ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht UITSPRAAK AWB 01/1824 VV AWB 01/1825 Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb in het geschil tussen: A Autobedrijf V.O.F., gevestigd te B, eiseres, gemachtigde mr. C.W.M. Vergouwen, advocaat te Eindhoven, en de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer, verweerder. I. PROCESVERLOOP Bij besluit van 9 mei 2001 heeft verweerder de erkenning van eiseres voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen tot en met 3500 kg op grond van artikel 87, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) met ingang van 29 mei 2001 voor de duur van 12 weken ingetrokken. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 23 mei 2001 bij verweerder bezwaar gemaakt. Bij schrijven van 29 mei 2001 heeft eiseres zich tot de president van deze rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Bij uitspraak van 5 juli 2001, verzonden 17 juli 2001, heeft de president het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen (Reg.nr. AWB 01/1273 VV). Bij besluit van 23 juli 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Bij faxbericht van 26 juli 2001 heeft eiseres tegen voornoemd besluit van 23 juli 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank en tevens aan de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen (Reg.nrs. AWB 01/1824 VV en AWB 01/1825). Bij schrijven van 26 juli 2001 heeft verweerder aan de president medegedeeld dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie zal worden opgeschort totdat de president uitspraak heeft gedaan op het verzoek. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 13 september 2001 waar eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. J. Greidanus en mr. R. Grimbergen, ambtenaren bij de Dienst Wegverkeer. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de president, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep is ingesteld bij de rechtbank en de president van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek niet meer kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak doen. De president is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarbij wordt opgemerkt dat partijen in de uitnodiging voor de zitting op de bevoegdheid van de president zijn gewezen om tevens uitspraak te doen in de aan het verzoek om voorlopige voorziening ten grondslag liggende hoofdzaak. In geschil is het besluit van 23 juli 2001 waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen de intrekking van de erkenning van eiseres voor het uitvoeren van periodieke keuringen voor de duur van 12 weken ongegrond heeft verklaard. Ingevolge artikel 86, eerste lid, van de WVW 1994 onderwerpt de Dienst Wegverkeer ten minste drie van elke honderd voertuigen na een verrichte keuring steekproefsgewijs aan een herkeuring met het oog op het toezicht op: a. de juiste uitvoering van de keuring; b. het aan een keuring onderwerpen door daartoe bevoegde natuurlijke personen. Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen, indien degene aan wie de erkenning is verleend, in strijd met de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, onderdeel a, of de regels, bedoeld in artikel 76, derde lid, een keuringsbewijs afgeeft voor een motorrijtuig of een aanhangwagen. Met het oog op verweerders bevoegdheid tot het intrekken van of wijzigen van een erkenning heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van de WVW 1994 op 11 februari 2000 de Erkenningsregeling APK (Stcrt. 2000, 35), vastgesteld. Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK wordt in het kader van het toezicht op de erkenninghouder, bedoeld in artikel 86 van de WVW 1994, door de Dienst Wegverkeer een systeem van bonus- en strafpunten voor de erkenninghouder vastgesteld dat bekend wordt gemaakt in de Staatscourant. Aan de hand van dit systeem kan worden vastgesteld of het toezicht wordt verminderd, het toezicht wordt verscherpt dan wel dat de erkenning wordt ingetrokken. Ter uitvoering van artikel 53, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK heeft verweerder op 21 augustus 2000 vastgesteld de Bekendmaking vaststelling cusumsysteem erkenninghouders Erkenningsregeling APK (Stcrt. 2000, 163), hierna te noemen: de Bekendmaking. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Bekendmaking wordt hierin verstaan onder cusumsysteem: het systeem van bonus- en strafpunten als bedoeld in artikel 53, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Bekendmaking wordt hierin verstaan onder cusumbijdrage: de bijdrage aan straf- en bonuspunten van een herkeuring. