verbaal technisch onderzoek (p. 1314 e.v.) waaruit blijkt dat het slachtoffer vermoedelijk op 21 februari 2001 tussen ongeveer 20.00 uur en 21.00 uur is overleden. Voorts heeft de politie op 26 februari 2001 op de vluchtstrook en in de berm van de Rijksweg A50 (noordelijke rijbaan) nabij hectometerpaal 21.2 over een afstand van ongeveer 19,85 meter drie hulzen en een patroon aangetroffen. Tevens werd over een afstand van 8 meter een rijspoor, bestaande uit gedeeltelijk een acceleratiespoor en gedeeltelijk een rolspoor, in de berm aangetroffen, afkomstig van een auto die kennelijk was weggereden in de richting 's-Hertogenbosch. De afstand tussen de aangetroffen munitie en munitiedelen en het aangetroffen bandenspoor bedroeg tussen de 12,5 en 32,35 meter. Uit sporenonderzoek bleek dat het bandenspoor vermoedelijk is veroorzaakt door een autoband van het profieltype Sportiva G-70. De achteras van het op 2 maart 2001 in beslag genomen voertuig van verdachte, een (zilver) grijze Honda Integra, was voorzien van banden van het type Sportiva G-70 (p. 1266). * een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door H.G.M. Michels d.d. 6 april 2001 (p. 1329 e.v.) waaruit blijkt dat de drie aangetroffen hulzen afkomstig zijn van pistoolpatronen kaliber 9 mm Browning Kort, die waarschijnlijk zijn verschoten met één en hetzelfde semi-automatisch werkend vuurwapen. Eén huls is afkomstig van het merk Sellier & Bellot. De kogel, afkomstig uit het lichaam van het slachtoffer, is zeer waarschijnlijk van het kaliber 9 mm. Browning Kort. Deze kogel past morfologisch bij een patroon van het merk Sellier & Bellot. * een tweetal processen-verbaal van verhoor van [getuige 2] en [getuige 3] (p.196 t/m 199) houden in dat zij op 21 februari 2001 omstreeks 20.30 uur, rijdende op de A50 in de richting van Nijmegen, aan de rechterzijde van de weg een persoon, steunend op zijn knieën en zijn handen hebben gezien. Op de andere rijbaan, bestemd voor het verkeer dat richting Oss rijdt, hebben zij een auto zien stilstaan langs de weg. De auto voerde geen verlichting. [getuige 3] verklaart voorts (p 198) dat de kleur van de stilstaande auto zilvergrijs was en dat hij aan de rechterzijde van de (door hemzelf bereden) rijbaan op dat moment geen voertuig heeft gezien. Hij heeft er speciaal op gelet of hij de auto van die man ergens zag. * de verklaringen van [getuige 4]), afgelegd bij de politie (p. 388 e.v.) en bij de rechter-commissaris op 15 maart 2001, in hun onderlinge samenhang bezien onder meer inhoudende: - dat hij en [getuige 5] in de avond van 21 februari 2001 bij het slachtoffer ([slachtoffer]) in de flatwoning aan de [adres slachtoffer] waren; - dat die dag tussen 20.00 uur en 21.00 uur een persoon, naderhand door [getuige 4] aangeduid als [verdachte], de woning van [slachtoffer] in kwam stormen. [verdachte] schreeuwde tegen [slachtoffer]. Ze hadden duidelijk ruzie; - dat hij, [getuige 4], en [getuige 5] van [verdachte] de woning moesten verlaten en dat zij gevolg hebben gegeven aan dit bevel; - dat ongeveer twee minuten later [verdachte] en [slachtoffer] de woning hebben verlaten; - dat [verdachte] en [slachtoffer] naar een geparkeerd staande, lichtkleurige, vermoedelijk Japanse, auto liepen. [verdachte] trok [slachtoffer] bij zijn broekriem. Aan het gezicht van [slachtoffer] zag [getuige 4] dat hij kennelijk bang was. [verdachte] is aan de bestuurderszijde van de auto ingestapt en [slachtoffer] aan de passagierszijde. Vervolgens is de auto weggereden; - dat de auto niet is gevolgd door een andere auto en dat hij geen andere auto heeft gezien; * de verklaringen van [getuige 5]), afgelegd bij de politie (p. 896 e.v.) en bij de rechter-commissaris op 15 maart 2001, in onderlinge samenhang bezien onder meer inhoudende: - dat hij en [getuige 4]) in de avond van 21 februari 2001 bij het slachtoffer ([slachtoffer]) in de flatwoning aan de [adres slachtoffer] waren; - dat [verdachte] omstreeks 20.00 uur die dag de woning van [slachtoffer] binnenstormde; - dat [verdachte] en [slachtoffer] ruzie hadden. [verdachte] wilde geld van [slachtoffer]; - dat [getuige 4] en hij door [verdachte] naar buiten zijn gestuurd; - dat hij buiten heeft gezien dat [verdachte] [slachtoffer] naar een kleine Japanse auto meenam (in de verklaring bij de rechter-commissaris is de kleur omschreven als metallic blauw/grijs) en dat [verdachte] [slachtoffer] stevig bij de broekriem vasthield