ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht UITSPRAAK AWB 01/1382 AWB 01/1409 Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, in het geschil tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde mr. H.M.E. Baten, verbonden aan de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop, verweerder. Derde belanghebbende partij ingevolge artikel 8:26 van de Awb, tevens verzoeker ingevolge artikel 8:87 van de Awb: [vergunninghouder], gemachtigde mr. P.W.M. Dorn, advocaat te Geldrop. I. PROCESVERLOOP Bij besluit van 1 maart 2001 heeft verweerder aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder), met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) juncto artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Industrieterrein Emopad 1992" en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een woonhuis en het bouwen van een hal op het perceel kadastraal bekend gemeente Geldrop, sectie […], nr. [nummer], plaatselijk bekend [straat, nr I] te [woonplaats]. Tegen dit besluit heeft eiser, wiens [bedrijf] is gevestigd aan het [straat, nr II] te [woonplaats], bij schrijven van 17 maart 2001 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij uitspraak van de president van deze rechtbank van 21 maart 2001 (geregistreerd onder nummer Awb 01/702 ) is het besluit van 1 maart 2001 geschorst. Deze schorsing is bij uitspraak van de president van deze rechtbank van 4 mei 2001 (eveneens geregistreerd onder nummer Awb 01/702) gehandhaafd. Bij besluit van 22 mei 2001 heeft verweerder het bezwaar van 17 maart 2001 in overeenstemming met het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van verweerders gemeente van 7 mei 2001, ongegrond verklaard. Dit besluit is bij brief van 28 mei 2001, verzonden 30 mei 2001, bekend gemaakt. Tegen dit besluit heeft eiser op 14 juni 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 4 juni 2001 heeft vergunninghouder de president van de rechtbank verzocht de bij uitspraak van 21 maart 2001 getroffen voorlopige voorziening op te heffen. Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 september 2001, waar eiser is verschenen vergezeld van zijn gemachtigde. Tevens is verschenen vergunninghouder, eveneens vergezeld van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. T.A.C.I. Luyben en mr. M.P.H. Gofers. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de president een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. Ingevolge artikel 8:87, tweede lid van de Awb zijn de artikelen 8:81, tweede, derde en vierde lid, en 8:82 tot en met 8:86 van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de president, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep is ingesteld bij de rechtbank en de president van oordeel is dat na de zitting, als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De president is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarbij wordt opgemerkt dat eiser in de uitnodiging voor de zitting op de bevoegdheid van de president is gewezen om tevens uitspraak te doen in de aan het verzoek om voorlopige voorziening ten grondslag liggende hoofdzaak. In onderhavige zaak dient te worden beoordeeld of verweerder terecht en op goede gronden bouwvergunning heeft verleend voor het verbouwen van een woning en het bouwen van een bedrijfshal op het perceel [straat, nr I] te [woonplaats]. Ingevolge artikel 40, eerste lid van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders. Krachtens artikel 44 van de Ww mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien: a. het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften; b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening; c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen; d. het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid, of e. voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Ingevolge artikel 20, eerste lid, a, onder 1 van het Bro komen voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft. Artikel 19 derde lid van de WRO jo artikel 20 van het Bro geeft mogelijkheden voor een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woon- of ander gebouw binnen de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft. Volgens de Nota van Toelichting op de wijziging van het Bro gaat het hierbij om aan- of uitbouwen, bijgebouwen, dakkapellen, afdaken, en dergelijke. Blijkens het thans vigerende bestemmingsplan "Industrieterrein Emopad 1992" rust op het onderhavige perceel de bestemming "bedrijfsdoeleinden met bijbehorende erven, B" conform artikel 4 (hoofdstuk 2 bestemmingsvoorschriften). In gevolge artikel 4B van de planvoorschriften zijn op deze gronden toegelaten: a. bedrijfsgebouwen waaronder kantoren; b. bedrijfswoningen met de daarbijbehorende gebouwen, zoals hierna te noemen; c. bouwwerken geen gebouwen zijnde; d. verhardingen, waaronder particuliere en openbare ontsluitingen van bedrijfspercelen; e. groenvoorzieningen; f. bijbehorende voorzieningen. Ingevolge artikel 4C van de planvoorschriften van het bestemmingsplan mag op de als bedrijfsdoeleinden -B- bestemde gronden uitsluitend bebouwing ten behoeve van de onder A genoemde doeleinden worden gebouwd. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen (voorzover van toepassing): a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken worden gebouwd. d. de afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen moet aan een zijde ten minste 3 meter bedragen. e. per bedrijf c.q. bedrijfsperceel mag een dienstwoning worden gebouwd mits:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.