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder c, van de Bekendmaking wordt een procedure tot intrekking van de erkenning begonnen indien één afzonderlijke cusumbijdrage 9,6 of hoger is. Verweerder heeft aan het bestreden besluit de overweging ten grondslag gelegd dat herkeuring heeft geleid tot een afzonderlijke cusumbijdrage van 11,6 strafpunten waardoor de in artikel 5, aanhef en onder c, van de Bekendmaking genoemde waarde van 9,6 is overschreden. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiseres geen gebruik gemaakt van de in artikel 90 van de WVW 1994 neergelegde mogelijkheid om tegen het resultaat van de herkeuring bezwaar te maken zodat het resultaat van die herkeuring inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden. Voorts is naar de mening van verweerder geen sprake van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan in casu zou moeten worden afgezien van het intrekken van de erkenning voor de voor gevallen als de onderhavige gebruikelijke termijn van 12 weken. Vaststaat dat bij een in het kader van een steekproef verrichte herkeuring op 4 mei 2001 is gebleken dat eiseres het voertuig met het kenteken X als zijnde goedgekeurd heeft afgemeld terwijl sprake was van de navolgende gebreken die aan goedkeuring in de weg stonden: - het rechter voorwiel was ondeugdelijk aan het voertuig bevestigd (liep aan tegen de remklauw); - drie van de vier bevestigde bouten van het linker achterwiel zaten los; - er was sprake van een verschil van remwerking aan de achteras van meer dan 50%; - de parkeerrem werkte maar op één wiel. Niet betwist is voorts dat deze gebreken, indien deze ieder op zichzelf worden beschouwd, gezamenlijk leiden tot een cusumbijdrage van meer dan 9,6, welke voor verweerder, gelet op artikel 5, aanhef en onder c, van de Bekendmaking, aanleiding behoort te vormen een procedure tot intrekking van de erkenning van eiseres aan te vangen. Naar de mening van eiseres is in casu evenwel in zoverre sprake van een bijzondere omstandigheid, dat een deel van de geconstateerde gebreken rechtstreeks is voortgevloeid uit een ander gebrek. Onder deze omstandigheden ligt het in de rede bij de bepaling van de cusumbijdrage als gevolg van de herkeuring buiten beschouwing te laten die gebreken die het rechtstreeks gevolg zijn van dit andere gebrek, aldus eiseres. In dit verband heeft zij uiteengezet dat het voertuig na initiële keuring door de keurmeester in orde was bevonden, met dien verstande dat de banden van de voorwielen niet goed waren en in het linker achterwiel een slag zat. De keurmeester is toen gaan pauzeren. Na zijn pauze constateerde hij dat er vier andere wielen op het voertuig waren gemonteerd, die alle voorzien waren van goede banden. Daarop is het voertuig als zijnde goedgekeurd afgemeld. Toen het voertuig ten behoeve van de herkeuring in het kader van een steekproef de werkplaats werd binnengereden, was evenwel een hard geluid te horen bij de wielen. Geconstateerd werd dat dit kwam doordat het rechter voorwiel tegen de remklauw aanliep als gevolg van het feit dat te lange wielbouten waren gebruikt. Deze te lange wielbouten hebben linksachter vervolgens het veertje van het afstelmechanisme van de handrem losgetrokken, waardoor de handrem linksachter niet meer werkte en er teveel remverschil achter is ontstaan. De president overweegt als volgt. Voorop wordt gesteld dat de enkele omstandigheid dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de uitslag van de herkeuring aan te vechten, niet dwingt tot de conclusie dat verweerder bij zijn besluitvorming inzake de oplegging van de sanctie van intrekking van de erkenning van eiseres, zonder meer dient uit te gaan van de het aantal van 11,6 strafpunten, zoals dat bij die herkeuring is vastgesteld. De president overweegt daartoe in de eerste plaats dat moet worden betwijfeld of eiseres van de mogelijkheid van bezwaar, bedoeld in artikel 90 van de WVW 1994, gebruik had kunnen maken, indien zij daarmee enkel het oogmerk had om het aantal in het kader van de herkeuring vastgestelde strafpunten, als bedoeld in de Bekendmaking aan te vechten. Uit de bewoordingen van artikel 90 van de WVW 1994 volgt namelijk dat de daarin geboden mogelijkheid van het maken van bezwaar uitsluitend betreft de beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs. De juistheid van die weigering is in casu echter niet in geschil. Onbetwist is immers dat het voortuig zoals dat door de steekproefcontroleur is onderzocht, niet aan de keuringseisen voldeed. De omstandigheid dat in het kader van de herkeuring tevens de cusumbijdrage van die herkeuring wordt vastgesteld, doet die vaststelling naar het oordeel van de president voorts nog geen deel uitmaken van de weigeringsbeschikking, bedoeld in artikel 90 van de WVW
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.