en hem vast bleef houden tot ze bij de auto waren; - dat hij [slachtoffer] hoorde zeggen: "Alsjeblieft, alsjeblieft, laat het ons bespreken"; - dat [verdachte] achter het stuur is gaan zitten en met [slachtoffer] is weggereden; - dat hij niet meer mensen dan [verdachte] en [slachtoffer] in de auto heeft zien zitten; - dat hij en [getuige 4] nog enkele minuten daar buiten hebben gestaan; - dat hij geen andere auto's heeft zien rijden en dat de auto niet werd gevolgd. * De verklaringen van verdachte, zoals ook ter terechtzitting afgelegd, waarin meermalen in het bijzonder de navolgende onderdelen voorkomen: - dat hij op 21 februari 2001 's avonds in de woning van [slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] is geweest. Naast [slachtoffer] waren er in die woning nog twee mannen aanwezig, waaronder [getuige 5]; - dat [getuige 5] en de andere man de woning hebben verlaten; - dat hij enkele minuten later, samen met [slachtoffer], naar beneden is gegaan; - dat hij buiten [slachtoffer] even bij zijn jas heeft gepakt omdat hij een andere kant op liep dan waar de auto van verdachte stond; - dat hij vanaf die woning met [slachtoffer] is vertrokken in zijn auto, een grijze Honda Integra; - dat verdachte op het moment dat ze bij de woning van [slachtoffer] wegreden, de auto bestuurde en dat [slachtoffer] naast hem zat. - dat verdachte daarna op de Rijksweg A50, richting 's-Hertogenbosch (noordzijde) is geweest en daar langs de weg heeft stilgestaan en de verlichting van de auto heeft uitgezet. - dat de plek waar hij heeft stilgestaan, de plek nabij de afslag Oss Oost is waar de auto tijdens de reconstructie op 20/21 augustus 2001 stond; * een proces-verbaal bevindingen (pag. 219 e.v.) waaruit blijkt dat de afstand tussen de woning van het slachtoffer [slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] en de afslag Oss-Oost, A50, richting 's-Hertogenbosch, met een personenauto onder normale omstandigheden, in 23 minuten is te overbruggen. Verdachte heeft in het bijzonder ter terechtzitting en op 3 maart 2001 ten overstaan van de politie feiten en omstandigheden gerelateerd ten betoge dat hij onschuldig is aan het thans bewezenverklaarde. De cruciale punten in zijn relaas zijn dat in verdachtes auto nog twee andere personen hebben gezeten, te weten een Surinamer en een IBO-man, dat hij door een andere auto (Nissan Bluebird) is gevolgd welke bestuurd werd door een derde andere persoon, dat [slachtoffer] en de Surinamer op de Haterdseweg te Nijmegen in de andere auto zijn overgestapt; dat op de A50 de IBO-man is uitgestapt en naar de overkant van de weg is gelopen, dat verdachte daar de andere auto zag staan en dat hij verder niets heeft gezien of gehoord. De rechtbank hecht geen geloof aan die onderdelen van de verklaring van verdachte. Zij doen geen afbreuk aan het bewijs. Uit voornoemde bewijsmiddelen (meer bepaald de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5]) heeft de rechtbank de overtuiging gekregen dat tussen verdachte en het slachtoffer op de avond van diens overlijden onenigheid is geweest en dat verdachte met [slachtoffer] is weggereden in de auto van verdachte. Op grond van de verklaringen van voornoemde getuigen neemt de rechtbank tevens als vaststaand aan dat de auto van verdachte niet is gevolgd door een andere auto en dat bij vertrek uit Nijmegen geen andere personen dan verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] in verdachtes auto hebben gezeten. Aldus zijn wezenlijke onderdelen van verdachtes versie van de gebeurtenissen door wettig bewijsmateriaal weerlegd, in het bijzonder de aanwezigheid van de Surinamer, de IBO-man, de Nissan Bluebird en de bestuurder daarvan. Mede gezien de omstandigheden dat: ·op de avond van het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer] is waargenomen dat verdachte en dit slachtoffer ruzie hadden; ·gezien is dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] bij diens broeksriem vasthield en alleen met [slachtoffer] is weggereden, zulks korte tijd voordat het slachtoffer (er is geen enkele reden om aan te nemen dat het iemand anders is geweest) door [getuige 2] en [getuige 3] is gezien aan de zuidzijde van de A50; ·verdachte rond het tijdstip waarop het slachtoffer is overleden met zijn auto aan de noordzijde van de A50 met gedoofde lichten heeft stilgestaan, zulks op korte afstand (hooguit 200
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.